Zij droegen, de tien Ronde-Tafelridders--even als Gawein, die, den
Koning gelijk, verlangt naar Aventure--en als Lancelot, die nooit naar
iets anders dan naar Guenever verlangt--mooie, sonore namen van
Keltischen klank. Bohort, dat was de reus met de basstem en Ywein, dat
was de tenorelijke stotteraar en naast hen wil ik roemen Acglovael en
Sagremort, Gwinebant en Galehot, Didoneel en Mordret, Hestor en
Meleagant. En als zij elkander eens riepen of noemden, deze ridders met
de sonore namen:
--Hei, Galehot! Ha, Gwinebant! Hoor bij Gode doch, Sagremort! Held
Acglovael! Welkom Meleagant en gij, valiante Hestor! Didoneel en
Mordret, dat u God moge eeren! Ywein gij en gij, Bohort, o wigant!
...dan weêrdaverden langs de wanden der burchtzalen, verlucht met de
tafereelen van dier ridders eigene heldendaden, de, niet minder dan de
Keltische, oer-oude adelsnamen, sonoor-klinkende echo's en was het of
lichte donderrommelingen elkander opvolgden onder de lage verwulfsels en
langs de plomp breede pijlers.
Maar er was nog een andere ridder, die nooit aan zat en die heette
alleen maar Keye. Keye... dat klonk niet sonoor tusschen de Keltisch
sonore klanken; Keye, dat klonk geniepig, venijnig; dat was tusschen het
dondergerommel als de steke van een wesp: Keye... Dààr, dààr heb je weêr
een onzachte prik: Keye... Zoo héél even maar: Keye... Meer niet dan een
muggesteek: Keye.... Welnu, toen de Koning, teerderlijk omhelsd
houdende Guenever en Lancelot en gevolgd door den degelijken Gawein,
zich verwijderde door het vergier, trad Keye van ter zijde op en gluurde
schuin spottend, met kwaden scherts, naar de edele vier. Hij loenschte
een weinig met één oog; hij hinkte een weinig met één been; zijn eene
arm was, o een weinig maar! korter dan de andere. Hij had de zoogbroeder
kunnen zijn van den Koning maar hij was het niet want zijne moeder had
hem gespeend om Koning Artur te zoogen. Hij was echter tot drossaet
benoemd en liep steeds met zijn sleutelbos aan zijn gordel. En was Artur
een majesteitelijke Koning geworden, Keye, zonder ooit één heldendaad,
zonder Aventure en zonder liefde, was geworden als een booze dwerg, als
een nijdige gnoom en hij spotte, hij spotte altijd.
Zoo als hij ook nu spotte, achter de edele vier, knikkende met zijn
grauw ruigen gnome-baardkop.
--Schouwt eens wat eensgezinde familie! God geve hun eere, o ridderen!
Wie zijn die?? Vader met dochterlijn en schoonzoon, dacht mij??
Schildknaap er achter? O neen: het is, bij alle Engelen van den Trone,
de wigantenrug van Gawein, die allerdapperste, ook voor de vrouwkens!!
En het is, tusschen Guenevers vrouwruggetje en Lancelots mannerug, de
roode mantelrug van onzen Koning! Ik herken niet zoo goed ruggen als gij
zekerlijk wel doet, valiante ridderen, gij allen, op uwe beurt,
allerdapperste, die steeds ruggen voor u uit zaagt vlieden!
En Keye lachte grinnikend en de ridders, nog na geeuwende en rekkende,
zagen hem norsch van ter zijde aan.
Toen nam oude Keye twee ballen en speelde met zichzelven bal in het
vergier en hinkende was hij lenig en loensch miste hij niet één van de
twee, die hij beurtelings, en onder zijn arm door, op ving.
--Op een goeden dag, zoo helpe God, nek ik hem nog, zeide Bohort. Zoo,
tusschen mijn vuisten: krkk!
En Bohort, met zijn reuzenvuisten, gebaarde of hij eene kele omspande en
wurgde.
De tien ridders traden loomelijk de zaalpoort uit. Zij kwamen op het
opene burchtplein en zetteden zich op de ronde bank, die stond onder een
breedkruinigen kastanjelaar, vol van opgestokene bloesemkeersen. Zij
zetten zich allen ter neêr, de machtige beenen wijd, met nu en dan nog
eens een geeuw.
--Bi caritate, het wordt wel van groote noye tot Camelot! meende Galehot
en gaapte: tien jaar geleden had hij drie draken verslagen en twee
jonkvrouwen bevrijd uit betooverde kasteelen, maar als hij niet gaapte,
glimlachte hij steeds gracielijk als men van de jonkvrouwen en draken
sprak.
