In het zaalgedeemster zagen de ridders op den strak witten wand voor
zich, als op een levend schilderij, tusschen de al flamboyant Gothische
krullen der omlijsting--stijl der toekomst nog vreemd aan hun
aesthetisch bewustzijn--het laatste Aventuur herleven, het Aventuur van
Gawein, het Aventuur van het Zwevende Schaakbord, dat Gawein den Koning
gezocht had en gevonden na moeitevolle queste. Ja, nu waren zij er zeker
van, dat Merlijn het Verleden op nieuw kon doen zichtbaar zijn,
precieselijk als het geschied was: zij zagen, als het geschied was, zich
allen zitten blijven, om de Ronde Tafel, toen de Koning rondom vroeg wie
hem het Schaakbord zoude zoeken; zij zagen toen Gawein rijzen, zich
wapenen, te paard stijgen op zijn goed ros Gringolette, dat nu nog wel
op stal stond, maar oud en weinig meer wrochte; zij zagen hun gezel zich
in het foreest verliezen en stand houden voor een berg, die hem den weg
versperde; zij zagen den berg, met tooverië, zich openen en Gawein
verslinden en toen plots, zagen zij Gawein in fellen strijd met den
draak, terwijl hem de draak in zijn staart omkronkelde! Dat wat zij
zelven sedert jaren niet meer hadden gezien noch gedaan, een drààk en
eens ridders strijd met dien zagen zij nu, gezeten in hunne wijde zetels
en het was als een schouwspel ten vermake! En zij waren allen zeer
verbaasd en versaagd en verwonderden zich, tot Merlijn eensklaps zeide,
terwijl het licht in de zale als uit groote edelsteenen, jochanten en
karbonkelen, straalde overal uit den wand:
--Verder, mijn valiante wiganten en lieve gezellen, kan mijn conste u
niet toonen het Aventuur van der Aventuren Vader. Mijn diengeesten
vermochten alleen nog Gaweins strijd met het serpent te fixeeren in
hunne enghienen, die het Verleden opzuigen en bewaren voor immer. Maar
wat gij zaagt, is genoeg en zal u herinneren doen hoe het Scaec binnen
kwam zweven, hoe gij allen weifeldet en zoo, zeg ik u, zal op nieuw, nu
Pinksteren nadert, een Scaec op Pinksteren-dage binnen zweven en zult
gij op nieuw, zoo gij mij en Gawein te wille wilt zijn en den Koning
voor sombere geesteskrankte bewaren, aarzelen op te staan om de queste
te volbrengen. Dan zal, als hij reeds deed, Gawein zich verheffen; dan
zal hij ten tweeden male....
Op dit oogenblik weêrklonk een trillende zilveren bel boven een groote
lelie van parelmoêr en Merlijn zeide:
--Vergeeft mij, mijn makkeren en jont mij, dat ik even spreek met mijne
zuster, die is de fee Morgueine en zij is vèrre, in haren burcht en belt
mij op!
De ridders verbaasden zeer, maar Merlijn naderde het toover-enghien der
groote parelmoêren lelie, en hij riep door de bloem heen:
--Hallo!... Wellieve zuster Morgueine, zijt gij daar? Ja... ja, zeker...
Volgeerne zal ik u morgen mijn tooverwagen zenden, die van zelve gaat,
zonder peerdegespan en gij zult zekerlijk er meerder jolijt mede drijven
op de gladde wegen, die uw slot omgeven aan den zoom van de zee, dan ik,
die midden in deze foreesten van Logres toch geen nut van mijn schoonen
wagen heb! Zonder meswende, wellieve zuster, ik zal u den wagen zenden
en gij zult ondervinden hoe ruischloos hij vaart!
De ridders waren opgetogen en verzamelden zich rondom Merlijn, die zich
afwendde van de groote, parelmoêren lelie.
--Wat! riepen door elkaâr Sagremort en Acglovael, Bohort, Hestor en
Meleagant. Bij Sint Jan! Bij Sint Michiel! Bij Maria's Kind, den rijken
Gode van Hemelrijke! Hebt gij met uwe zuster gesproken, Morgueine, die
zoo verre woont aan de zee??
