Die nacht was de Koning van weemoed moê en had zich vroeg te ruste
begeven hoewel de maan licht aan den hemel stond en bosch en burcht zoo
zwart en romantisch Romaansch tegen die klaarte zich teekenden, dat
schoener nacht zich niet denken liet. Door de duistere schaduwen en
blauwwitten lichtval in de schuimblank bloesemende vergieren wandelden
Lancelot en Guenever, of zaten op de marmeren bank en hare wijle, als
witte nevel, waar maan door scheen, sluierde om beider hoofden hun
staâgen kus. Gawein ook was ter ruste getogen, maar Keye, de drossaet,
hoorde in de nacht vreemd rumoer, onderdrukt, en zag uit, uit zijn rond
raamke, hoog in den burcht, zijn neus plat tegen de kleurige ruitkens.
Hij zag ter andere zijde des burchts de kemenade der koninginne verlicht
met een geligen schijn van toortsen en meende, dat zij niet sliep en
Lancelot evenmin, maar dat was bekender zake, waarom Keye niet zoû geven
een aas! Doch, om het rumoer spiedde hij uit in den binnenhof en
werkelijk, in het schuin vallen van maan en van schaduw, die verdeelden
den hof tusschen haar beiden met één lange streep dwars over de muren en
torens en pavement, zag hij de achterhand van een ros, dat, getuigd, een
garsoen bij den teugel hield.... En zag hij Lancelot uitkomen de poort
van den toren van Guenevers porprijs, zag hij de gelige toortsen dooven
en vernam toen meerder paardgetrap en, bij alle engelen van den Trone!
zag hij de geschaduwde of even maan-opgelichte ridderen, te peerd, den
cour uit rijden, dien hij zelve had doen sluiten. Lancelot, opgestegen,
voegde zich in hun midden en zij reden, als schimmen, altemaal weg....
Hij kon ze niet volgen meer, maar waar gingen zij henen? Hij verbaasde;
hij stond versaagd en verwonderd; hij verstond niet, dat in de nacht
alle Koning Arturs ridderen van Tafel-Ronde--want dat Gawein hun
ontbrak, had hij niet bespied--Camelot zouden verlaten om wie weet waar
heen te gaan?! En furieus, dat zij de dichte poorten wisten door te
komen, alle de dichte poorten zekerlijk, die naar alle de bruggen van de
elf grachten toegang gaven, nam hij zijn zwaren bos sleutels, dien, om
niet te rammelen en den Koning te wekken, hij wikkelde in een slip van
zijn mantel, verliet zijn closet en hinkte, een licht in de hand, van
schoentip op schoentip, de sombere, zwijgende gangen van den donkeren
burcht door. Daalde de smalle trappen af, opende zachtkens de hoofddeur,
keek om en om en uit en uit, spiedde éenoogig in duister, hoedde voor
maan zich ter eene en sloop in de schaduw ter andere zijde, naar de
poort, om te zien of zij toe was.... Werkelijk, zij was gesloten en toen
hij haar nu zelve geopend had en uitgekeken naar de tweede poort aan de
andere zijde van de eerste gracht--een brug er over, die opgehaald was,
bevond hij, dat, werkelijk de tweede poort ook gesloten was...! Zoo
vermoedelijk zouden àlle poorten wel gesloten weêr zijn na der ridders
geheimvolle uitvaart en Keye verwonderde zich.... Hoe, bij den rijken
God van Hemelrijk! hadden zij zich alle de verschillende sleutels na
laten bootsen?? En plòts begreep hij: het was Merlijn! Het was het
Wonder, dat zij wel eens betwijfelden omdat zij moê waren des tien jaren
wachtens op Aventuur, maar dat er toch was, vooral in Merlijns euvele
wetenschap! De poorten wederom gesloten, hinkte, schuin oogend met één
oog, Keye terug, boos en bang, zich nijdig vragend wat het er toe deed
zoo vele poorten elken avond met vele sleutels te doen sluiten als toch
Merlijn met tooverkunst... en met Wonder...! Hij rilde nu van vreeze.
