1. VAN DE MAAN-ECLIPSEN.

§ 121.

De oorzaak eener Maan-eclips is, dat de schaduw der Aarde op de Maan

valt, en dus dezelve van haar, uit de Zon ontleend, licht of geheel

of ten deele berooft. Die schaduw der Aarde is kegelvormig. De halve

middellijn van dat gedeelte des kegels, dat de loopbaan der Maan raakt,

beslaat er nooit meer dan 47 minuten [90]; de halve middellijn der

Maan is op het hoogst 17 minuten; de som dezer beide hoeveelheden

is 64 minuten. Zoo dan de Maan, dat is het middelpunt der Maan, ten

tijde dat zij vol is, 64 minuten of meerder breedte heeft, dat is,

ongeveer 12 graden van den knoop af is, kan er geene eclips zijn;

zoo de Maan eene kleiner breedte heeft, is er eene eclips, en de

verduistering zal aanmerkelijker zijn, naarmate de breedte geringer

is. Maar de grootte der breedte en des afstands van den knoop, wordt

door eenen wijzer aangetoond (§ 106, 108); zoodat men altijd, door de

vergelijking van twee wijzers, weet, of er eene Maan-eclips zijn zal,

en zoo ja, of zij aanmerkelijk zal wezen of niet.

Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga · 第 46 / 61 题