ELFDE TOONEEL.

_ANZELMUS, EELHART, FILIPYN. IZABEL, en KATRYN op ’t bed._

ANZELMUS. ’k Merk dat dit voorval u verwonderd maakt mynheer.

Ik bid u, zet myn neefs oploopendheid wat neêr.

EEL. Dat zal ik doen. Ik denk hem maar gelyk te geeven:

Want anders heeft men hier te nacht een schrikk’lyk leeven.

AN. Dan zal die dokter op u raazen als ontzind.

FI. Ja, of hy raast of niet, wy achten dat voor wind.

AN. ’k Merk dat myn heer mede in de wiskunst gestudeerd heeft.

EEL. ’k Weet iets, door iemant die al lang met my verkeerd heeft:

Maar ’k ben een Rechtsgeleerde. AN. Hoe zyt ge een advokaat?

’k Zie u ter goeder uur, myn heer, ’k bid geef my raad

In zek’re zwaarigheid, die me over is gekoomen.

FI. Daar komt hy by den droes te biegt, wie zou dat droomen?

EEL. ’k Wil u wel dienen in die zaak zo goed ik kan;

Maar onderrecht my wel. AN. Ik ben een edelman,

Woonachtig te Utrecht, uit een braaf geslacht gesproten,

Ik ben zo edel als de aanzienelijkste grooten,

Ik heb geen kind’ren; maar ’k ben voogd van zek’re nicht,

Die t’ eenemaal ontaard van haaren stam en plicht,

Zich zelve te Amsterdam aan iemand dorst verbinden,

Eer dat zy wist of ik die zaak ook goed zou vinden.

Toen ik dat merkte, gaf ik aan haar te verstaan,

Dat zy terstond zich van dien minnaar moest ontslaan,

En aanstonds met myn neef in ’t huwelyk begeeven;

’t Welk zy zo obstinaat en fors dorst tegenstreeven,

Dat ik haar opsloot; maar zy is my juist ontvlucht,

Benevens onze meid, ’k ben op ’t hoogst beducht,

Dat zy reets te Amsterdam zal by haar minnaar weezen.

Nu is de vraag, myn heer, of ik iets heb te vreezen,

Zo ik haar minnaar, als zy zich by hem onthoudt,

Gelyk een schaaker mogte aanklaagen by den schout?

EEL. Hebt gy bewys dat hy de schaaker van uw nicht is?

Wat is ’t voor een? AN. Men zegt dat hy al vry wat licht is,

Ik heb hem nooit gezien. EEL. Myn heer, dat dunkt my slecht.

’t Kon licht’lyk zyn dat gy niet wel waar onderrecht.

AN. Hy’s te Amsterdam bekend byna in alle kroegen;

Hy is genegen by lichtmissen zich te voegen;

Hy dobbelt, en hy schikt de winkels op, myn heer;

Hy zuipt zich vol, en vraagt naar schaamte noch naar eer,

EEL. Is daar bewys van, heer? AN. Hoe? zou ik iets bewyzen,

Dat al de waerelt zegt? FI. „Je hoort je daar braaf pryzen.

EEL. Als gy getuigen hebt, myn heer, van ’t geen gy zegt,

Zal ik die zaak voor u bepleiten voor ’t gerecht:

Maar, ’k vindt één zwaarigheid, die alles om kon stooten:

Dat’s, dat gy met geweld uw nicht hebt opgesloten;

Zulks neemt den rechter voor een soort van dwinglandy,

In deeze landen leeft een ieder vrank en vry.

Een voogd mag van zyn huis in ’t minst geen kerker maaken.

AN. Dus kan een juffer, als zy wil, zich laaten schaaken!

EEL. De straf volgt eerst, wanneer de misdaad is begaan;

Men kan den schaaker en haar dan in boeijens slaan,

Hoewel niet anders als met kennis van de heeren

Der stad, alwaar een voogd het paar mochte attrapeeren

Dan onderzoekt men of ’t is met haar wil geschied;

Indien ’t zo is, men neemt de zaak zo zwaar dan niet,

Men laat gemeenelyk de jonge luidjes trouwen;

Dan kan een voogd haar niet wel van malkander houwen.

AN. ’t Is nochtans menigmaal in tegendeel gegaan.

EEL. ’t Is waar, een voogd kan zulks met reden tegenstaan,

Zo zyn Pupil niet is gekomen tot haar jaaren,

Of zo hy voor ’t gerecht bewyst, en kan verklaaren

Als dat haar minnaar zich niet wel gedraagen heeft.

Zo gy het zeker weet, dat uw party zo leeft,

En gy uw nicht by hem in Amsterdam mogt vinden;

’k Neem aan om deezen knoop geheel en al te ontwinden.

AN. Myn heer ik dank u voor uw goê genegenheid.

Hy is een schelm. EEL. Dan hebt gy reden dat gy pleit:

Maar zo ’t nu anders waar? AN. ’k Zou ’t evenwel beletten.

EEL. Ik zal my met myn kunst daar wakker tegen zetten,

’k Neem ’t aan te winnen, als een eerlyk advokaat.

AN. Ik ben u dankbaar, heer, voor uw’ getrouwen raad.

Daar is zes schellingen. EEL. ’t Proces is niet begonnen.

Betaal my alles maar, als ik het heb gewonnen.

AN. Neen, ’t moet ten eerste zyn. EEL. Wel, als ’t u zo behaagt.

AN. Daar jongman, dat’s voor u. FI. Ik zal heel onversaagt,

In Amsterdam, door al de winkelen en hoeken,

Den heer Anzelmus nâ zyn nichtje helpen zoeken.

AN. Gy zyt een eerlyk knecht! Ik zal myn neef terstond

Den raad verhaalen, die ’k gehoord heb uit uw’ mond.

Drie blyspelen · 第 114 / 133 题