_BAZILIUS, in ’t zwart, met een pook onder zijn’ mantel, VALASKO, DON
QUICHOT, Meester JOCHEM, gevolg van Edellieden, KAMACHO, en de rest van
’t voorgaande Tooneel._
BAZILIUS. Wy komen hier niet om dit bruiloftsfeest te stooren;
Neen, neen, gelukkig paar, die moeite waar verloren:
Maar zie een’ minnaar die zyn lieve voorwerp derft,
En voor uw voeten, door de min, van wanhoop sterft.
Leontius, ’k zal u uw strafheid niet verwyten:
Maar uw gemoed zal zelf van binnen voor my pleiten,
En toonen tot uw’ schrik, om dat gy my verstoot
Een eeuwig naberouw, om de oorzaak van myn dood.
Vaar wel Quiteria! myn schoone! myn beminde!
Die ik van jongs af liefde, en hertelyk bezinde,
Gy zult bedenken, na myn dood, wien gy verliest:
Maar min hem echter dien gy nu tot man verkiest;
Denk dat de mensche nooit het nootlot af kan keeren:
Leef, leef vernoegd: dit is myn uiterste begeeren;
Vaar wel Quiteria! ik sterf om u, vol moed,
Een’ trouwe minnaar, ach! vaar wel; ’k smoor in myn bloed.
_Hy doorsteekt zich._
PASTOOR. ô Hemel! wat is dit! hy heeft zich zelfs doorsteeken.
QUITERIA, _neemt Bazilius in den arm_.
Ach! myn Bazilius! wil nog voor ’t laatst eens spreeken.
BAZ. Quiteria, myn lief, Quiteria, zyt gy ’t?
Vertroost gy my voor ’t laatst? wat is myn hart verblyd,
Dat ik al stervende in uw’ arm... PAST. Gy moet vertrekken:
Of hem iets op het hart mogt zyn, me alleen te ontdekken.