HOOFDSTUK II

Zij droegen, de tien Ronde-Tafelridders--even als Gawein, die, den

Koning gelijk, verlangt naar Aventure--en als Lancelot, die nooit naar

iets anders dan naar Guenever verlangt--mooie, sonore namen van

Keltischen klank. Bohort, dat was de reus met de basstem en Ywein, dat

was de tenorelijke stotteraar en naast hen wil ik roemen Acglovael en

Sagremort, Gwinebant en Galehot, Didoneel en Mordret, Hestor en

Meleagant. En als zij elkander eens riepen of noemden, deze ridders met

de sonore namen:

--Hei, Galehot! Ha, Gwinebant! Hoor bij Gode doch, Sagremort! Held

Acglovael! Welkom Meleagant en gij, valiante Hestor! Didoneel en

Mordret, dat u God moge eeren! Ywein gij en gij, Bohort, o wigant!

...dan weêrdaverden langs de wanden der burchtzalen, verlucht met de

tafereelen van dier ridders eigene heldendaden, de, niet minder dan de

Keltische, oer-oude adelsnamen, sonoor-klinkende echo's en was het of

lichte donderrommelingen elkander opvolgden onder de lage verwulfsels en

langs de plomp breede pijlers.

Maar er was nog een andere ridder, die nooit aan zat en die heette

alleen maar Keye. Keye... dat klonk niet sonoor tusschen de Keltisch

sonore klanken; Keye, dat klonk geniepig, venijnig; dat was tusschen het

dondergerommel als de steke van een wesp: Keye... Dààr, dààr heb je weêr

een onzachte prik: Keye... Zoo héél even maar: Keye... Meer niet dan een

muggesteek: Keye.... Welnu, toen de Koning, teerderlijk omhelsd

houdende Guenever en Lancelot en gevolgd door den degelijken Gawein,

zich verwijderde door het vergier, trad Keye van ter zijde op en gluurde

schuin spottend, met kwaden scherts, naar de edele vier. Hij loenschte

een weinig met één oog; hij hinkte een weinig met één been; zijn eene

arm was, o een weinig maar! korter dan de andere. Hij had de zoogbroeder

kunnen zijn van den Koning maar hij was het niet want zijne moeder had

hem gespeend om Koning Artur te zoogen. Hij was echter tot drossaet

benoemd en liep steeds met zijn sleutelbos aan zijn gordel. En was Artur

een majesteitelijke Koning geworden, Keye, zonder ooit één heldendaad,

zonder Aventure en zonder liefde, was geworden als een booze dwerg, als

een nijdige gnoom en hij spotte, hij spotte altijd.

Zoo als hij ook nu spotte, achter de edele vier, knikkende met zijn

grauw ruigen gnome-baardkop.

--Schouwt eens wat eensgezinde familie! God geve hun eere, o ridderen!

Wie zijn die?? Vader met dochterlijn en schoonzoon, dacht mij??

Schildknaap er achter? O neen: het is, bij alle Engelen van den Trone,

de wigantenrug van Gawein, die allerdapperste, ook voor de vrouwkens!!

En het is, tusschen Guenevers vrouwruggetje en Lancelots mannerug, de

roode mantelrug van onzen Koning! Ik herken niet zoo goed ruggen als gij

zekerlijk wel doet, valiante ridderen, gij allen, op uwe beurt,

allerdapperste, die steeds ruggen voor u uit zaagt vlieden!

En Keye lachte grinnikend en de ridders, nog na geeuwende en rekkende,

zagen hem norsch van ter zijde aan.

Toen nam oude Keye twee ballen en speelde met zichzelven bal in het

vergier en hinkende was hij lenig en loensch miste hij niet één van de

twee, die hij beurtelings, en onder zijn arm door, op ving.

--Op een goeden dag, zoo helpe God, nek ik hem nog, zeide Bohort. Zoo,

tusschen mijn vuisten: krkk!

En Bohort, met zijn reuzenvuisten, gebaarde of hij eene kele omspande en

wurgde.

De tien ridders traden loomelijk de zaalpoort uit. Zij kwamen op het

opene burchtplein en zetteden zich op de ronde bank, die stond onder een

breedkruinigen kastanjelaar, vol van opgestokene bloesemkeersen. Zij

zetten zich allen ter neêr, de machtige beenen wijd, met nu en dan nog

eens een geeuw.

--Bi caritate, het wordt wel van groote noye tot Camelot! meende Galehot

en gaapte: tien jaar geleden had hij drie draken verslagen en twee

jonkvrouwen bevrijd uit betooverde kasteelen, maar als hij niet gaapte,

glimlachte hij steeds gracielijk als men van de jonkvrouwen en draken

sprak.

