TWEEDE TOONEEL.

_METELLUS, FLAMINIUS, de Roomsche raaden, ALBINUS, PAPIRIUS._

METELLUS. Albinus, hoe is ’t u in ’t vrouwen heir gegaan?

AL. Zy hebben tot haar hoofd een raazend wyf verkoren,

Dat noch na reden, noch na reedlykheid wil hooren:

Ze erkende naauwlyks my voor Romens afgezant,

En dreigde ’t Kapitool te steeken in den brand,

Ten zy op haaren eisch, in dit papier geschreven,

Door de achtbre raaden voort voldoening werd gegeven.

_Hy geeft het schrift over._

FLA. Hoe noemt men ’t raazend wyf?

AL. Rebella is haar naam.

FLA. Dat wyf was lang berucht. Ze is van een quaade faam.

’k Meen dat zy is gestraft om haare goddeloosheid.

AL. Tumulta is ’er by, berucht om haare boosheid.

FLA. Maar waarom keerde gy niet aanstonds met bescheid?

AL. ’t Was my onmogelyk, wyl ik wierd weg geleid

Door andre wyven, en een tyd lang bleef gevangen.

Zy dreigden zelfs om my te pynigen en hangen.

Had Romens jonglingschap my niet gered in nood,

Zy hadden my ligt in haar’ raazerny gedood.

Ik heb Papirius te danken voor myn leeven.

PAP. Ik heb in ’t veld van Mars my voort te paard begeeven

Met al de jonglingschap, en reed van straat tot straat,

Om Romens burgery, tot voorstand van den raad,

In alle wyken in ’t geweer te doen vergaâren.

Om ’t raazend wyven heir te brengen tot bedaaren.

Dit had wat tyds van doen; zo dat men onverwacht

’t Oproerig vrouwvolk zag, (wie had het ooit gedacht)

Het Kapitolium by duizenden omringen.

MET. Mijn zoon, had gy geen macht door ’t leger heen te dringen?

Wy hebben alles uit de vensters aangezien.

PAP. Myn vader, ach! dat kon onmogelyk geschiên.

MET. Men zag de jonglingschap en burgery wel komen:

Maar elk bleef staan. Wat deed de Roomsche helden schroomen?

Zyn dan de wyven zo ontzachelyk, myn zoon?

Waarom vielt gy niet aan? de kans stond immers schoon.

Verstrooij dat raazend vee. Verjaag het uit onze oogen.

Of zult ge, als ’t Kapitool is in den brand gevlogen,

Gelyk ons word gedreigd, te laat uw kracht doen zien?

PAP. Zy zullen dit niet doen, myn vader.

MET. Ja misschien.

Vertrouw u daar niet op.

PAP. Ik zal u alles melden:

Men trok kloekmoedig op, met onze vroome helden,

En dacht het vrouwen heir, waar ’t mooglyk op te slaan:

Maar ’k zag voor ’t leger zo veel eedle vrouwen staan,

Met helmen op het hoofd, en uitgetogen’ zwaerden,

Dat dit gezicht by ons, en elk, verwondring baarden.

Eén trad ’er na my toe, en riep: houd stand! houd stand!

„Zo ge uw geslagt bemint en ’t lieve vaderland!

„Ik geef u vry gelei. Gy kunt ons heir beschouwen.

„Ik staa hier aan het hoofd van honderd raadsheers vrouwen.

„Recht hier geen bloedbad aan... Ik kende voort haar stem,

En was verbaasd, verschrikt. Myn hart raakte in den klem.

’k Gaf order dat ons volk niet verder zou genaaken.

Om dat men mooglyk een bestand zou kunnen maaken.

MET. ’t Zyn wondren die gy meldt. Maar wie is die heldin,

Wier stem u was bekend?

PAP. Een vrouw die ik bemin...

MET. Spreek, spreek, myn waarde zoon. Ik vind u langs hoe vroeder.

PAP. Hoog achtbre vader! ’t is uw gemalin, myn moeder!

Ze is my op ’t Kapitool gevolgd, en wil den raad

Berichten waar de eisch der vrouwen in bestaat.

MET. Heeft zy gevolg?

PAP. Gewis, de hoofden van de wyven,

Die van het Kapitool niet hebben willen blyven.

Deeze eischen dat gy twee Dictators kiezen moet,

En dreigen u den dood, indien gy zulks niet doet.

FLA. Men kan haar hooren.

MET. Laat haar al te samen binnen.

Drie blyspelen · 第 92 / 133 题