In hare kemenade lag de princes Ysabele te bed en sliep. In het lage,
bruine, gewelfde vertrek, tusschen der wandtapijten beweeglooze figuren,
die te waken schenen in de zacht gouden schemering van het robijnroode
lampje voor de beeltenis der Moeder Gods, rees het groote, vergulde
bedde, twee treden hoog. Het was harer ouderen bedde, en de princes
Ysabele sliep, als de zede was en de costume, op de eéne plaats, rein en
kuisch, recht haar blonde hoofdje op het rolkussen met kwastjes, de
couverture getrokken tot hare borst en haar eene handje over de deken
heen. Het scheen of zij in haar slaap afwachtte wie haar ter zijde in
het te groote bedde als haar gemaal zoû komen liggen. In de schaduw, die
bruineerde tusschen de rossige gordijnen, lag haar wit gezichteke zoo
zoet als van een kind, met de twee gelokene oogleden onder de duidelijk
geharceerde wenkbrauwboogjes. Hare lippen openden zich in een onbewusten
glimlach. Op een treê van het bedde was, ter zijde, haar
princessekroontje geplaatst. Hare muiltjes stonden zoetjes en recht op
de pelline, die voor het bedde uit lag. Door het éene kruisraam blauwde
een weinig de nacht binnen over de twee vazen met bloemkens in de
vensterbank en achter in het vertrek dommelden goudig de
schemeringen--dat was om het lampje--over het bidgestoelt. Een koperen
wijwaterbak glimmelde. Voor het andere raam waren de luiken half toe; er
blauwde alleen een smalle reep nacht tusschen de kier en het tafeltje
stond daar, met ter zijde het boekenschrijntje: daar rijden Levens van
Heiligen en de door clerken van dien tijd opgestelde, tien jaren
geledene Aventuren der Ridders van de Tafel-Ronde. En het zwart-bruine
hondje lag te slapen, midden in het vertrek.
Onbewegelijk lag de princes Ysabele. Weeze, was zij de kleindochter van
Koning Assentijn, wiens land van Endi grensde aan dat van Logres. Somber
en booze om veel ongeval en smart, die hij geleden had, bewaakte de
Koning zijn laatste spruit jaloerschelijk. Zij mocht het kasteel niet
uit dan met dicht gevolg van vele gewapenden, ter jachte of ten tornooi
of ten pelegrimage en verder bleef zij onverbiddellijk binnen. Twaalf
muren omringden het slot, tusschen iedere twee muren een diepe gracht en
het al omringde een diepe, breede rivier, die was van steeds ziedend
water en wie er in verdronk, verbrandde eveneens. En wie hij zijne
kleindochter toe had bedacht te slapen ter leêge stede in het groote,
vergulde bed, was de oude Koning Clarioen van Noordhumberland, aan wien
Koning Assentijn veel verplicht was, om hulp van wapenen in verleden
krijg en Koning Clarioen wachtte Ysabele te trouwen tot zij zestien
jaren volbracht zoû hebben.
Ysabele wist het en had haar grootvader beloofd een lieve vrouw te
worden voor Koning Clarioen, ook al had hij een grauwen baard en al was
hij bijna als haar grootvader zoo oud. Zij had gelezen in de berijmde
kronijken der clerken, dat Koning Artur, van het Land van Logres, ook
oud was en de koninginne Guenever zeer jong steeds bleef. Zij had ook
gelezen van Lancelot en dat hij een trouw ridder steeds der koninginne
Guenever gebleven was meer reeds dan tien lange jaren, en Ysabele
hoopte, dat, als Koning Clarioen haar gemaal werd, Gode van Hemelrijk,
Sint Marië's Kind, haar ook wel zulk een lieven, dapperen hoofschen,
trouwen ridder zoû jonnen. Zij was vol vertrouwen op toekomst. En zij
lag zoo kalm als een zoet kindeke, recht op het rolkussen, met de oogen
toe, onder de duidelijke brauweboogjes. Ook het sluimerende hondje
bewoog niet. En ook bewogen niet de wakende figuren, uit lichtende als
bewaarengelen op de wandtapijten, in de gouden dommeling der
schemeringen....
