Twee dagen later reed een ridder het woud uit en hem ter zijde een
jeugdige edelknaap. Het was Gawein en het was Alliene. Zij hadden den
vader ter aarde besteld en de paap was de mis komen lezen. De huisman en
zijn vrouw hadden voor spijs gezorgd en drank en Gawein had hun de
paarden van Morgret en Didoneel geschonken tot delging van schuld, die
Alliene's vader aan hen liet na beschreven. En de jonkvrouw, in de
rusting haars jeugdigen broeders, kortelings verslagen, volgde den
ridder, die haar beschermd en gered had. Want zij had niets meer en
niemand ter wereld en zij verliet den vervallen burcht, die brokkelde
over haar hoofd.
Zij reden zwijgend en Gawein dacht na, in den klaren morgen, die zoo
vreemd welfde den openbaren hemel boven hen na de treurenissen, die
waren geweest. Dat wat rondom Gawein de Ridders van Tafel-Ronde zoo
dikwijls hadden betwijfeld, dat was gekomen en had hem omringd en zoû
hem weder omringen. Het Scaec, dat was aan komen zweven; de berg, die
zich ontsloten had; Morgueine, die hem na Gringolette's dood in een
tooverwagen, die van zelve ijlde, gevoerd had in de Valleie der Ontrouwe
Ridderen, waar speelinstrument zweefde in de lucht en waaruit twee
liefdegetrouwe gezellen hem waren komen verlossen....
Was het niet alles Wonder en Aventure geweest? Was Wonder het niet
geweest, dat harnas en wapenen uit het geluchte hem waren gevallen en
dat een jong Gringolet hem hinnikend toe was geloopen? Was Aventuur het
toen niet geweest, dat Alliene hij uit het geweld had bevrijd van fellen
Didoneel en Mordret? O, de bittere verrassing van dat Aventure! Nu
breidde de wereld weêr nieuw maar vol verborgenheden van Toekomst zich
rondom hem uit met den nieuwen dag en....
--Schouw toe, heere! riep Alliene plots naast hem.
Hij zag òp, volgend de wijzing van heur gemalieden vinger. En hij zag
voor zich hoog, tusschen de witte wolkjes, dan lager, dalende als met
vogelvluchtgril, het Scaec, het Zwevende Scaec. Bijna als een leeuwerik
vloog het nu òp, òp, òp, met korte schokjes, verloor zich tusschen de
wolkjes, schoot weêr uit, daalde, daalde, steeg, òp, òp, òp.... En het
schitterde met de juweelen velden en de enkele glinsterende stukken,
door toover, wankelden niet maar bleven recht op, gouden en zilveren
gensters....
--Het verschijnt voor mij, zeide Gawein, terwijl hij ruimer ademde;
omdat ik het achterhalen moet. Ik meende het in Koning Wonders burcht te
zullen vinden, waar ik het Destijds vond maar Aventure voerde mij verre
voorbij het slot van koning Mirakel! Zoo moet het ook geschieden in
queste; zoo is het immer geschied: nimmer is Heilige Speer of Heilige
Graal of Zwevende Scaec dadelijk gevonden door dolenden ridder; jaren
lang doolde ridder in queste, voordat hij vond Heilige Graal, Heilige
Speer of Zwevende Scaec.... Het Wonder is de werkelijkheid, het Aventuur
is het leven van iederen dag voor dolenden ridder en zoo niet het
Aventuur hem tegen hield dadelijk het doel te bereiken, zoû hij nimmer
verlossen belaagde onschuld en zoude trouw-aan-liefde nimmer verklaren
openlijk voor héél de wereld, als zij deed toen Lancelot mij
verloste....
En Gawein spoorde zijn paard en Alliene spoorde het hare tot vluggeren
draf, om het Scaec niet uit het oog te verliezen.... Tot het Scaec,
ergens, achter de kartelende lijn van geboomte, pijlrecht neêr daalde en
verdween.
--Bij Sint Michiel, mijne schoone jonkver! riep Gawein. Vooruit in de
richting waar het verdween!