--Smacht gij, Galehot, naar uw vierden drake? vroeg Gwinebant, jongste
en schoonste van allen, neef der koninginne en zoo blond als zij: hij
had, heél jong nog, achttien jaren, met Sagremort en Acglovael Lancelot
eens verlost uit het Dal van den Dollen Dans, waar wie was binnen
gedanst, bleef dansen tot hij dood viel.
--Neen ik! zeide Galehot. Bij Sint Jan, dat niet, Gwinebant. Een draak
dooden, onder ons gezegd, is niet zoo roemrijk fayt van wapenen.
--Het gebeest spuwt tòch vier, God weet!? weifelde Sagremort, brauw
gefronst.
--De reus, Sagremort, zei Galehot; dien gij te eenen werf hebt
verslagen, was zekerlijk geweldiger tegenstander dan mijn drie draken
waren.
--Bij den goeden dage! beäamde, klein maar dapper, Meleagant, die ook
wel een paar draken gedood had. Galehot heeft wèl recht!
--Ik, zeide modestelijk Hestor; heb alleen en zonder bijstand tien
keytieve ridderen den een na den ander in den zande doen bijten, eenige
geschaakte damoselen bevrijd maar een draak en heb ik nie vernomen!
--Een drake is met één prikke te pointe in zijn buik al doodelijk
gewond, kleineerde Galehot.
--Spuwt het gebeeste vlamende vier ofte en spuwt het dat niet? vroeg,
brauwen gefronst, Sagremort. Dat is de vrage!
Galehot hief de breede schouderen hoog.
--Wen gij er tegen spuwt, schroeit zijn aâm zelfs niet! Dat is
alleenlijk wat sulferachtig geblaas, dat stinkt.
Hierom schaterlachte Acglovael want hij schaterlachte veel, ook als het
niet van pas kwam, en lachende nog, hoewel het onderwerp des gespreks
heel ernstig was, zeide hij:
--Gij konst toch verstikken wen een drake blies en de luchte om u
bedierf?
--Of het geheele foreest konde in barning geraken! verzekerde boos
Didoneel. Alzoo helpe mij Sint Michiel!
--Of dat konde gaan aardbeven en tempeesten daarbij als het monster uit
zijn spelonk kwam, beweerde ontstemd Mordret: Mordret en Didoneel, die
wel draken hadden bekampt maar nooit ééne damosele bevrijd, vonden het
voor hunne twijfelachtige glorieuzigheid niet aangenaam, dat Galehot
zijn eigen heldendaden zoo verkleineerde....
Maar Galehot bleef de schouders halen.
--Ik herhaal, zeide hij; éene prik te pointe in zijne weeken buik en....
Is een drake eigenlijk wel een drake, Sagremort? Mijn draken en waren
niet meer dan lezarden maar gevlerkt en zoó schadelijk niet!
--De onze waren draken! verdedigde zich Mordet.
En Dioneel zeide somber:
--En maakten wel degelijk groot dangier.
--Even veel dangier als die damoselen, die gij bevrijddet! riep Keye,
knikkerende nu met de ballen.
--Gij zegt wel, Galehot! meende Sagremort en ontfronste de brauwen. Een
draak bestond--misschien?--even min als een reus! Was de reus, dien ik
velde, wel een reus? Of was hij niet dan vileinig ribaud, die een paar
voet hooger was gewassen dan ik??
--Dddd...aar zijn wij het immm...ers al lll...àng over eens, kwam Ywein
aan; dat reuzen ende ddd...raken niet en bb...estaan.
--En Wonder even min, zoo helpe mij Sinte Mariëns Kind! bevestigde
Bohort wat ruw. Wat wij deden, was kinderespel. Wij telden niet meer dan
twintig vroegzomeren, toen wij die aventuren volbrachten en groot jolijt
dreven wen wij er een ridderlijk meende te hebben doorgemaakt maar
eigenlijk was het mallen....
--Met onszelven, viel Galehot in.
--En van alle mijne wonden, ging Bohort voort; heb ik zelfs geen
lijkteeken over omdat ik in den Yvoren Bedde werd verpleegd, waar alle
wonden in één nacht genezen.
Keye's spotlach grinnikte, oud, slecht en venijnig.
--En dus is dat Yvoren Bedde, waar alle wonden genezen, geen tooverbed?
O, Bohort, gij werkelijke reus, je kop is groot als Goliaths maar je
verstande is dorperlijk klein, wees des gewes, man!
--Ik ben die gone, die je om je kwade lachter nog eene werve verderven
zal, heer Keye! dreigde Bohort en liep met beide vuisten open op Keye
toe.