--En waarom en zoude ik niet, wellieve gezellen, mijn gevoeg hebben aan
mijne tooverlelië? antwoordde Merlijn, en zij zagen nu allen, dat hij
geheel veranderd was en verouderd en voor hen stond als een oude man,
als een eerwaardige grijsaard met zilvergrijze lokken, zilvergrijzen
baard. Heeft mijne zuster niet ook in haar slot een dergelike
tooverlelië--eene sprakebloem heeten wij de schoone kelke--, waarin zij
met mij spreekt en waarin zij mij spreken hoort?
--Mm...Mm...Mmm...et wie, vroeg Ywein; zijt gij nog meer verbonden,
Merlijn, door dergelijke sprakeblom?
--Met niemand meer, Ywein, verzekerde Merlijn; want alleen grootste
tooverconste kan deze aansluiting van slot tot slot bewerkstelligen en
met Camelot, lace, zoude het niet en mogelijk zijn omdat onzes Heeren
Konings burcht een huis is naar al te oude zede en costume gebouwd, en
niet abel voor onze laatste uitpeizinge van tooverië. En nu, mijn
ridderen, peis ik in mijn moed, dat gij slapen moet gaan en zoete
droomen hebben, die ik u zenden zal, om morgen, met Pinksterendage,
voorbereid te zijn op het Aventuur van Gawein, dat zich herhalen gaat
ten gerieve van onzen held en ter liefde voor onzen Koning, die
smacht....
De ridderen namen van hun gastheer oorlof met hoofsche manieren; de
wijde deuren openden en over de trappen, in eenen, straalden de lichten
op, die schenen te schijnen en te dooven naar mate Merlijn maar zijn
hand bracht aan een knop van jochant, die hier en daar aan den wand zich
bijna verborg tusschen het nieuw Gothische geflamboyeer van goudene
krullen.... Tot Galehot, die hem had bespied, achter de anderen aan
loopende, nauwelijks toen de seneschalk, naar Merlijns voorbeeld, achter
de trap neer tredende ridderen het licht had doen tanen, zijn hand
bracht aan den jochanten knop, dien hij vond en... het juist gedoofde
licht weer op deed stralen!
--God zij gebenedijd, mijn makkers! riep Galehot. Schouwt eens! Ook ik
ben toovenaar en laat het licht zijn naar mijn wille!!
De andere ridders wendden zich, zagen het stralen waar zij juist achter
zich het hadden voelen dooven en verschrikten hevig. En Bohort riep:
--Ik bid Gode om zijne genade, wellieve Galehot!! Draken heb ik
verslagen, ik en weet niet meer hoe vele, maar vaar heb ik, trots mijn
ridderschap, voor deze duivelsche gloeilampen; hoe hebt gij ze op doen
glanzen??
--Zoo ende niet anders! riep Galehot en deed wederom een lamp aan den
wand opstralen, die juist de seneschalk had gebluscht en hij lachte, de
ridder Galehot. Maar de andere ridders, en zelfs Acglovael, lachten niet
en drongen angstig Galehot niet met die tooverenghiene zijn spel te
drijven....
Niet alle ridders echter waren de trap afgegaan om naar Camelot terug te
keeren. Toen Merlijn terug in de zaal keerde, na den vertrekkenden
uitgeleide te hebben gedaan, vond hij Gwinebant, den neef der
koninginne, misnoegd zitten in een zetel en Lancelot bezorgd voor hem
staan.
--Wat is er, wellieve vrienden? vroeg Merlijn; en waarom volgt gij niet
alle de anderen van Tafel-Ronde?
--Krank is Gwinebant, peis ik, Merlijn, zeide Lancelot, die zijn hand op
des jongelings smal voorhoofd legde. Zijne slapen kloppen met
hamerslagen en zie zelve hoe bleek zijn lieren zijn. Kunt gij hem niet
genezen, Merlijn, gij, die toch alle tooverconsten weet en ook die van
kruiden en heilzame bloem?