Waar waren zij heen, die keytivige feloenen, die booze ribauden? Denken
kon hij zich niet anders dan dat zij waren te Merline-waart maar waarom
en wat speelde hun door de zinnen? Hij sloop weêr terug in den burcht,
sluitende iedere poort achter zich met licht getinkel der sleutels, toen
zijn zoekende hand zich verwarde in den bos en hij er zocht in zijn
mantelslip, het lichtje telkens neêr zettende op het pavement en dan
weêr moeizaam het beurend, in vreemd gespook van geschaduw, tot hij
eindelijk, hinkend en boos, de nauwe gang zich terug af sleepte waar der
ridderen kemenaden uit kwamen.... Tot hij plots hoorde in Gaweins closet
als den diepen zucht van een, die slaapt en zich ommewendt in zijn
slaap.... Hij dus niet? Was Gawein niet mede? Waren alle de anderen wel
mede?? En Keye sloop terug en hij luisterde aan deze deur, aan die deur,
hij ging ter andere zijde, hij legde oor en oog tegen de kier en hij
besloot, dat alle de anderen waren mede getogen want er was niet het
minste geruchte, noch van Bohorts reuzegesnork, noch van schoonen
Gwinebants murmelen in liefdedroom noch van wat ook, dat hem denken kon
doen, dat Ywein de stotteraar, Sagremort de twijfelaar, Acglovael de
lachebek, Meleagant en Hestor of Mordret en Didoneel--die beide
schalken, die nooit een damosel hadden gewroken!--zich te ruste hadden
gelegd. Ook Galehot niet, die zijn draken tot groote kikvorschen
kleineerde? Neen, ook hij niet.... De kameren, nu Keye spiedde, voelden
ledig aan, ja wàren ledig.... En Keye ging terug naar eigen kamerkijn en
hij dacht:
--Wat zweren zij samen, die kwade jongens? Of in welk kwalijk huis gaan
zij zich divertieren....??
* * * * *
Maar al rees er ook wel in de foreesten van het Land van Logres,
tusschen de vele burchten, een burcht op, waar schoone en slechte
vrouwen tusschen feloenige ridderen de goede ridders belaagden en binnen
lokten, de elf makkers dezen avond--vergeet niet hunne sonore namen, die
immers zijn Lancelot, Bohort en Ywein, Mordret en Didoneel, Hestor,
Meleagant en Acglovael, Sagremort, Galehot en Gwinebant!--reden rustig
stapvoets, gewapend als steeds maar aan Aventuur niet geloovig, de
zwarte, donkere wegen langs, die zij zoo goed kenden, om dan in eens
tusschen het ijlere, doorzichtige loover uit te komen op vlakte of
viersprong, waar de witte maan over vloeide als loome melk tegen der
boomschaduwen zwarten inkt. Zoo liebaert noch drake school in dat zwarte
of plots dreigend uitschoot over dat wit, het geheimenis weefde er wel
door de geluidlooze stilte of zweefde den ridders voor door den val van
het manelicht en geleidde de zwijgende ruiters naar den burcht van
Merlijn. Slechts brieschte nu en dan een ros en kraakte het kreupelhout
onder zijn ijzeren hoef....
En plotseling, op wijdener opene vlakte, rees de burcht vreemd op, zoo
geheel anders dan Camelot en niet Romaansch en niet middeneeuwsch
romantisch maar meer verrassend Oostersch grillig, met blankere muren,
spitsere torens, flamboyant en Gothiesch reeds, ongemeen nog deze
wereldfantazie, in een wijden, witten rozentuin vol reuzekelken, die
stoomden-uit wolkjes van zichtbaar wit neveligen geur en geen gracht of
wal beschermde het, in de maan als een diamant schitterend, slot. Zoo
scheen het wel een kasteel van blanke tooverië, dat niemand ooit zoude
naderen dan wie wist welkom te zijn en niet plots doorschokt te worden
met den tooverschok, dien veroorzaakten de geheimzinnige, metalen
draden, tusschen de rozen verborgen en die doodden wien hunne hevigheid
voer door het heftig doortrilde lijf....
Zekerlijk zag Merlijn, zagen zijne trawanten reeds van verre door
tooverkijkers van kristal of diamant den stoet naderen, want plotseling
schitterde, bij wijze van welkomstgroet, geheel het slot om poorten en
ramen en torentinnen van licht, heller dan starrenschijn en de grootste
poort week open om een verschiet van diepsten gloed....
