HOOFDSTUK XIV

En Gawein liep op den kranken Koning toe en knielde hoofsch voor hem en

kuste zijn hand, terwijl alle de baroenen van den lande en alle die

edele vrouwen, die zich daar in den hof vermeiden, Gawein bezagen en

bewonderden en opstonden om hem te begroeten.

--Mijn heere Gawein! zeide Koning Mirakel. Uw gelijke is er geen van

deugden onder den Trone! Hoe vroô ben ik u weder te zien na zoo vele

jaren! Herkend heb ik u dadelijk! Herinnert gij u, dat gij hier tusschen

mij en mijn zoon vondt staan het tooverschaakspel, dat in Camelot was

binnen gevlogen en dat gij harde begeerdet en dat ik het u gaf, toen gij

mij na vele Aventure kwaamt brengen het Zwaard met de Ringen, dat gij

van Koning Amoraen kreegt, omdat gij hem beloofdet de schoone Ysabele

tot hem te brengen, Koning Assentijns dochter! Lace, hoe vele jaren is

dat alles her! Amoraen was gestorven, toen gij hem Ysabele kwaamt

brengen in smartelijke trouwe om uw eed want gij hadt haar zelve lief

gekregen en zij u, maar toen hadt gij zoowel uw zoete wijf als het Scaec

gevonden en uw geluk met beiden!

--Mijne heere Koning van Wonderland, antwoordde Gawein, die naast des

Konings bedde zich had gezet. Ik herinner mij van alle deze dingen en

heb smarte u te zeggen, dat mijne minne en geluk ten einde kwamen, want

Ysabele, lace, zij stierf....

Er was groote rouwbedrijvinge rond om Gawein toen hij dit zeide; de

Koning nam hem eene hand en Alidrisonder de andere en de edelvrouw met

het schoothondje, dat zij los had gelaten en dat kefte in haar gewaad

verward, trad nader vooruit, want zij vond Gawein een verleidelijken

ridder, vooral nu zij wist, dat hij weduwnaar was en een der groote

baroenen van Koning Artur.

Toen Gawein bedankt had voor zoo algemeene deelneming in zijn verlies,

hernam hij:

--Mijn heere Koning, dat ik heden voor u waag te verschijnen is om geen

andere reden dan dat ik wederom op queste ben van een Zwevende

Tooverscaec en dat ik dit dacht bij u te vinden, maar het Scaec, dat ik

op deze tafel zie en waaraan gij speeldet met uwen zoon den prins, dien

ik bemin, wellieven Alidrisonder, is niet het Scaec, dat in vroegzomer

binnen zweefde in de Ronde Zale van Camelot.

Toen sloeg de oude Koning Mirakel de trillende armen op. En hij

weeklaagde:

--Eilace, wellieve heere Gawein! Tooverscaec zoekt gij bij mij? Maar

weet gij dan niet, dat alle toovermacht ontzonk aan Koning Wonder? Dat

mijn Wonderland geen Wonder en meer is? Neen, dit Scaec hier is een

gewone scaec en ik en zoû geen tooverscaec meer kunnen scheppen en

beheerschen! Wat ik kende, is de oude tooverië en, ai mij, de nieuwe

toovenaars hebben, wat zij noemen de moderne magië uit gevonden! Weet

gij, Merlijn, bij uwen Koning Artur, die is de moderne tooveraar! Ik,

lace, en weet niets van zijne conste, die zijn met natuurkrachten

bereid, mij en mijnen gelijken nimmer bekend. Merlijn, die verjeugdigt

zich, al is hij zoo oud als ik! En dat drukt op knoppen of draait aan

sturen en dat vliegt door het geluchte of verlicht geheele burchten of

doorschicht geheele foreesten en donkere wolkstapelingen en dat is

Wonder, werkelijk Wonder, mijn wellieve Gawein, onbegrijpelijk met mijn

armen geeste! En wat ik nog wist te maken: tooverbedden, waarin gewonde

ridder genas, wonderboomen van rooden goud, waarop de vogelkijns

zingende vlerken uitslaan--ik zeg u in gemoede: dat gebeurde door

mannen-met-blaasbalgen, die onder een duwiere den hollen boom wind toe

joegen en zoo de vogelkijns zingen deden--dat maakt Merlijn, met

Zwevende Scaecken, nu veel beter dan ik; dat is hèm kinderspel,

spelleconstjes, aardigheidjes, meer niet: vooral een Zwevende Scaec--des

ben ik overtuigd--zal hij nu ook veel beter vermogen te maken dan ik het

ooit vermocht! Gawein, lieve Gawein, ziet gij dan niet, dat ik krank ben

van mijne onkunde geworden, dat ik in troostelooze moede ben, trots al

mijn hof, dat jolijt drijft om mij rond, om mij vergeten te doen?