Maar Keye gebaarde of hevige vrees hem beving; hij veinsde te vluchten
achter een boomstam, hoe oud hij ook was, vlug hinkende en riep:
--O, wat felle liebaert! O, wat vreeslijke lioen is los gelaten in dit
vreêzaam vergier! Helpt mij, helpt mij, gij alle Heiligen van Paradise!
Een naderend gesnor snorkte aan door het blauwe geluchte.
--Dat is Merlijn! Dat is Merlijn! riepen door malkanderen de ridders met
groot misbaar en Ywein riep:
--Ddd...dat is Merlijn!!
Acglovael schaterde, niet omdat Ywein stotterde, maar omdat hij wel heel
veel schaterde en van pleizier....
En de ridders wezen malkanderen, nog in de verte, een wijd vliegenden
vogel, die aanvloog, windesnel.
--Op zijn fenix, die ook geen Wonder is! grijnsde Keye den ridders toe.
Maar die geene van gondere wiganten verstaat!
De ridders staarden verrukt omhoog. In der daad, daar zweefde een blauwe
fenix aan, maar zijn vlucht verwekte vreemd rhythmisch geruisch en er
snorde en snorkte iets geheimzinnigs in hem. Zijn smalle nek droeg een
fantastischen vogelkop met pluimen en al zijn geveêrte geleek wel
juweel, zoo schitterde en schakeerde het pauwachtig om hals en oogen,
heel groot en de wijde wieken, waarop hij in cirkel dreef boven den
burcht, schenen wel van blauwe zijde gestrekt. Het was de toovervogel
van Merlijn, den toovenaar en Merlijn zelve bereed hem en zat in het
gouden geveêrte van den hollen rug en richtte hem en wendde hem naar
believen, tot het zwevende tooverdier met zwierige drijfvlucht in den
ronde neêrdaalde in het vergier, op leêg grasplein en toen, trillende,
stille stond.
Merlijn steeg af en naderde hoofsch groetend de ridders. Hij was van
Arturs en Keye's leeftijd, maar omdat hij elken morgen baadde in zijne
fonteine der Jouvence, zag hij er jonger uit dan alle die ridders en
geleek meer een ondeugende jongeling met een baard.
--God van Hemelrijk geve u eere! riep hij luid, terwijl hij, pralende in
gracielijke samaar van rood sindaal, zijn lokken zwart, zijne brauwen
gelijk schorpioentjes opstekende hun scherpe tangetjes en zijn cierlijke
baardje geknipt met felle punt, over het grasplein naderkwam. Ik ben
gekomen om mijn Koning eere te doen, maar is hof dan al gehouden, dat ik
u allen hier aantref in lediglijk vertier en lentegepeise?
--Wij spreken, zeide Sagremort en fronste de brauwen, wat hij steeds
deed als hij twijfelde; of wonderen, reuzen, draken en heldenfayten
bestaan, Merlijn!
--Het Scepticisme heeft jullie in de klauwen, o Sagremort! waarschuwde
Merlijn.
--Het wie? Het wat?? vroeg Acglovael schaterlachende.
--Des Duivels zone, zeide Merlijn. Als jullie vertwijfelen aan jezelf,
gaan jullie stappans na den doode Hellewaart!
--Maar Mordret en Didoneel twijfelen niet, o Merlijn! grinnikte Keye,
van achter een dikken boomstam. En zullen toch niet ten Hemel gaan!
Didoneel en Mordret hoorden hem niet; zij waren te zamen in geheimvol
fluistergesprek. Waarover? Dat wil ik u nog niet zeggen....
--Ik twijfel niet heelemaal, zei Sagremort; maar ik weifel veel,
Merlijn. Zeg mij, Merlijn, is je vliegende vogel werkelijk een vogel van
tooverië? En al die schoone beziensweerdigheden in je burcht, is dat
tooverië? En magië? Als gij met een van zelven snellenden wagen over den
gladden wege vaart, is dat werkelijk dan magië?
--Het is alles magië en tooverië, Sagremort! verzekerde Merlijn. Zoo
goed als de Wonderboom, dien ik der koninginne gemaakt heb en op welks
gulden twijgkens duizend vogelkens kwinkeleeren, en het Yvoren Bedde,
dat ik ook maakte en waarin uw aller wonden genezen.... Het is alles
tooverië, Sagremort!
Keye, om den azuur gewiekten fenixvogel, die stond op het grasplein,
hinkte, oplettende, en telkens luid lachende rond om het enghien.