Buiten bruiselde nauwelijks de wind, over de boomkruinen van het woud.
Was het wind door de blâren of waren het te vroeg ontwaakte vogelen? Of
was het gesuizel van sylfestemmen, duizenden, maar zoo licht, dat het
Ysabele zelfs niet in den slaap bewegen deed? Het waren geen
vogelvlerken, die tegen de blauw beschenen ruitjes tikten des
kruisraams. Het waren sylfewieken, want zij maakten nauwelijks
geluid.... Dat was toen de sylfen binnen drongen door het raamke, dat
niet voor hen bestond. Noch voor hen afsloot binnen van buiten, kemenade
van lucht.... Binnen drongen, tot zij, duizenden, vulden de kemenade.
Maar zoo licht, zoo luchtig, zoo niets dan nevel onzichtbaar, wat
maneschijn meer, naar het scheen. Het hondje bewoog niet, sliep. Maar
Ysabele had zich lichtelijk omgewend naar de leêge plaats in het bedde.
En haar andere arm bevrijdde zich van de couverture en beide armen
strekten en sloten zich nu als omhelsden zij één, die daar lag....
En zij droomde van Gwinebant en omdat de elfen iets namen van haar
slapende wezen, astrale gelijkenis, droomde Gwinebant, in het foreest,
waar de gnomen zijn lichaam bewaakten, den zelfden droom.
Ysabele droomde, dat zij wandelde met den jongen ridder, wien zij op het
laatste tornooi hare losse, lange mouw had gereikt, opdat hij te harer
eere zoude josteeren tegen de andere ridders en die hij aan den helm
had bevestigd.... Dat zij wandelden, in zoet jolijt ende solaes van
amoers, als de koninginne Guenever en Lancelot, van wie zij gelezen
hadden, waren gewoon.... Over de wallen van het kasteel, door de
vergieren, in de zalen; zelfs, dat zij samen waren in de kemenade, zaten
in de vensterbank, tusschen de vazen met bloemkens, lazen in het zelfde
boek: den Roman van Alexander, den Roman van de Helden van Troje, den
Roman van Lancelot zelven, dien de clerken juist dichtten in deze
dagen....
En toen zeide Gwinebant tot Ysabele, in den droom:
--O schoone jonkvrouwe, ik heb u lief, want gij zijt de roze, die over
alle andere bloemen vol van deugd bloeit in schoonheden.
En Ysabele antwoordde:
--Mijn ridder, vol van deugden en hoveschhede, ik heb u ook zoo lief
sedert het tornooi, toen gij mijn mouwe vast hechttedet aan uw helm en
zoo mij Koning Clarioen van Noordhumberland tot zijne koninginne
verkoren heeft, zult gij mij zijn wat Lancelot is der koninginne
Guenever, zoo als ik gelezen heb in de boeken, die de clerken dichtten
en waaruit de minnestreelen zingen en vertellen....
Toen, in den droom, werd Gwinebant treurig, maar hij dorst, om Ysabele's
reine onwetendheid niet te verrassen, haar niet zeggen, dat hij harde
veel pijn en verdrietelijkheden zoude hebben, zoo de zoete jonkvrouw met
den ouden Koning Clarioen zoude huwen. En hij zeide alleen:
Ysabele, mijn zoete jolijt, solaes van mijn vie, hebt gij ooit gehoord
van ridder Gawein, die met ons mede zit aan Tafel-Ronde?
--Ja, ik, Gwinebant, antwoordde Ysabele. Want Gawein is mijn oom en hij
huwde mijne moei, wier ziele is in Paradijs,
--Zoo weet, dat hij zal komen, spoediglijk om Aventure, dat hij
volbrengen zal en het zal goed zijn, zoo gij hem liefdevol ontvangt, in
de zelfde maniere als uwe moei--Ysabele als gij geheeten--hem ontving
tien jaren her....
--Ontvangen zal ik mijn oom Gawein, o Gwinebant, als mijne moei hem
ontving, antwoordde Ysabele.
En zij dreven verder in den droom de zoete melodie te zamen, in kuische
vreugde en zaligheden, en de kussen, die zij wisselden, werden hun door
de sylfen gegund, maar niet méér gunden hun de sylfen.
