§ 122.
Insgelijks kan men, door middel van de twee gemelde wijzers, weten,
of er, op den tijd eener bepaalde nieuwe Maan, eene Zon-eclips zal
zijn of niet. Want er kan geene Zon-eclips zijn, of de breedte der
Maan moet minder zijn dan de som van het horizontaal verschilzigt [91]
der Maan, en van de halve middellijnen van de Zon en van de Maan;
welke som nooit grooter zijn kan dan 94 3/4 minuten. Zoo men dan op
den wijzer van den afstand der Maan van de Zon (§ 92), ziet, dat de
Maan nieuw is, en op den wijzer des afstands der Maan van den knoop
(§ 106, 108), dat de breedte der Maan grooter is dan 1 gr. 34 3/4 m.,
of haar afstand van den knoop grooter dan ongeveer 17 gr., weet men,
dat er geene eclips zijn kan. Zoo die breedte of die afstand kleiner
is, valt er zeker ergens eene eclips voor; en dan moet er berekend
worden waar en hoe dezelve zigtbaar zijn zal; daar integendeel eene
Maan-eclips overal zigtbaar is, waar de Maan, gedurende dat hare
verduistering voorvalt, boven de kimmen is. In het algemeen echter weet
men, zonder berekening, of de Zon-eclips ten noorden of ten zuiden van
de evennachtslijn zigtbaar zal zijn. Want, zoo de Maan, op den tijd,
dat er eene Zon-eclips kan voorvallen, omtrent den klimmenden knoop,
en denzelven reeds voorbij is (hetwelk op den wijzer (§ 106) te zien
is), is de eclips ten noorden van den evennachtslijn zigtbaar; doch
ten zuiden, zoo de Maan dien knoop nog niet voorbij is. Integendeel,
zoo de eclips voorvalt, wanneer de Maan omtrent den dalenden knoop is,
hetwelk men door den wijzer (§ 106) weet, zal die eclips benoorden de
evennachtslijn zigtbaar zijn, zoo de Maan den knoop niet voorbij is; en
bezuiden de evennachtslijn, zoo de Maan den knoop reeds doorgegaan is.
§ 123.
Het spreekt van zelf, dat men op dit kunststuk de eclipsen van alle
verledene en toekomende tijden kan nagaan, wanneer men, hetzelve met
de hand bewegende (§ 114), in iederen Maansomloop acht geeft: 1o of
bij de volle en nieuwe Maan de Maan op dien afstand der knoopen is,
dat er eene eclips kan voorvallen (§ 121, 122); en, zoo ja, 2o het
jaargetal en den dag (§ 4) en het uur gadeslaat; welke proefneming
somtijds ter opheldering der tijdrekening van zeer veel nut kan zijn.