--Smacht gij, Galehot, naar uw vierden drake? vroeg Gwinebant, jongste

en schoonste van allen, neef der koninginne en zoo blond als zij: hij

had, heél jong nog, achttien jaren, met Sagremort en Acglovael Lancelot

eens verlost uit het Dal van den Dollen Dans, waar wie was binnen

gedanst, bleef dansen tot hij dood viel.

--Neen ik! zeide Galehot. Bij Sint Jan, dat niet, Gwinebant. Een draak

dooden, onder ons gezegd, is niet zoo roemrijk fayt van wapenen.

--Het gebeest spuwt tòch vier, God weet!? weifelde Sagremort, brauw

gefronst.

--De reus, Sagremort, zei Galehot; dien gij te eenen werf hebt

verslagen, was zekerlijk geweldiger tegenstander dan mijn drie draken

waren.

--Bij den goeden dage! beäamde, klein maar dapper, Meleagant, die ook

wel een paar draken gedood had. Galehot heeft wèl recht!

--Ik, zeide modestelijk Hestor; heb alleen en zonder bijstand tien

keytieve ridderen den een na den ander in den zande doen bijten, eenige

geschaakte damoselen bevrijd maar een draak en heb ik nie vernomen!

--Een drake is met één prikke te pointe in zijn buik al doodelijk

gewond, kleineerde Galehot.

--Spuwt het gebeeste vlamende vier ofte en spuwt het dat niet? vroeg,

brauwen gefronst, Sagremort. Dat is de vrage!

Galehot hief de breede schouderen hoog.

--Wen gij er tegen spuwt, schroeit zijn aâm zelfs niet! Dat is

alleenlijk wat sulferachtig geblaas, dat stinkt.

Hierom schaterlachte Acglovael want hij schaterlachte veel, ook als het

niet van pas kwam, en lachende nog, hoewel het onderwerp des gespreks

heel ernstig was, zeide hij:

--Gij konst toch verstikken wen een drake blies en de luchte om u

bedierf?

--Of het geheele foreest konde in barning geraken! verzekerde boos

Didoneel. Alzoo helpe mij Sint Michiel!

--Of dat konde gaan aardbeven en tempeesten daarbij als het monster uit

zijn spelonk kwam, beweerde ontstemd Mordret: Mordret en Didoneel, die

wel draken hadden bekampt maar nooit ééne damosele bevrijd, vonden het

voor hunne twijfelachtige glorieuzigheid niet aangenaam, dat Galehot

zijn eigen heldendaden zoo verkleineerde....

Maar Galehot bleef de schouders halen.

--Ik herhaal, zeide hij; éene prik te pointe in zijne weeken buik en....

Is een drake eigenlijk wel een drake, Sagremort? Mijn draken en waren

niet meer dan lezarden maar gevlerkt en zoó schadelijk niet!

--De onze waren draken! verdedigde zich Mordet.

En Dioneel zeide somber:

--En maakten wel degelijk groot dangier.

--Even veel dangier als die damoselen, die gij bevrijddet! riep Keye,

knikkerende nu met de ballen.

--Gij zegt wel, Galehot! meende Sagremort en ontfronste de brauwen. Een

draak bestond--misschien?--even min als een reus! Was de reus, dien ik

velde, wel een reus? Of was hij niet dan vileinig ribaud, die een paar

voet hooger was gewassen dan ik??

--Dddd...aar zijn wij het immm...ers al lll...àng over eens, kwam Ywein

aan; dat reuzen ende ddd...raken niet en bb...estaan.

--En Wonder even min, zoo helpe mij Sinte Mariëns Kind! bevestigde

Bohort wat ruw. Wat wij deden, was kinderespel. Wij telden niet meer dan

twintig vroegzomeren, toen wij die aventuren volbrachten en groot jolijt

dreven wen wij er een ridderlijk meende te hebben doorgemaakt maar

eigenlijk was het mallen....

--Met onszelven, viel Galehot in.

--En van alle mijne wonden, ging Bohort voort; heb ik zelfs geen

lijkteeken over omdat ik in den Yvoren Bedde werd verpleegd, waar alle

wonden in één nacht genezen.

Keye's spotlach grinnikte, oud, slecht en venijnig.

--En dus is dat Yvoren Bedde, waar alle wonden genezen, geen tooverbed?

O, Bohort, gij werkelijke reus, je kop is groot als Goliaths maar je

verstande is dorperlijk klein, wees des gewes, man!

--Ik ben die gone, die je om je kwade lachter nog eene werve verderven

zal, heer Keye! dreigde Bohort en liep met beide vuisten open op Keye

toe.