En zij draafden dwars door het foreest, waar het Scaec scheen neder
gevallen. Een serpent, een drake, meende Gawein kon plots, zekerlijk,
voor hem doemen in de verwarring der takken en twijgen, die dikwerf den
weg hun versperden of tusschen het door één gestrengeld struweel,
waartusschen strompelden de gespoorde rossen. Maar geen serpent doemde
op en de beide ruiters vervolgden hun weg, tot zij door moeras, waar,
pluime-bloeiende, het riet uit stak, de rivier bereikten, de zelfde, die
Gawein met Gringolette was op gezwommen. En aan de rivier verrees de
burcht van den Koning Mirakel, die heerschte over Wonderland, dat lag
daar tusschen den Wonderstroom en de Vagevuursche wateren en de lucht
was er anders dan in de gewone, omringende luchten, ook al werden die
dikwijls doorstroomd met de ademen der Wonderlandsche winden. Het was
eigenlijk alles Wonder, Land van Logres en alle de andere koninkrijken
van oude koningen daar om heen, waar over tooverstaf voerde Koning
Mirakel of Merlijn en Morgueine of wie er nog verder in stilte heerschte
over elementen in aarde, lucht, water, vuur: over gnomen en sylfen,
nixen en salamanders. Deze burcht echter, bedacht Gawein, had hem
Destijds, toen hij den eersten keer er het Scaec kwam zoeken en het er
ook werkelijk gevonden had, toe geschenen als een burcht van koper, als
een burcht van gloeiend brons, als een burcht van goud, en nu scheen het
Gawein toe, dat de burcht gebouwd was van steen, van roode, rossige
steen als andere koningsburchten in de omringende landen, rooder alleen,
rossiger.... Goud, neen, het was geen goud.... Hoe vreemd, dat het geen
goud meer was.... Maar dáár, voor hem, was de poort, die hij Destijds
ook was binnen gereden. Zwijgend wees hij Alliene met zijn speer mede
binnen te rijden. De poort gaf toegang tot een hagedochte en dat
hagedochte geleidde onder de rivier tot in den burcht. De ruiters reden
beiden het sombere hagedochte binnen; daar duisterde de dag en boven
hunne hoofden hoorde zij den snellen stroom van het diepe water, dat
raasde vervaarlijk als een waterval.
--Heer, zeide Alliene zacht en treurig; geloof mij nu wel, bij Sinte
Marië, dat ik uw dienstknape ben zoo niet uw dienstwijf, dat gij niet en
wenschtet en gij niet meer een jonkvrouw in mij ziet maar alleenlijk een
garsoen. En dat, zoo ik sterven kan voor u, door u te beschutten met
mijn lijf en leven, ik beiden niet en sparen zal.
Zoo sprak Alliene maar zij zeide niet alles in volle waarheid was zij
gevoelde in heur hart voor den ridder, groot van prise, die vol edelen
moed haar had beschermd en verlost van twee booze feloenen. Zij zeide
niet de groote minne, die vrouwe Venus in haar voor Gawein had
ontstoken: voor den edele, den sterke, den hoofsche, die met haar
gebeden had tijdens de nachtwake bij den dooden vader, die haar om hare
heilige smart had geëerbiedigd als de Maagd zelve, in de eenzaamheid der
brokkelende burchtzalen. Want Gawein, anders gemakkelijk en veelvuldig
in liefde, niet trouw ooit aan Ysabele, Assentijns dochter, gebleven,
had van geen liefde betuigd aan Alliene, die hij in rouwe en in smart
had bijgestaan, volgens ridderlijken plicht en eed.
--Zoo zij het, Alliene en, naar mijnen waan meen ik, dat het best zal
zijn u, bloeme boven alle knechten en edelknapen, voortaan te noemen
Amadijs en u ridderschap te beloven op lateren dag, aan mijn Konings
Arturs hove....
En er was scherts in zijn woord en toch ernst, nu hij Alliene vergund
had hem te vergezellen in de rusting haars broeders, omdat zij geheel
alleen ter wereld verlaten was. Nu waren zij het hagedochte uit gereden,
zonder dat toover-enghien hen verhinderd had, want de torenwachters
hadden Gawein herkend en lieten hem vrij binnen rijden met den knaap,
die hem ter zijde reed.
Gawein en Alliene reden door opene poort bij poort over brug en brug den
burchthof binnen; garsoenen schoten toe, hielden de rossen vast; de
ruiters stegen af....
En zij zagen in den hof, onder den lindeboom, den ouden Koning Mirakel
liggen op een rustbank.
En zijn zoon Alidrisonder zat naast hem.
En zij speelden schaak....
Rondom in den hof, onder rood gouden appels, die hingen zwaar in de
appelaren, zwoel van geur en gestoofd door midzomerzon, zaten of
vermeiden zich de ridders en edelvrouwen van het hof.
De jeugdigen sloegen er den bal; anderen speelden het werptafelspel en
dobbelden er met de steenen....
Een edelman, in kostbaar gewaad van siglatoene, liet op zijn vuist zijn
valk bewonderen aan eene edelvrouw, die in heur schoot haar leliewitte,
zijdeharige hondje koesterde en hoofsch gesprek ging om, terwijl zachte
melodië van knapestemmen weêrklonk bij viool, luit, psaltherion en
cither.
En toen de garsoenen Gawein en Alliene--zij heette nu Amadijs, o lezer,
wees des gewes!--den hof binnen leidden, zagen allen toe en stond
dadelijk op de prins Alidrisonder en beide handen uit gestoken, riep
hij blij:
--God van Hemelrijk geve u goed geval en al dat gij begeert, o zoete
vriend Gawein, mede met den welschoonen knape-van-wapenen, die u
verzelt! Wellekom in onzen burcht en duld, dat onze garsoenen u beiden
sporen afdoen en glaviën ontgorden!
En tot zijn vader, die, krank, zich slechts even uit zijne kussens
richtte, riep Alidrisonder:
--Hooge vader, mijn edele heere, hier is tot ons gekomen de bloem boven
alle ridderen, dat is Gawein, van Koning Arturs Tafel-Ronde!