_TUMULTA, REBELLA, FURIA, het leger._
TUMULTA. Wat dunkt Rebella nu?
REB. Wy moeten ’t werk beginnen.
Men ruk na ’t Kapitool.
TUM. My schiet iets groots te binnen.
Daar staat Metellus huis. ’k Weet dat die ouwe hond
Ook meê gestemd heeft in ’t vervloekte raads verbond.
Men breng dan steenen aan om op het huis te donderen,
En vall’ met alle macht zoo aanstonds aan het plonderen.
REB. ’t Kan in passant geschiên. Wy volgen deezen raad.
TUM. Spitszusters! haalt terstond de steenen uit de straat.
Men loop na ’t magazyn, en haal daar sterke paalen.
REB. Het magazyn is toe, zo als ik hoor verhaalen.
FURIA, _met steenen in de schoot_.
Daar zyn er al, mevrouw.
REB. Dat’s goed, deel die maar uit.
_Eenige wyven neemen elk een steen in de hand._
Valt aan dan, plundert, en brengt ons terstond den buit.
Je moogt van ’t huisraad of het geld in ’t minst niet steelen.
Dat zullen wy daar na, heldinnen, met jou deelen.
_Zo als de wijven gereed staan, om steenen op de deur te
smyten, komen Kalfurnia, Lavinia, en twee raadsheers vrouwen,
gewapend als Amazoonen, met het blood zwaerd in de handen, uit
het huis._