* * * * *
Den volgenden dag was het Pinksteren; de klokken der kapel van Camelot
bimmebamden en de Koning en de Koninginne schreden ter vroegmis,
zingende zacht in ondertoon de hymne aan den Heiligen Geest, de
vergieren door, waarvan de bloesems stuivende op den bries over hunne
hoofden verwoeien. En na de mis, die vierde de kapelaan, zetten zij alle
twaalf zich om Koning Artur neder in de Ronde Zaal, omme de Ronde Tafel
van jaspis, zetten zij zich zwijgende, als zij iederen dag reeds deden,
durende tien jaren, om Aventure af te wachten. Ook Lancelot zette zich
maar Guenever, tusschen de ooftboomen, wenkte hem, want zij wist van
niets, dat was voorbereid; omdat vrouwen meer praten dan mannen over
dingen, die beter verzwegen worden, had Merlijn den ridders verzocht
niets aan de koninginne te melden. Ook Keye, de spotaard, wist niets en
hij verbaasde zich zeer, toen Guenever Lancelot tot spanseeren noodde in
de vergieren--omdat er immers toch nimmer Aventuur meer zich meldde,
--dat de amys der koninginne haar bediedde met schuddinge des hoofds
van niet, en dat hij zittend moest op zijn plaats blijven. Waarom de
koninginne verbaasd en zelfs booze werd, tot zij hare wijle om zich heen
dichter wond en beleedigd alleen weg wandelde; hare vrouwen die zich,
bescheidenlijk, eerst hadden terug getrokken, naderden haar, vroegen,
begrepen niet en begeleidden Guenever toen in hare verpoozing, haar
noodende naar heur eigen tuin te gaan, waar Merlijns tooverboom stond,
om de gouden vogeltjes er te hooren zingen....
Om den Koning bleven zwijgen de ridders, terwijl Keye bal speelde,
alleen, behendiglijk als een jonge man, hoe hij ook hinkte, hoe hij ook
loenschte. En zorgelijk en weemoediglijk zat de Koning in zijn wat
motputterig hermelijn en fluweel--mottig ook even zijn zilveren baard,
en Gawein, naast hem, zat weemoediglijk en zorgelijk als hij. Geen van
beiden, in het diepst hunner ziel, geloofde meer aan het nieuwe Aventuur
en dat het ooit meer zoude komen. En zoo zij daar zaten, stil, zwijgend,
te wachten, met de anderen, Lancelot, Bohort en Ywein, Acglovael,
Sagremort en Meleagant, Hestor, Mordret en Didoneel, Galehot en
Gwinebant, was dit meer uit niet te verstoren vroomheid aan het
Verleden, aan de groote Verleden Dagen, toen zij zelden ten avonddisch
zich begaven voor zich Aventuur had gemeld en een of twee ridderen ter
gloriënde queste zich op maakten. En Gawein gaapte even, achter de hand,
had wel slaap na de mis en nu om het altijd te vergeefsche wachten. Maar
de andere elf, zij gaapten niet, vol spanning om wat gebeuren zoû. Zelfs
vloekte Bohort tot Lancelot:
--Bij Sint Michiel, komt er nog niets aan?--waarop Lancelot ter sluiks
naar de lucht zag en Ywein fluisterde:
--Ge...ddduld dd...an toch!
Zoodat Acglovael een zenuwigen schater moest onderdrukken om eerbied
voor den zwijgenden Koning en Sagremort, zelfs twijfelend dezen morgen,
of Aventuur zich melden zoû door toedoen van Merlijn, schudde het hoofd,
brauwen gefronst. De anderen zwegen steeds: Hestor, modest, zeide nooit
veel; Mordret en Didoneel keken malkander wel wetende aan omdat zij
beiden dachten aan een aventuur, dat zij met hen beiden voorbereidden en
waarvan ik niets anders melden kan dan dat het niet waardig der
Tafel-Ronde was; o, zoo Koning Artur er van hadde geweten...! Galehot
glimlachte vol felle nieuwsgierigheid en Gwinebant gedacht zich zijn
zaligen droom en was, nu Lancelot zitten bleef, bijna niet meer
jaloersch op de wandelingen door het vergier, omdat hij zich heugde
eigene droomen en droomzaligheden.... Tot plotseling....