Merlijn zag een pooze op den schoonen Gwinebant neer. En toen zeide hij:
--Voorwaar, mijn lieve Lancelot, deze knape, die bloeit anders een roze
gelijk, boven alle zijne gezellen van Tafel-Ronde, kwijnt den lesten
tijd, als een gebrokene lelie.... Bij mijne trouwe, niet moeilijk is het
te raden wat hem scheelt. Hij drijft rouwe, onze lieve Gwinebant, om
liefdes wille, wees des ghewes! Gwinebant, is dat niet zoo?
--Het is zoo, Merlijn, antwoordde Gwinebant en kwijnende vielen zijn
anders zoo krachtige armen langs zijn slank jonge leden. Sedert ik,
maanden geleden, bij het leste tornooi Ysabele gezien heb, de schoone
dochter van Koning Assentijn van Endi, heeft Liefde mijn zinnen gevangen
en vervult mijn geest geen andere gepeize dan die aan de jonkvrouw. Want
de jonkvrouwe Ysabele heeft meer schoonheden te haren deele dan Venus
heeft, de godinne, die over de Minne gebod voert; Ysabele is schooner
dan Helena van Sparta of Ysaude van Ierland, die zoo ongelukkiglijk
Tristan minde; ja, Ysabele is schooner, vergeef mij, o wellieve
Lancelot, dat ik dit zegge, dan onze beroemde koninginne Guenever en wen
ik u beiden spanseeren zie door de bloesemende vergieren, dan weet ik
wel, dat Ysabele verre Guenever overtreft in menigertiere schoonheden,
maar ai mij, wacharme, dan sterft mij ook het harte in mijn borst omdat
ik van vlammen verteer en niet weet hoe ik mijn brandenden dorst zal
drenken!
En minnekranke Gwinebant, gezeten, legde zijn kloppend hoofd tegen
Lancelots hart als om troost bij een vriend te zoeken, toen Merlijn--wat
was hij oud, nu dat het over middernacht was!--vinger tegen voorhoofd
uitriep:
--Ysabele! Ysabele, Assentijns kleindochter!! Maar wellieve vrienden, ik
had nog niet aan haar gepeisd in mijn moed maar wij hebben haar harde
noodig voor ons Aventure, dat zich na tien jaren herhalen gaat! Want
vond Gawein niet Assentijns dochter, Ysabele eveneens geheeten, in den
Burcht van Endi, waar het eerste Scaec werkelijk binnen dreef door het
opene venster en nam hij haar niet en mede en huwde hij haar niet aan
onzes Konings hove en stierf zij niet in kinderbedde! Arme Gawein:
ontrouw was hij haar dikwijls al minde hij haar, zijn Ysabele, zijn
lieve wijf, vol van deugden! En eene kleindochter heeft Assentijn, ik
weet het, van zijn zoon, die omkwam in den strijd tegen Rome en zij is
geheeten als hare moei was: Ysabele! Ysabele, de tweede Ysabele, zij zal
haren oom, Gawein, ontvangen te Endi als eenmaal hare moeie het deed!
Gwinebant was opgesprongen, in groote verwarring.
--Wat meent gij, Merlijn? En wat wenscht gij met al uwe achtergedochten
en toovergepeize?
--Niet anders, o wellieve Gwinebant, dan uw liefde te dienen, zoete
knape! Lancelot, ga terug tot Camelot, en laat mij Gwinebant. En gij,
Gwinebant, vertrouw Merlijn, die nie een kwade toovenaar en was, en
stijg deze nacht nog mede op mijn fenix.... Zoo voer ik u tot Ysabele!
De jonge ridder gaf een kreet van geluk.
--Tot Ysabele! Tot Ysabele! riep hij uit.
Een pooze later reed Lancelot, alleen, in de nacht, terug naar Camelot.
Dat hij zoû binnen komen door alle de poorten, die Keye zorgvuldig
gesloten, had, beloofde hem Merlijn, zoo als hij het den anderen ridders
beloofd had.