--Ik dacht wel, dat het Wònder is, zeide Hestor verblind; waarmede
Merlijn zijn kasteel zoo doet gloeien!
--En tooverië, zeide Meleagant; waarmede hij zonder sparen doodt wie
zich verwart in zijne felle draden, die liggen verholen tusschen de
rozen, serpenten gelijk.
--Vroô ben ik, dat hij ons vroed maakte van zulke booze hinderlage en
dat wij weten den weg tusschen de zoete rozen, lachte Acglovael.
--Rechts af ter poortewaart, mijn lieve gezellen! waarschuwde Lancelot.
--Het is diablerië, die niet en door riddermoed noch kracht ware te
overwinnen! bromde Bohort, onder den indruk.
--Het is dia...dia...dia...bbblerië! was Ywein het eens.
En desniettemin is Merlijn de magiër vol goede prise! loofde de schoone
Gwinebant met zijn stem, die was als een nachtegaal klaar.
--Zouden al zijne treken wel diablerië zijn? twijfelde, brauwfronsende,
Sagremort. Of tooverië zelfs? Of alleenlijk maar...?
--Wat, Sagremort? drongen op hunne rossen de ridders om den twijfelaar
rond. Bij caritate, wàt Sagremort?
--Clerkekonste, die hij weet in praktijk te brengen! Hij leest véél in
heel dikke boeken!
--En al ware het al clerkekonste, die hij weet in praktijk te brengen,
zoude dat dan niet diablerië ook zijn?
--En tooverië? riepen Mordet en Didoneel, om wat mede te zeggen, want
zij waren in eindeloos tweegesprek, fluisterend en de andere ridders
letten hen op: Gwinebants donkere oogen begluurden hen fèl.
--Gij zegt wel, bij Sint Michiel! gaf Sagremort zich wel weêr gewonnen
maar dacht toch na, brauwen fronsende en ontfronsende.
Maar de ridders waren tusschen de rozen, die hoog stengelden en wijd
bloeiden en zichtbaar welriekende stoofden, gereden tot op een
voorplein; er stonden op voetstukken marmeren figuren in het rond,
voorstellende de helden, die gestreden hadden voor en in Troye, waarvan
de blinde Homeros gezongen heeft en de goden en godinnen, die hen
beschermden en er stonden ook Aeneas en vrouw Dido, van wie een zekere
Vergilius eens dichtte in de Latijnsche sprake--de clerken en de
trouvère's dichtten die dichters wel na, en zongen hen na op de lange
schemeravonden in de kasteelen. En de beelden waren zoo schoon, dat de
ridders zich verbaasden, iedere maal, dat zij ze zagen.... Tal van
garsoenen schoten toe, terwijl de ridderen afstapten en grepen bij de
teugels de rossen; een seneschalk naderde met een stoet van dienaren, en
toen de elf ridderen binnen traden, doofde plots, voor de poort nog zich
sloot, al de illumineering van het slot. En verbaasden de ridders steeds
om de prachtige inkomst van breede, marmeren trappen, met de blanke
goden- en heldenfiguren ter weêrszijden bezet en dan die felle gloed,
die straalde òp voor hun blik en doofde dadelijk weêr achter hun tred.
Hoe Merlijn toch meester was over licht en donker! bepeinsden zij allen
nu wel en zij stegen de treden op en Merlijn heette hen wellekom boven
aan de trap en zij vonden, hij was zoo jong niet meer als dien morgen
vlak na zijn Jouvence-bad; hij had een goediger gelaat, meer gerimpeld
en onder zijn puntdiadeem scheen zijn haar even gegrijsd en zijn
gestalte boog even, gebrokener, in zijn stijf van gesteente, scharlaken,
wijde magiërsamaar. Zijne wellieve gasten voerde hij naar een groote
zale, die was van zuilen zoo schoon en doorzichtig als nergens in Land
van Logres een burchtzaal, en de ridders, vol tuitinge van love,
verbaasden.