--Zie, zie! riep Gwinebant.
Zij zagen allen op.... En zij zagen allen--zij zagen het!--door de
blauwe lucht, die zomerde boven de appelaren en tusschen de Romaansche
bogen groote ronde stukken azuur deed stralen, een Schaakbord zweven,
zwevende den burcht naderen, zwevende in het ronde dalen, een grooten,
schitterenden vogel gelijk, zweven toen boven s' Konings oude hoofd, dat
zich opwendde, opdat zijn ongeloovige oogen konden zien. Gawein was, met
een forschen kreet, opgestaan; achter de tafel stond Keye, openmonds,
handen in de zij en geloofde niet wat hij zag en terwijl de koningin en
hare vrouwen toe liepen en het vergier vulden met hare verbaasde kreten,
riepen de ridders, allen te zamen, zoo als een koor, dat goed de
zangmeester drilde:
--Een Wonder! Een Wonder! Een Scaec zweeft ten tweeden male aan!
Zoo de Koning en Gawein en de koninginne en Keye niet buiten zichzelven
waren geweest in liezen oogenblik van verwondering, zoû het hen zeker
getroffen hebben, dat de elf ridders zoo maatvol vol en rhythmiesch te
zamen en te gelijk hun koorzin zin hadden uitgeroepen en gescandeerd:
Bohort riep met zijn diepst basgeluid, Ywein stotterde niet, Acglovael
grinnikte maar even en Gwinebant klaterde het uit met zijn
nachtegaalstem. En de roep deed mooi aan, door de echo's der Ronde Zaal
herhaald, tot de klanken elkaâr als op een rijtje na liepen langs de
gepinghierde wanden; toen zwegen allen; wie was opgestaan zette zich en
terwijl de Koning de oude handen bevende hief, zweefde het Scaec met een
licht gesnor als van een zwaren hommel, maar véél lichter van geluid dan
Merlijns fenixvogel snorde, nog even in de lucht en zette zich toen vóor
Koning Artur.
Diens oude perkamenten gezicht was geheel opgeklaard en scheen
verjeugdigd van vreugde.
--Het Aventuur van het Scaec komt weêr! juichte de Koning met krakende
stem.
--Komt weêr! jubelde Gawein.
--Komt weêr! verwonderde zich Keye.
--Komt weêr! sopraanden de vrouwen er tusschen.
--Komt weêr! klonk, als de finale van een opera uit latere eeuwen, het
koor der elf ridderen.
En alles te zamen klonk het héel mooi.... Nu stond het Scaec van
tooverië voór den Koning en trots het zweven waren de gouden en zilveren
stukken niet verward of omver gevallen maar geschaard gebleven naar
behooren op de velden van agaath en chalcedoon. Wat was het een
schitterend schoon Schaakbord! De gouden stukken stonden voor den
Koning, uit hoffelijkheid zeker van den onzichtbaren tegenspeler en zij
waren cierlijk gedreven: zij vertoonden Koning Artur, koninginne
Guenever zelve, staande de figuurtjes ten voeten uit; de raadsheeren
waren ridders der Tafel-Ronde en ieder der twaalf kon zich wel, als hij
wilde, herkennen, zoo als de beide paarden, de steigerende gouden,
gelijken konden op de beroemde paarden van elk dier ridders, die allen
even beroemde paarden hadden, hoewel Gaweins ros, Gringolette, misschien
het allerberoemdste was, en de kasteelen waren zeer zeker getrouwe
gesmeed en gedreven naar den Burcht van Camelot. En hoe schoone
garsoenen en schildknapen waren niet de acht pionnen!
Terwijl de zilveren koning wel iets had van Koning Clarioen van
Noordhumberland....
Toen, opgestraald van geluk, deed oude Koning Artur een zet: hij zette
een der garsoenen vooruit....
Een onzichtbare hand speelde tegen.
Allen zagen toe....
En het scheen Gwinebant, dat hij de schimme-hand, die tegen speelde, zàg
en dat die hand geleek op de hand van Merlijn....