VIERDE TOONEEL.

_DE BODE, DE LYFWACHTEN, METELLUS, FLAMINIUS, de Raadsheeren, KALFURNIA,

LAVINIA, de Raadsheers Vrouwen, REBELLA, TUMULTA, PAPIRIUS, ALBINUS._

DE BODE. Myn heeren, ’t heir der vrouwen

Verloopt zoo sterk, dat wy er weinig meer aanschouwen.

Zy hoorden een gerucht, dat Romens burgery

Haar allen dood zou slaan in haare raazerny.

Zy hebben ’t Kapitool geheel en al verlaaten.

REBELLA, _stampvoetende, zegt tegen Tumulta_.

ô Spyt! dat moet men zien. Men blyv’ hier dan niet praaten.

FLA. Hoe! meent gy door te gaan? Neen, zacht wat, dat is mis.

Lyfwachters, brengt haar na de stads gevangenis.

Doch, laat de Pretor haar, om redens wil, bewaaren

In ’t spinhuis, voor den tyd van vyf en twintig jaaren.

Notaris Inktpot werd’ ten eersten aangevat,

En, om zyn snood geschrift gegeesseld, uit de stad,

En, voor zyn leeven lang, uit ons gebied gebannen:

Wyl hy met dit gespuis te samen heeft gespannen.

REBELLA _en_ TUMULTA _knielende_.

Genade heeren!

FLA. Brengt dat vee uit ons gezicht!

Drie blyspelen · 第 94 / 133 题