DERDE TOONEEL.

_KALFURNIA, LAVINIA, twee Raadsheers Vrouwen, REBELLA, TUMULTA, PAPIRIUS,

ALBINUS, METELLUS, FLAMINIUS, De Roomsche raaden._

KALFURNIA. Denkt niet, dat ik verschyn in raazerny der zinnen,

Om dat ik my vertoon met deezen legerstaf.

Ik staa van ’t hoog gezag in ’t vrouwenheir niet af,

Voor dat ons de achtbre raad voldoening heeft gegeeven,

Om ’t smeeden van een wet, daar Rome voor moet beeven.

Geen eedle Romeinin, die deugd bemint en trouw,

Was ooit zo dwaas, dat zy zich onderwerpen zou,

Om ’t heilig echte bed, door goddelooze wetten,

Gegrond op overspel, vernoegd te zien besmetten.

Beneemt ge, ô goden, nu de wysheid van den Raad!

Wat helpt de vryheid dan in onzen burgerstaat.

ô Brutus! Brutus! uit wiens bloed ik ben gebooren!

Wat baat uw heldenmoed? De vryheid gaat verloren.

Gedoogt ge, ô goden! dat een eedle Romeinin

Door snôo tyrannen word mishandeld als slavin?

Ik zal dat raadsbesluit met alle macht weêrstreven,

En Romens vrouwen weêr de aloude vryheid geeven,

Of sterven met den roem van ’t geen ik heb bestaan.

FLA. Gy doet u zelve en ons veel’ moeijlykheden aan.

De wet, daar gy van spreekt, zou schandlyk zyn voor Romen.

Zy is den achtbren raad nooit in den zin gekomen.

Papirius heeft u, om uw nieuwsgierigheid

In raadsbesluiten, door een loozen vond misleid.

Wy weeten alles. Laat dan uwe drift bedaaren.

MET. Nu blykt het, dat gy geen geheimen kunt bewaaren.

Door u is ’t oproer, dat we aanschouwen, eerst ontstaan.

KAL. Papirius, myn zoon! ach! wat hebt gy gedaan?

FLA. Hy heeft zyn plicht betracht. ’s Lands Raad zal hem beloonen.

PA. Ach! wil om Romens wil, myn moeder, my verschoonen!

En breng my, ’k bid het u, in geen verzoeking meer.

KAL. Neen edele Romein, myn zoon, betracht uw eer.

Gy volgt het heldenspoor van uw doorluchte maagen.

MET. Rebella, zeg ons nu, wat gy hebt voor te draagen.

REB. Heb jy de Artykels niet ontfangen in geschrift?

FLA. Ze zyn ligt opgesteld in uwe dwaaze drift.

Wel aan, wy zullen die eens leezen en beschouwen.

Eerste Artykel.

_Wy willen dat een man geen tweede vrouw zal trouwen._

FLA. Die eisch is billyk, en gegrond op Numaas wet.

Tweede Artykel.

_Wy willen, dat de helft des raads werd’ afgezet._

Derde Artykel.

_Om nooit de vryheid der Romeinen te verliezen,_

_Zult gy op deezen dag twee erf Dictators kiezen,_

_Die ’t geld ontfangen, en de boeken van den raad_

_Naauwkeurig nazien, om te weeten hoe ’t er gaat._

Vierde Artykel.

_’t Gemeene volk zal vry van alle schatting leeven:_

_Maar al wie ryk is, of een raadsheer, ryklyk geeven._

Vyfde Artykel.

_De Magazynen moet men open laaten staan,_

_Om volk, dat armoe lyd, te spyzen met het graan._

Zesde Artykel.

_Zes raadsheers vrouwen, en ook zes gemeene wyven,_

_Die zullen, als de raad vergaêrd is, daar in blyven,_

_Om op te passen, hoe de wagen werd bestierd;_

_Op dat hy recht zou gaan, en ’t volk niet werd gepierd._

MET. De meeste artykels zyn al wonderlyke wetten.

Noem ons de heeren eens, die gy wilt af doen zetten.

REB. Dat is Spektators werk, die ’t onderzoeken moet,

Die zal wel weeten, hoe men zulke dingen doet.

Ook zellen ’er wel zyn, die ’t hun inblaazen zullen,

Om zelf de plaatsen van die heeren te vervullen.

FLA. In Romens achtbren raad ken ik geen enkel heer,

Die af te zetten is: elk is een man van eer.

Zevende Artykel.

_Men zet een priester, als de raad vergaert, in ’t midden,_

_Om Jupiter en al de goden eerst te bidden_

_Om ’t volk te zegenen; een man van goed beleid;_

_Een van ’t gemeen bemind, om zyne heiligheid_

_Die wys en deftig is, bequaam om raad te geeven,_

_Op dat hier door de rust in Romen mag herleeven._

Achtste Artykel.

_Ten laatsten eischen wy, in plaats van uwe wet,_

_Ten nadeel van ’t geslacht der vrouwen ingezet,_

_Dat gy een andre maakt, om eeuwig te onderhouwen,_

_Dat vrouwen, dien het lust twee mannen mogen trouwen._

REB. Dit alles willen wy, dat gy volbrengen zult!

MET. Zeer wel, Rebella. Maar geef antwoord met geduld.

Al die artykels hebt gy zelf niet kunnen droomen?

REB. Wel neen, ik heb den raad van Inktpot ingenomen.

MET. Wie is die Inktpot?

REB. Een notaris vol verstand,

Hy is een patriot, een vriend van ’t vaderland,

Een vroom en deugdsaam man, voorstander van de wyven.

Hy schreef het voor me, om dat ik leezen kan noch schryven.

FLA. Mevrouwen, ’k denk niet dat uw eisch zo ver zal gaan,

Om deeze artykels, die zo dwaas zyn, voor te staan?

LA. Wy hebben in den raad der vrouwen nooit gezeten.

KAL. En van de artykels, die wy hooren, niets geweeten.

LA. Wy hebben maar alleen, door ’t valsch gerucht misleid,

Voor ’t vrouwlyk Roomsche recht met wapenen gepleit.

’t Is ons genoeg dat wy ons huisgezin regeeren.

KAL. ’t Bestier van ’t vaderland voegt vrouwen niet, maar heeren.

FLA. ’k Vrees dat de priesterschap hier onder heeft geroeijd;

Wyl die uit heerschzucht zich veeltyds met oproer moeijt.

MET. Hooge achtbre vaders, die voor Romens vryheid waaken,

In wat verwarring zou het vaderland niet raaken,

Indien ’t gemeene volk ons wetten stellen zou?

Dan waar het haast gedaan met Romens deugd en trouw.

Hoe waaren wy bewaard met zulken staats regeering?

Verwacht gy, vrouwtjes, om uw voorzorg, geen vereering?

REB. Ja, ja, we zien het wel, dat jy ons maar veracht.

Myn heeren, denkt ’er op, dat ik jou antwoord wacht.

Weet, zo de Raad ons met de artykels denkt te sullen,

Dat wy het Kapitool verdisteleeren zullen!

Het kost my maar één wenk, die ik door ’t venster doe.

FLAMINIUS _roept_.

Lyfwachten, komt hier in! men sluit de vensters toe.

Wat komt die bode doen?

Drie blyspelen · 第 93 / 133 题