HOOFDSTUK IV

In het zaalgedeemster zagen de ridders op den strak witten wand voor

zich, als op een levend schilderij, tusschen de al flamboyant Gothische

krullen der omlijsting--stijl der toekomst nog vreemd aan hun

aesthetisch bewustzijn--het laatste Aventuur herleven, het Aventuur van

Gawein, het Aventuur van het Zwevende Schaakbord, dat Gawein den Koning

gezocht had en gevonden na moeitevolle queste. Ja, nu waren zij er zeker

van, dat Merlijn het Verleden op nieuw kon doen zichtbaar zijn,

precieselijk als het geschied was: zij zagen, als het geschied was, zich

allen zitten blijven, om de Ronde Tafel, toen de Koning rondom vroeg wie

hem het Schaakbord zoude zoeken; zij zagen toen Gawein rijzen, zich

wapenen, te paard stijgen op zijn goed ros Gringolette, dat nu nog wel

op stal stond, maar oud en weinig meer wrochte; zij zagen hun gezel zich

in het foreest verliezen en stand houden voor een berg, die hem den weg

versperde; zij zagen den berg, met tooverië, zich openen en Gawein

verslinden en toen plots, zagen zij Gawein in fellen strijd met den

draak, terwijl hem de draak in zijn staart omkronkelde! Dat wat zij

zelven sedert jaren niet meer hadden gezien noch gedaan, een drààk en

eens ridders strijd met dien zagen zij nu, gezeten in hunne wijde zetels

en het was als een schouwspel ten vermake! En zij waren allen zeer

verbaasd en versaagd en verwonderden zich, tot Merlijn eensklaps zeide,

terwijl het licht in de zale als uit groote edelsteenen, jochanten en

karbonkelen, straalde overal uit den wand:

--Verder, mijn valiante wiganten en lieve gezellen, kan mijn conste u

niet toonen het Aventuur van der Aventuren Vader. Mijn diengeesten

vermochten alleen nog Gaweins strijd met het serpent te fixeeren in

hunne enghienen, die het Verleden opzuigen en bewaren voor immer. Maar

wat gij zaagt, is genoeg en zal u herinneren doen hoe het Scaec binnen

kwam zweven, hoe gij allen weifeldet en zoo, zeg ik u, zal op nieuw, nu

Pinksteren nadert, een Scaec op Pinksteren-dage binnen zweven en zult

gij op nieuw, zoo gij mij en Gawein te wille wilt zijn en den Koning

voor sombere geesteskrankte bewaren, aarzelen op te staan om de queste

te volbrengen. Dan zal, als hij reeds deed, Gawein zich verheffen; dan

zal hij ten tweeden male....

Op dit oogenblik weêrklonk een trillende zilveren bel boven een groote

lelie van parelmoêr en Merlijn zeide:

--Vergeeft mij, mijn makkeren en jont mij, dat ik even spreek met mijne

zuster, die is de fee Morgueine en zij is vèrre, in haren burcht en belt

mij op!

De ridders verbaasden zeer, maar Merlijn naderde het toover-enghien der

groote parelmoêren lelie, en hij riep door de bloem heen:

--Hallo!... Wellieve zuster Morgueine, zijt gij daar? Ja... ja, zeker...

Volgeerne zal ik u morgen mijn tooverwagen zenden, die van zelve gaat,

zonder peerdegespan en gij zult zekerlijk er meerder jolijt mede drijven

op de gladde wegen, die uw slot omgeven aan den zoom van de zee, dan ik,

die midden in deze foreesten van Logres toch geen nut van mijn schoonen

wagen heb! Zonder meswende, wellieve zuster, ik zal u den wagen zenden

en gij zult ondervinden hoe ruischloos hij vaart!

De ridders waren opgetogen en verzamelden zich rondom Merlijn, die zich

afwendde van de groote, parelmoêren lelie.

--Wat! riepen door elkaâr Sagremort en Acglovael, Bohort, Hestor en

Meleagant. Bij Sint Jan! Bij Sint Michiel! Bij Maria's Kind, den rijken

Gode van Hemelrijke! Hebt gij met uwe zuster gesproken, Morgueine, die

zoo verre woont aan de zee??