Maar Keye gebaarde of hevige vrees hem beving; hij veinsde te vluchten

achter een boomstam, hoe oud hij ook was, vlug hinkende en riep:

--O, wat felle liebaert! O, wat vreeslijke lioen is los gelaten in dit

vreêzaam vergier! Helpt mij, helpt mij, gij alle Heiligen van Paradise!

Een naderend gesnor snorkte aan door het blauwe geluchte.

--Dat is Merlijn! Dat is Merlijn! riepen door malkanderen de ridders met

groot misbaar en Ywein riep:

--Ddd...dat is Merlijn!!

Acglovael schaterde, niet omdat Ywein stotterde, maar omdat hij wel heel

veel schaterde en van pleizier....

En de ridders wezen malkanderen, nog in de verte, een wijd vliegenden

vogel, die aanvloog, windesnel.

--Op zijn fenix, die ook geen Wonder is! grijnsde Keye den ridders toe.

Maar die geene van gondere wiganten verstaat!

De ridders staarden verrukt omhoog. In der daad, daar zweefde een blauwe

fenix aan, maar zijn vlucht verwekte vreemd rhythmisch geruisch en er

snorde en snorkte iets geheimzinnigs in hem. Zijn smalle nek droeg een

fantastischen vogelkop met pluimen en al zijn geveêrte geleek wel

juweel, zoo schitterde en schakeerde het pauwachtig om hals en oogen,

heel groot en de wijde wieken, waarop hij in cirkel dreef boven den

burcht, schenen wel van blauwe zijde gestrekt. Het was de toovervogel

van Merlijn, den toovenaar en Merlijn zelve bereed hem en zat in het

gouden geveêrte van den hollen rug en richtte hem en wendde hem naar

believen, tot het zwevende tooverdier met zwierige drijfvlucht in den

ronde neêrdaalde in het vergier, op leêg grasplein en toen, trillende,

stille stond.

Merlijn steeg af en naderde hoofsch groetend de ridders. Hij was van

Arturs en Keye's leeftijd, maar omdat hij elken morgen baadde in zijne

fonteine der Jouvence, zag hij er jonger uit dan alle die ridders en

geleek meer een ondeugende jongeling met een baard.

--God van Hemelrijk geve u eere! riep hij luid, terwijl hij, pralende in

gracielijke samaar van rood sindaal, zijn lokken zwart, zijne brauwen

gelijk schorpioentjes opstekende hun scherpe tangetjes en zijn cierlijke

baardje geknipt met felle punt, over het grasplein naderkwam. Ik ben

gekomen om mijn Koning eere te doen, maar is hof dan al gehouden, dat ik

u allen hier aantref in lediglijk vertier en lentegepeise?

--Wij spreken, zeide Sagremort en fronste de brauwen, wat hij steeds

deed als hij twijfelde; of wonderen, reuzen, draken en heldenfayten

bestaan, Merlijn!

--Het Scepticisme heeft jullie in de klauwen, o Sagremort! waarschuwde

Merlijn.

--Het wie? Het wat?? vroeg Acglovael schaterlachende.

--Des Duivels zone, zeide Merlijn. Als jullie vertwijfelen aan jezelf,

gaan jullie stappans na den doode Hellewaart!

--Maar Mordret en Didoneel twijfelen niet, o Merlijn! grinnikte Keye,

van achter een dikken boomstam. En zullen toch niet ten Hemel gaan!

Didoneel en Mordret hoorden hem niet; zij waren te zamen in geheimvol

fluistergesprek. Waarover? Dat wil ik u nog niet zeggen....

--Ik twijfel niet heelemaal, zei Sagremort; maar ik weifel veel,

Merlijn. Zeg mij, Merlijn, is je vliegende vogel werkelijk een vogel van

tooverië? En al die schoone beziensweerdigheden in je burcht, is dat

tooverië? En magië? Als gij met een van zelven snellenden wagen over den

gladden wege vaart, is dat werkelijk dan magië?

--Het is alles magië en tooverië, Sagremort! verzekerde Merlijn. Zoo

goed als de Wonderboom, dien ik der koninginne gemaakt heb en op welks

gulden twijgkens duizend vogelkens kwinkeleeren, en het Yvoren Bedde,

dat ik ook maakte en waarin uw aller wonden genezen.... Het is alles

tooverië, Sagremort!

Keye, om den azuur gewiekten fenixvogel, die stond op het grasplein,

hinkte, oplettende, en telkens luid lachende rond om het enghien.