Gawein, lace Gawein, ziet gij dan niet, dat de oude Koning Mirakel

sterft, omdat de nieuwe mirakelen door de geluchten zweven en wij, o

wacharme, hen niet en weten?

Toen knielde op nieuw Gawein bij den zieken Koning en hij zeide:

--Mijn wellieve heere Koning Wonder, zoo ik niet en vroeg of gij krank

waart, zijt des gewes! liet ik dit na uit bescheidenheid. Laat mij u

wenschen beterschap toe en zeggen wat mijn gedachte is. Merlijn is een

knappe tooveraar maar hij is alleenlijk jong in den morgen en oud in de

nacht en als hij eens des avonds sterft, zal dit zijn omdat zijn

tooverconste overheerscht wordt door die natuurkracht. Maar het Wonder,

dat Wonder was, zal het blijven als wij het Wonder voelen in ons harte

als ik het voel, o mijn heere! die het Zwevende Scaec dit maal toch niet

vind tusschen u en uw prins staan....

De zieke Koning richtte zich half op, verrast. Hij glimlachte en zag

Gawein in diens groote, bruine oogen. Hij legde zijne handen op Gaweins

schouders. Hij zeide niets maar hij was geroerd en toen hij daarna zijn

blik weidde over zijne baroenen en hunne edelvrouwen--wijven en

dochteren--zag hij onder den glimlach van hun hoofsche doen den Twijfel

en het Ongeloof schemeren en had er Gawein liever om.

* * * * *

Al was Koning Mirakel van Wonderland krank en droef te moede omdat hij

geen modern toovenaar was, aan zijn hof heerschte nog vele vreugde, waar

niemand zich scheen aan te trekken, dat de Koning zulke vernoye had en

pijn van zwaarmoedigheid. En nu de blijde bellen sprenkelden heldere

klanken tot nooden aan den disch, voerden edelknapen Gawein en zijn

Amadijs naar een kemenade, waar zij zich zouden verkleeden. De knapen

brachten de feestkleederen, zoo als die steeds in alle burchten klaar

lagen voor ridderen, die aan kwamen dolen en wie hen vergezelden en

boden hunne diensten aan. Maar Gawein, denkende aan Amadijs, die

eigenlijk Alliene was, verzekerde hun, dat hij genoeg had aan zijns

eigenen schildknapen hulp, en hij bleef met Alliene, liever, met Amadijs

alleen.

Toen zag Gawein om zich rond en zeide en wees:

--Wellieve Amadijs, mijn schoone knape, zie deze kemenade; ik ken haar

van Destijds en op dit tooverbedde heb ik geslapen, nadat ik met de

draken gekampt had, de moederdrake en de vier felle serpentenjongen en

in minder dan een nacht was ik genezen van mijne wonden. Maar sedert

heeft Merlijn het geheim ontdekt tooverbedden te maken, waar de gewonde

ridder in minder dan zes uren van zijne wonden geneest: zoo een hebben

wij te Camelot en daarom is Koning Wonder onvroô te moede.

En Gawein toonde Amadijs het bedde. De vier pilaren van het ledekant

waren van fijn, rood goud en de sponde was van gebeeldhouwd ivoor en op

den hemel, waarvan de gordijnen van geel damast af vielen, zaten vier

gouden engelen aan de vier hoeken en zongen, sedert de edelknapen de

gasten hadden binnen geleid.

--De engelen zingen niet zuiver meer, zeide Gawein. Bet is het, dat wij

ze doen zwijgen. Hij poogde den knop te draaien, die een der engelen kon

doen zwijgen en met een knars zweeg de engel ook stil; toen deed Gawein

zwijgen de andere drie.