--En waarom en zoude ik niet, wellieve gezellen, mijn gevoeg hebben aan

mijne tooverlelië? antwoordde Merlijn, en zij zagen nu allen, dat hij

geheel veranderd was en verouderd en voor hen stond als een oude man,

als een eerwaardige grijsaard met zilvergrijze lokken, zilvergrijzen

baard. Heeft mijne zuster niet ook in haar slot een dergelike

tooverlelië--eene sprakebloem heeten wij de schoone kelke--, waarin zij

met mij spreekt en waarin zij mij spreken hoort?

--Mm...Mm...Mmm...et wie, vroeg Ywein; zijt gij nog meer verbonden,

Merlijn, door dergelijke sprakeblom?

--Met niemand meer, Ywein, verzekerde Merlijn; want alleen grootste

tooverconste kan deze aansluiting van slot tot slot bewerkstelligen en

met Camelot, lace, zoude het niet en mogelijk zijn omdat onzes Heeren

Konings burcht een huis is naar al te oude zede en costume gebouwd, en

niet abel voor onze laatste uitpeizinge van tooverië. En nu, mijn

ridderen, peis ik in mijn moed, dat gij slapen moet gaan en zoete

droomen hebben, die ik u zenden zal, om morgen, met Pinksterendage,

voorbereid te zijn op het Aventuur van Gawein, dat zich herhalen gaat

ten gerieve van onzen held en ter liefde voor onzen Koning, die

smacht....

De ridderen namen van hun gastheer oorlof met hoofsche manieren; de

wijde deuren openden en over de trappen, in eenen, straalden de lichten

op, die schenen te schijnen en te dooven naar mate Merlijn maar zijn

hand bracht aan een knop van jochant, die hier en daar aan den wand zich

bijna verborg tusschen het nieuw Gothische geflamboyeer van goudene

krullen.... Tot Galehot, die hem had bespied, achter de anderen aan

loopende, nauwelijks toen de seneschalk, naar Merlijns voorbeeld, achter

de trap neer tredende ridderen het licht had doen tanen, zijn hand

bracht aan den jochanten knop, dien hij vond en... het juist gedoofde

licht weer op deed stralen!

--God zij gebenedijd, mijn makkers! riep Galehot. Schouwt eens! Ook ik

ben toovenaar en laat het licht zijn naar mijn wille!!

De andere ridders wendden zich, zagen het stralen waar zij juist achter

zich het hadden voelen dooven en verschrikten hevig. En Bohort riep:

--Ik bid Gode om zijne genade, wellieve Galehot!! Draken heb ik

verslagen, ik en weet niet meer hoe vele, maar vaar heb ik, trots mijn

ridderschap, voor deze duivelsche gloeilampen; hoe hebt gij ze op doen

glanzen??

--Zoo ende niet anders! riep Galehot en deed wederom een lamp aan den

wand opstralen, die juist de seneschalk had gebluscht en hij lachte, de

ridder Galehot. Maar de andere ridders, en zelfs Acglovael, lachten niet

en drongen angstig Galehot niet met die tooverenghiene zijn spel te

drijven....

Niet alle ridders echter waren de trap afgegaan om naar Camelot terug te

keeren. Toen Merlijn terug in de zaal keerde, na den vertrekkenden

uitgeleide te hebben gedaan, vond hij Gwinebant, den neef der

koninginne, misnoegd zitten in een zetel en Lancelot bezorgd voor hem

staan.

--Wat is er, wellieve vrienden? vroeg Merlijn; en waarom volgt gij niet

alle de anderen van Tafel-Ronde?

--Krank is Gwinebant, peis ik, Merlijn, zeide Lancelot, die zijn hand op

des jongelings smal voorhoofd legde. Zijne slapen kloppen met

hamerslagen en zie zelve hoe bleek zijn lieren zijn. Kunt gij hem niet

genezen, Merlijn, gij, die toch alle tooverconsten weet en ook die van

kruiden en heilzame bloem?