--Tooverië! riep Keye. Tooverië! Staal is de vogel en zijde, juweel is

zijn kop en zijne oogen zijn diamant en hij snort en snorkt als hij

oprijst, wen Merlijn hem drijft het geluchte in! Hij snort en snorkt

door tooverië! En wie er aan twijfelt, gaat Hellewaart!

--Merlijn! vroeg Bohort. Waarom sinds tien jaren en meer, kondde geen

Aventuur zich aan?

--Is het omdat wij twijfelen? Omdat wij weifelen met Sagremort? Omdat

wij geen lijkteeken overhielden van alle onze verledene wonden?? drongen

om Merlijn de ridders.

--Wacharme! Mocht wederomme Aventuur zich melden, om ons van dit gepeize

te redden!

--Om ons te redden van deze vernoye!

--Ook al geloofden wij niet aan den Aventure! zoo riepen om beurten

Sagremort en Acglovael, Hestor en Meleagant, Galehot en Ywein en Bohort.

Maar Gwinebant, de schoone knape, der koninginne neef, riep niet mede

maar hield Mordret en Didoneel in het oog, wat of die toch smoezelden

zoo met elkaar.

--Hoort! fluisterde tot de ridders Merlijn heel Zacht--om Keye, die

steeds nieuwsgierig, rondom den fenix, hinkte. Ik kan met magië wel een

Aventuur bereiden of liever een Aventuur herhalen zich doen, omdat

eigenlijk alles in dit leven zich herhaalt maar telkens anders en dat

noemen wij evolutië....

--Welk Aventuur?? drongen de ridders rondom Merlijn.

--Eén, fluisterde Merlijn geheimzinner, vinger omhoog; dat alléén Gawein

volbrengen kan en herhalen, omdat hij gelooft en smacht!

--Hij was nooit trouw aan zijn vrouw! zei Galehot; maar trouw bleef hij

aan Wonderwet!

--Hij beminde vele vrouwen, fluisterden de ridderen onder elkaâr; maar

boven haar allen: Het Aventuur!

--Gawein zal het Wonder en Aventuur dan gebeuren! fluisterde Merlijn.

Gawein zal het zich konden. Wat het zal zijn? Ik denk: een Zwevende

Scaec, als het de laatste male reeds was. Komt, lieve vrienden, deze

nacht in mijn burcht, om ons te beraden!

De ridders beloofden het, blij om de samenzwering. Zij beloofden

malkanderen op handslag geheim te houden, dat Merlijn het te gebeuren

Aventuur zoû bereiden.

Keye, met zijn bos sleutels, hinkte weg, om bevel voor het noenmaal te

geven en Merlijn riep tot Mordret en Didoneel:

--Didoneel en Mordret, komt gij ook in mijn burcht deez' nacht?

--Wij zullen komen, Merlijn!! stemden haastig de twee ridders toe,

opschrikkend uit heimelijk tweegesprek.

--En gij, Gwinebant? vroeg Merlijn.

Gwinebant was jonger dan de anderen: over de schouderen was hij breed,

den neus had hij schoon en recht, voorhoofd breed en glad, oogen grauw

en wenkbrauwen bruin, haar had hij krisp en blond, hals sneeuwwit en

rond, zijne lieren bloeiden als rozen, een kuiltje lachte in zijn kin,

om het middel was hij smal: zoo was hij volmaakt naar alle leden.

Hij beloofde Merlijn te komen maar zijn peinzen was noch bij het

aanstaand Aventuur noch bij Didoneel en Mordret, want hij minde een

verre jonkvrouw....

En als hij, zoo als nu, de koninginne, zijne moei, zag dwalen door het

vergier, immer met Lancelot, dien zij minde en wien zij trouw was als

hij haar, zuchtte Gwinebant van onvoldaan verlangen, vooral als hare

wijle woei op den wind en zij zekerlijk malkanderen kusten, onder de

stuivende appelebloesems....

En dan dacht hij aan de jonkvrouw, die hij minde, aan Ysabele, de

schoone, princesse van Endi en Koning Assentijns kleindochter...

Ysabele, die hij niet wist hoe te winnen omdat hij te schuchter was, al

was hij neve van koninginne Guenever....

--Gwinebant, welschoone knape, dien ik krank van minne raad, wilt gij

Lancelot, dien ik niet storen wil, nu dat de koninginne en hij met

malkanderen drijven zoo amoreuselijk dat groote solaes, die zoete

melodië in het appelbloesemend vergier, kond doen, dat ik ook hem beid

in mijn burcht, deez' nacht, om te beraden van nieuwe dingen?

Gwinebant beloofde het.

--Ja, ik Merlijn....

En zuchtte diep want smachtte, naar Ysabele....

Het zwevende schaakbord · 第 7 / 44 题