Toen zeide Merlijn:
--Ik heet u, lieve gezellen, wel dank, dat gij gekomen zijt om samen te
rade te gaan over wat wij bedochten om uit deze vernoie te raken van
aventuurloosheid, die vooral onzen beminden Prins en Gawein zoo bedrukt
en smachten doet. Ik heb bedacht te hunner weldade een Zwevend Scaec
Camelot binnen te laten vliegen, als tien jaren geleden geschiedde, en
zoo gij wilt, zult gij allen mij trouw zijn en niet verraden, nu ik u in
mijn vertrouwen neem, want ik heb u allen van noode. En om u wederom
goed en duidelijk te doen heugen van zoo lang verledene maar voor Gawein
glorievolle Aventure, wil ik u de Verledenheid voor tooveren opdat gij u
allen ziet in de dagen van weleer, toen gij twintig vroegzomeren teldet
en zoo frissche knapen waart, allen vol vertrouwen in Aventuren en
Wonder en Heldenfayten....
En hij wees den elf ridderen elf wijde zetels aan. Zij zetten zich en
Meleagant vroeg:
--Zien wij de Verledenheid wellicht in een grooten smaragd?
--Neen wij, zeide Merlijn. Salomo zag het Verleden in een grooten,
ronden smaragd, die zijn magische spiegel was; ik toon u dat eenvoudiger
op dezen witten wand.
En hij toonde vóór de ridders een witten wand, die was gelijst in
gouden, vlammend geloover en de wand was een vierkant amelaken gelijk,
gespannen strak en ontvankelijk voor alle des Verledens beeltenis.
--Tooverië? Of geen tooverië? vraagde zich Sagremort af. Dat is de
vrage!
--Tooverië! Tooverië! verzekerde Merlijn.
En met eenen doofde de zale van alle lichten en straalde alleen aan de
overzijde des witten wands een geheimvollen lichtbundel uit met felle
stralen: er snorde en draaide iets onzichtbaars, en....
De ridders, plots, zagen in trillend beeld op den witten wand ontrollen
het Verleden zelve, hun eigen Verleden! Zij schrikten heftig op. Te
twijfelen voor Sagremort, niet-te-weten voor Galehot was ondoenlijk, om
dit sobere feit.... Aan den smaragd van Salomo hadden zij misschien
nooit één van allen geloofd; aan Merlijns blanken tooverwand, waarover
het Verleden óp trilde, moesten zij wel gelooven! Want zij zagen zich
allen, maar tien jaren jonger, zitten in de Ronde-Tafelzaal, rondom de
Tafel-Ronde! De Koning, zoo krachtig en fier nog, vergeleken bij den
weemoedigen grijsaard, die hij nu was.... Gawein, reeds ernstig, maar
even jeugdig als zij allen toen waren geweest.... Gwinebant, bijna een
knape, van achttien lentes nauwelijks. En de stoel aan 's Konings
rechterzijde leêg, als dien morgen, want Lancelot met de jeugdige
Guenever, wandelde de bloesemende vergieren door, soms teederlijk door
opgewaaide wijle omwoeld.
--O Wonder! O Wonder!! riepen zij allen. O tooverië! Diablerië! Hoe
doèt gij het, zeg toch, Merlijn? Ons eigen Verleden, wij zien het voor
ons! Het en is niet te gelooven en wij zien het...! Toen... op het
triltafereel over den wand zweefde uit de lentewolken een Schaakbord
binnen en het zette zich, als een vogel licht, voór Koning Artur en de
ridders zagen zich allen even ontstellen maar niet lange omdat destijds
zeer vaak vreemd Aventuur zich meldde. En zij zagen den Koning spelen
met den onzichtbaren tegenspeler en toen het Schaakbord zich weêr
verheffen, weg zweven en verdwijnen in het geluchte....
--O Wonder! O Wonder!! herhaalden zij allen.
Ja, zoo was het eenmaal geweest! Zoo en niet anders! Tien jaren her,
tien jaren her!!
En een huivering, koud, doorvloot hunne elftal heldenzielen, terwijl zij
in den donker Merlijn zagen uit stralen, steeds zichtbaarder, maar
steeds ouder ook, met een grauwen baard, die scheen te groeien....