--Wat er zingt bij Merlijn in zijn burcht, zeide Gawein; zingt uit

groote, gouden kelken en dunkt mij schooner van klank. Maar ik heug mij:

toen ik tien jaren geleden deze engelen hoorde zingen voor de eerste

male, vond ik hunne melodië wel uitermate schoon....

Gawein begon zich te ontgespen.

En hij duldde nu, hoffelijk zich verontschuldigend, dat Amadijs hem

hielp, want moeilijk was het wel en hijzelve ontgespte daarna Amadijs.

En zij wieschen zich in het bronzen bekken, waarin het water, te pointe

koud, te pointe heet, reeds gegoten was en verkleedden zich toen voor

het maal met de kleederen, die de edelknapen hadden klaar gelegd. Gawein

kleedde zich in een surcoet van roode zijde, die was met hermelijn

omzoomd en zijne hozen waren wit en zijne schoenen waren rood wederom,

met rooden goud bedropen en hij stond in zijn feestgewaad zóó ernstig en

beminnelijk, met het lange, bruine haar, dat glansde als van een vrouw

en golvend om zijn breeden nek viel, tot Amadijs ontroerde, terwijl

hij--maar Amadijs was Alliene--zich kleedde in bliaut van witte zijde,

met sabelbont omzoomd en in roode hozen met wederom witte schoenen,

lang van toot, de kort geknipte, geluwe lokken om het even weemoediglijk

aanschijn niet minder gouddraadblond dan koninginne Guenevers vlechten.

En toen wederom de blijde bellen sprenkelden de klanken tot nooden aan

den disch, gingen zij beiden de kemenade uit en in de gangen en

gaanderijen verdrongen zich, maar hoofsch, de baroenen en hunne vrouwen

en dochteren. In de groote zaal--rijk de wanden gepinghierd met

tafereelen uit Koning Wonders eigene tooverjaren--waren de vele tafelen

over de schragen gelegd; 's Konings eigene tafel was van rooden goud en

de anderen waren van ivoor en kostbare ammelakens werden er over

gespreid.

De Koning zoû zich zetten op een zetel, die vroeger ongenaakbaar was

voor bliksem en donder en waarin hij ook onaantastbaar was gebleken voor

elken vijandigen aanval, maar hij bekende nu zijn gast, strompelend aan

diens arm, den prins Alidrisonder ter andere zijde, dat hij niet gaarne

meer tijdens tempeest of overrompeling in den zetel ware gebleven.... De

toovermacht ervan was versleten, meende de Koning Wonder en schudde

bezwaarlijk zijn grauwe lokkenhoofd. Maar Alidrisonder, jeugdig, lachte

en meende, dat er eigenlijk geen toovermachten bestonden en dat het

alles was werktuigkunde en clerkeconste: zingende engelen, bedde van

hygiëne en zetels, onaantastbaar voor bliksemflits of voor donderkeil.

Wat de Koning boos deed worden, wankel op zijne zieke beenen aan den arm

van zijn lieven gast, heere Gawein, zoo dat Gawein hem verzekeren moest,

dat Alidrisonders oordeel dat was van jeugdigen overmoed en dat het

Wonder der wondermeesters en des Konings van Wonderland meer was van

heilige scienscië dan clerkeconste en wetenschap-van-enghiene waren....

Om welke troostende verzekering Koning Mirakel zeer dankbaar was toen

hij Gawein noodde naast hem te zitten op den tooverzetel en met hem te

tasten uit één bord van rooden goud en met hem te drinken uit één beker

van rooden goud. De stopen van goud stonden her en der op de tafelen

voor de gasten gevuld met clareit en met hypocras en met gekruide

malvezijen; nappen stonden er menigertiere van goud en zilver en zuiver

kristal in vele vormen van sierlijkheid en de edelknapen gingen rond,

met, hoog geheven, de zware schalen, waarop de pauwen lagen, staart

ontplooid, of dampend, thijm-doorgeurd venizoen, afgewisseld met jong,

malsch tam: over de tafelen lagen de kersen geschikt, voor fraaiïgheid

en voor snoeperij....

En gouden engelen, in de hoeken der zale, staken trompetten en

zongen....

Het zwevende schaakbord · 第 19 / 44 题