--Tooverië! riep Keye. Tooverië! Staal is de vogel en zijde, juweel is
zijn kop en zijne oogen zijn diamant en hij snort en snorkt als hij
oprijst, wen Merlijn hem drijft het geluchte in! Hij snort en snorkt
door tooverië! En wie er aan twijfelt, gaat Hellewaart!
--Merlijn! vroeg Bohort. Waarom sinds tien jaren en meer, kondde geen
Aventuur zich aan?
--Is het omdat wij twijfelen? Omdat wij weifelen met Sagremort? Omdat
wij geen lijkteeken overhielden van alle onze verledene wonden?? drongen
om Merlijn de ridders.
--Wacharme! Mocht wederomme Aventuur zich melden, om ons van dit gepeize
te redden!
--Om ons te redden van deze vernoye!
--Ook al geloofden wij niet aan den Aventure! zoo riepen om beurten
Sagremort en Acglovael, Hestor en Meleagant, Galehot en Ywein en Bohort.
Maar Gwinebant, de schoone knape, der koninginne neef, riep niet mede
maar hield Mordret en Didoneel in het oog, wat of die toch smoezelden
zoo met elkaar.
--Hoort! fluisterde tot de ridders Merlijn heel Zacht--om Keye, die
steeds nieuwsgierig, rondom den fenix, hinkte. Ik kan met magië wel een
Aventuur bereiden of liever een Aventuur herhalen zich doen, omdat
eigenlijk alles in dit leven zich herhaalt maar telkens anders en dat
noemen wij evolutië....
--Welk Aventuur?? drongen de ridders rondom Merlijn.
--Eén, fluisterde Merlijn geheimzinner, vinger omhoog; dat alléén Gawein
volbrengen kan en herhalen, omdat hij gelooft en smacht!
--Hij was nooit trouw aan zijn vrouw! zei Galehot; maar trouw bleef hij
aan Wonderwet!
--Hij beminde vele vrouwen, fluisterden de ridderen onder elkaâr; maar
boven haar allen: Het Aventuur!
--Gawein zal het Wonder en Aventuur dan gebeuren! fluisterde Merlijn.
Gawein zal het zich konden. Wat het zal zijn? Ik denk: een Zwevende
Scaec, als het de laatste male reeds was. Komt, lieve vrienden, deze
nacht in mijn burcht, om ons te beraden!
De ridders beloofden het, blij om de samenzwering. Zij beloofden
malkanderen op handslag geheim te houden, dat Merlijn het te gebeuren
Aventuur zoû bereiden.
Keye, met zijn bos sleutels, hinkte weg, om bevel voor het noenmaal te
geven en Merlijn riep tot Mordret en Didoneel:
--Didoneel en Mordret, komt gij ook in mijn burcht deez' nacht?
--Wij zullen komen, Merlijn!! stemden haastig de twee ridders toe,
opschrikkend uit heimelijk tweegesprek.
--En gij, Gwinebant? vroeg Merlijn.
Gwinebant was jonger dan de anderen: over de schouderen was hij breed,
den neus had hij schoon en recht, voorhoofd breed en glad, oogen grauw
en wenkbrauwen bruin, haar had hij krisp en blond, hals sneeuwwit en
rond, zijne lieren bloeiden als rozen, een kuiltje lachte in zijn kin,
om het middel was hij smal: zoo was hij volmaakt naar alle leden.
Hij beloofde Merlijn te komen maar zijn peinzen was noch bij het
aanstaand Aventuur noch bij Didoneel en Mordret, want hij minde een
verre jonkvrouw....
En als hij, zoo als nu, de koninginne, zijne moei, zag dwalen door het
vergier, immer met Lancelot, dien zij minde en wien zij trouw was als
hij haar, zuchtte Gwinebant van onvoldaan verlangen, vooral als hare
wijle woei op den wind en zij zekerlijk malkanderen kusten, onder de
stuivende appelebloesems....
En dan dacht hij aan de jonkvrouw, die hij minde, aan Ysabele, de
schoone, princesse van Endi en Koning Assentijns kleindochter...
Ysabele, die hij niet wist hoe te winnen omdat hij te schuchter was, al
was hij neve van koninginne Guenever....
--Gwinebant, welschoone knape, dien ik krank van minne raad, wilt gij
Lancelot, dien ik niet storen wil, nu dat de koninginne en hij met
malkanderen drijven zoo amoreuselijk dat groote solaes, die zoete
melodië in het appelbloesemend vergier, kond doen, dat ik ook hem beid
in mijn burcht, deez' nacht, om te beraden van nieuwe dingen?
Gwinebant beloofde het.
--Ja, ik Merlijn....
En zuchtte diep want smachtte, naar Ysabele....