En stegen, op de fenix, die Merlijn stuurde, Gwinebant en de toovenaar
op. De jonge ridder zat achter zijn stuurder en verbaasde zich. De
schitterend pauwevervig geschakeerde vogel, met recht gestreken wieken,
azuur in den maneschijn, zweefde hooger en hooger op en uit zijne
diamanten oogen schoten twee bundels felle lichtstralen, die verlichtten
den weg door de lucht en de boomkruinen van het nachtelijk foreest. En
tusschen hemel en aarde, tusschen bosch en sterren, voerde Merlijn
Gwinebant naar zijn liefde. Van gelukzaligheid glimlachte, open zijn
zacht hijgenden mond, Gwinebant, de sterren toe of de zwarte
bladerenzee, beneden even gekabbeld de golven.... Hoe zij zweefden, hoe
de fenix zweefde! Hoe zij vlogen, hoe de fenix vloog! O tooverië, o
heerlijke tooverië van vliegen en zweven, de luchten door, de zomernacht
door, over de wereld, tusschen sterren en bosschen! Tot ginds,
afgeteekend tegen de klare nacht, de zware burchtsilhouet rees van het
slot van Assentijn, Gaweins schoonvader--lace, Ysabele, zijne dochter en
Gaweins lieve vrouwe, zij was verscheiden van deze aarde! Maar Ysabele,
de jonge maagd, en Assentijns kleindochter, die Gwinebant zoo beminde,
zij leefde, dààr in dat slot....!
De fenix cirkelde boven het slot: de vogel, nu geruischloos en
onzichtbaar, door kunst van Merlijn, Merlijn zelve en Gwinebant
onzichtbaar.... Er was een aanzwellend gesuis rondom in de lucht als van
vele vluchtige en luchtige vleugelen: een gesuizel, tevens aanzwellende,
als van honderden stemmen....
--O Merlijn...! begon Gwinebant.
Maar het scheen, dat hij zwijmde, achter Merlijns rug.
--Mijn zoete trawanten! fluisterde naar de lucht, links en rechts,
Merlijn. Mijn trouwe dienaren uit de lucht! Mijn blijde sylfen:
hierheen, hierheen op uw lichte vlinderwieken!! Neemt den jongen ridder
hier bachten mij in uwe armen en geeft zijn lijflijk huls aan mijne
gnomen in het foreest, ter bewakinge, aan mijn goede gnomen, dat zij hem
houden in zoete vaak en voert gij zelve, o sylfen! zijne ziele van
liefde met u tot in Ysabele's droom! Komt! Komt! Neemt hem en voert hem
met u!
Er was even een manestraal door de wolk, die veronzichtbaarde de fenix,
Merlijn, Gwinebant.... En in den manestraal verduidelijkte voor
duizenden geestesoogen, die van boven neêr zagen, het blauwe
tooverenghien, het zwevende fenixdier... verduidelijkten even tal van
zilverige sylfewieken, die waren als van waterjofferen en libellen,
doorschijnende glas, dooraderde vlies: de wolk van sylfen, die droegen
het bezwijmde lijf van Gwinebant, zacht dalende, dalende laag....
Verduidelijkten zij daarna zilveriger, in stralender lijnen, toen zij,
opstijgende uit het duistere foreest, Gwinebants astrale lijf hieven
omhoog in hare armen, in hare handen, liggende levenloos de schoone
jongelingvorm in hare stijging.
--Weeft den droom van hier naar daar, van daar naar hier! fluisterde
bevelend Merlijn en wees van slot naar bosch, van bosch naar slot.
Als met een wijd geweven spinnerag zilverden de ijle draden van slot
naar bosch, van bosch naar slot terwijl Merlijn, onzichtbaar, op den
beweegloos zwevende fenix, zijn staf hoog, staande, verroerloosde...
En het droomeweb, het ijle spinnerag weefde voort, weefde voort,
tusschen aarde en hemel, tusschen ridder en maagd....