Merlijn zag een pooze op den schoonen Gwinebant neer. En toen zeide hij:

--Voorwaar, mijn lieve Lancelot, deze knape, die bloeit anders een roze

gelijk, boven alle zijne gezellen van Tafel-Ronde, kwijnt den lesten

tijd, als een gebrokene lelie.... Bij mijne trouwe, niet moeilijk is het

te raden wat hem scheelt. Hij drijft rouwe, onze lieve Gwinebant, om

liefdes wille, wees des ghewes! Gwinebant, is dat niet zoo?

--Het is zoo, Merlijn, antwoordde Gwinebant en kwijnende vielen zijn

anders zoo krachtige armen langs zijn slank jonge leden. Sedert ik,

maanden geleden, bij het leste tornooi Ysabele gezien heb, de schoone

dochter van Koning Assentijn van Endi, heeft Liefde mijn zinnen gevangen

en vervult mijn geest geen andere gepeize dan die aan de jonkvrouw. Want

de jonkvrouwe Ysabele heeft meer schoonheden te haren deele dan Venus

heeft, de godinne, die over de Minne gebod voert; Ysabele is schooner

dan Helena van Sparta of Ysaude van Ierland, die zoo ongelukkiglijk

Tristan minde; ja, Ysabele is schooner, vergeef mij, o wellieve

Lancelot, dat ik dit zegge, dan onze beroemde koninginne Guenever en wen

ik u beiden spanseeren zie door de bloesemende vergieren, dan weet ik

wel, dat Ysabele verre Guenever overtreft in menigertiere schoonheden,

maar ai mij, wacharme, dan sterft mij ook het harte in mijn borst omdat

ik van vlammen verteer en niet weet hoe ik mijn brandenden dorst zal

drenken!

En minnekranke Gwinebant, gezeten, legde zijn kloppend hoofd tegen

Lancelots hart als om troost bij een vriend te zoeken, toen Merlijn--wat

was hij oud, nu dat het over middernacht was!--vinger tegen voorhoofd

uitriep:

--Ysabele! Ysabele, Assentijns kleindochter!! Maar wellieve vrienden, ik

had nog niet aan haar gepeisd in mijn moed maar wij hebben haar harde

noodig voor ons Aventure, dat zich na tien jaren herhalen gaat! Want

vond Gawein niet Assentijns dochter, Ysabele eveneens geheeten, in den

Burcht van Endi, waar het eerste Scaec werkelijk binnen dreef door het

opene venster en nam hij haar niet en mede en huwde hij haar niet aan

onzes Konings hove en stierf zij niet in kinderbedde! Arme Gawein:

ontrouw was hij haar dikwijls al minde hij haar, zijn Ysabele, zijn

lieve wijf, vol van deugden! En eene kleindochter heeft Assentijn, ik

weet het, van zijn zoon, die omkwam in den strijd tegen Rome en zij is

geheeten als hare moei was: Ysabele! Ysabele, de tweede Ysabele, zij zal

haren oom, Gawein, ontvangen te Endi als eenmaal hare moeie het deed!

Gwinebant was opgesprongen, in groote verwarring.

--Wat meent gij, Merlijn? En wat wenscht gij met al uwe achtergedochten

en toovergepeize?

--Niet anders, o wellieve Gwinebant, dan uw liefde te dienen, zoete

knape! Lancelot, ga terug tot Camelot, en laat mij Gwinebant. En gij,

Gwinebant, vertrouw Merlijn, die nie een kwade toovenaar en was, en

stijg deze nacht nog mede op mijn fenix.... Zoo voer ik u tot Ysabele!

De jonge ridder gaf een kreet van geluk.

--Tot Ysabele! Tot Ysabele! riep hij uit.

Een pooze later reed Lancelot, alleen, in de nacht, terug naar Camelot.

Dat hij zoû binnen komen door alle de poorten, die Keye zorgvuldig

gesloten, had, beloofde hem Merlijn, zoo als hij het den anderen ridders

beloofd had.

