IV. VAN DE ECLIPSEN.

§ 120.

Indien de Maan zich in de ecliptica bewoog, zoude men alle maanden

ééne Zon- en ééne Maan-eclips hebben; doch dit heeft niet plaats,

omdat de loopbaan der Maan op de ecliptica helt, en het dus veelmalen

gebeurt, dat de Maan, wanneer zij vol of nieuw is, eene te groote

breedte heeft, dan dat zij zich in de schaduw der Aarde kan bevinden,

of dat de schaduw der Maan de Aarde kan raken.

Er kunnen dan geene eclipsen plaats hebben, of de Maan moet, ten tijde

dat zij vol of nieuw is, omtrent in hare knoopen zijn; weshalve men,

door middel van dit kunststuk, altijd kan weten, of er eene eclips is

dan niet. Want, op éénen wijzer ziet men, of de Maan nieuw of vol is

(§ 93) en op eenen anderen, of zij in de knoop is of niet (§ 105);

zoo ja, zal er eene eclips zijn; zoo neen, en zoo de Maan vrij wat

van de knoopen, bij voorbeeld 18 graden of meerder, af is, kan er

geene eclips plaats hebben [89]. Maar die zelfde wijzers geven nog

veel naauwkeuriger bepaling op.

Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga · 第 45 / 61 题