En stegen, op de fenix, die Merlijn stuurde, Gwinebant en de toovenaar

op. De jonge ridder zat achter zijn stuurder en verbaasde zich. De

schitterend pauwevervig geschakeerde vogel, met recht gestreken wieken,

azuur in den maneschijn, zweefde hooger en hooger op en uit zijne

diamanten oogen schoten twee bundels felle lichtstralen, die verlichtten

den weg door de lucht en de boomkruinen van het nachtelijk foreest. En

tusschen hemel en aarde, tusschen bosch en sterren, voerde Merlijn

Gwinebant naar zijn liefde. Van gelukzaligheid glimlachte, open zijn

zacht hijgenden mond, Gwinebant, de sterren toe of de zwarte

bladerenzee, beneden even gekabbeld de golven.... Hoe zij zweefden, hoe

de fenix zweefde! Hoe zij vlogen, hoe de fenix vloog! O tooverië, o

heerlijke tooverië van vliegen en zweven, de luchten door, de zomernacht

door, over de wereld, tusschen sterren en bosschen! Tot ginds,

afgeteekend tegen de klare nacht, de zware burchtsilhouet rees van het

slot van Assentijn, Gaweins schoonvader--lace, Ysabele, zijne dochter en

Gaweins lieve vrouwe, zij was verscheiden van deze aarde! Maar Ysabele,

de jonge maagd, en Assentijns kleindochter, die Gwinebant zoo beminde,

zij leefde, dààr in dat slot....!

De fenix cirkelde boven het slot: de vogel, nu geruischloos en

onzichtbaar, door kunst van Merlijn, Merlijn zelve en Gwinebant

onzichtbaar.... Er was een aanzwellend gesuis rondom in de lucht als van

vele vluchtige en luchtige vleugelen: een gesuizel, tevens aanzwellende,

als van honderden stemmen....

--O Merlijn...! begon Gwinebant.

Maar het scheen, dat hij zwijmde, achter Merlijns rug.

--Mijn zoete trawanten! fluisterde naar de lucht, links en rechts,

Merlijn. Mijn trouwe dienaren uit de lucht! Mijn blijde sylfen:

hierheen, hierheen op uw lichte vlinderwieken!! Neemt den jongen ridder

hier bachten mij in uwe armen en geeft zijn lijflijk huls aan mijne

gnomen in het foreest, ter bewakinge, aan mijn goede gnomen, dat zij hem

houden in zoete vaak en voert gij zelve, o sylfen! zijne ziele van

liefde met u tot in Ysabele's droom! Komt! Komt! Neemt hem en voert hem

met u!

Er was even een manestraal door de wolk, die veronzichtbaarde de fenix,

Merlijn, Gwinebant.... En in den manestraal verduidelijkte voor

duizenden geestesoogen, die van boven neêr zagen, het blauwe

tooverenghien, het zwevende fenixdier... verduidelijkten even tal van

zilverige sylfewieken, die waren als van waterjofferen en libellen,

doorschijnende glas, dooraderde vlies: de wolk van sylfen, die droegen

het bezwijmde lijf van Gwinebant, zacht dalende, dalende laag....

Verduidelijkten zij daarna zilveriger, in stralender lijnen, toen zij,

opstijgende uit het duistere foreest, Gwinebants astrale lijf hieven

omhoog in hare armen, in hare handen, liggende levenloos de schoone

jongelingvorm in hare stijging.

--Weeft den droom van hier naar daar, van daar naar hier! fluisterde

bevelend Merlijn en wees van slot naar bosch, van bosch naar slot.

Als met een wijd geweven spinnerag zilverden de ijle draden van slot

naar bosch, van bosch naar slot terwijl Merlijn, onzichtbaar, op den

beweegloos zwevende fenix, zijn staf hoog, staande, verroerloosde...

En het droomeweb, het ijle spinnerag weefde voort, weefde voort,

tusschen aarde en hemel, tusschen ridder en maagd....

Het zwevende schaakbord · 第 9 / 44 题