III. VERSCHIJNSELS VAN DEN OP- EN ONDERGANG DER MAAN.

§ 112.

De opgang wordt door eenen wijzer aangetoond, die op het linker paneel,

naast het hemelsplein is; de ondergang door eenen dergelijken, die

op het regter paneel geschilderd is (§ 9). Boven den eerstgemelden

staat, tot onderscheiding, geschreven: de Maan komt op; boven den

laatstgemelden: de Maan gaat onder. De rand van beide de wijzers is

in XII uren verdeeld, en ieder uur in vier deelen of kwartieren. Dit

is genoeg, omdat men, zoo als straks blijken zal (§ 114), uit de

lichtgestalten der Maan, die door eenen wijzer bekend zijn (§ 91),

altijd weet, of die uren voor- of namiddag zijn. Beide wijzers

volgen de orde der uren, vermits de tijd van den op- en ondergang

der Maan dagelijks verachtert, en dus, zoo de Maan heden ten 12 u.,

bij voorbeeld, opkomt, zij morgen ten 12 u. 48 m., overmorgen ten 1

u. 26 m. enz. (naar den gemiddelden loop) zal opkomen; weshalve de

wijzers van XII naar I, II, III gaan, dat is, volgens de orde der

uren voortrukken.

§ 113.

Indien de Maan (even als de Zon) zich in eenen bestendigen, of ongeveer

bestendigen, kring, wiens helling, knoopen, verste en naaste punten

altijd ongeveer de zelfde bleven, om de Aarde bewoog, zou de Maan

ons, in iederen omloop, de zelfde verschijnselen opleveren, en,

op de zelfde dagen van haren ouderdom, op de zelfde uren opkomen en

ondergaan. Doch daar het tegendeel plaats heeft, zijn ook de tijden

van den op- en ondergang der Maan zeer verschillende; zij hangen af

van de afstanden der Maan van de Zon en van de declinatie der Maan,

of (§ 31) haren stand boven of onder de evennachtslijn.

§ 114.

Indien men voor een oogenblik alle andere omstandigheden daar laat,

zal de Maan, wanneer zij met de Zon in conjunctie of nieuw is, met

de Zon opkomen en ondergaan, en in den meridiaan zijn. Wanneer zij

drie teekenen van de Zon af, of in het eerste kwartier is, komt zij

6 u. later dan de Zon in den meridiaan. Wanneer zij er zes teekenen

van af is, of in oppositie, dat is vol is, komt zij op als de Zon

ondergaat, dus in de namiddaguren, en gaat onder als de Zon opkomt,

dus in de morgenuren, en komt ter middernacht in den meridiaan. Wanneer

zij negen teekenen van de Zon af, of in het laatste kwartier is, komt

zij 18 u. later, of, omdat wij in de zamenleving maar tot 12 u. toe

tellen, 6 u. vroeger dan de Zon in den meridiaan. Eindelijk, wanneer

zij twaalf teekenen van de Zon af, dat is, weder in conjunctie of nieuw

is, komt zij 24 u. later dan de Zon, dat is, wederom met de Zon op.

Dit alles zoude dus plaats hebben, indien de Maan altijd de zelfde

declinatie had als de Zon; doch het verschil en de verandering van

declinatie brengen hier vrij wat vervroeging of verachtering te weeg;

maar de zaak blijft over het algemeen, ongeveer zoo, en er volgt uit,

dat de tijden van den op- en ondergang der Maan, in éénen omloop

om de Zon, of in 29 d. 12 u. 44 m., tweemaal den wijzer van 12 uren

rondgaan; en dat derhalve de wijzers, die hiertoe dienen, niet, zoo

als die voor de Zon, eene dan voorwaarts, dan terug gaande beweging

hebben mogen (§ 84), maar inderdaad den cirkel in den tijd van 29

d. 12 u. 44 m. tweemaal, volgens de orde der uren, moeten beschrijven,

zoo als het hier geschiedt.

§ 115.

De Maan legt, volgens hare gemiddelde beweging, dagelijks ongeveer 13

gr. 10 1/2 m. af. Dit brengt dagelijks eene vertraging van ongeveer

48 m. in het uur van haren op- en ondergang en van hare komst in den

meridiaan te weeg. Maar de Maan heeft eene zeer ongelijke snelheid

in de verschillende punten van hare loopbaan, welke nog grooter

of kleiner wordt, naarmate de verste of naaste punten op dezen of

genen afstand van de Zon zijn, en dit alles heeft op den tijd van

den op- of ondergang der Maan eenen of grooteren kleineren invloed,

naarmate de Maan sneller of trager in hare baan voortgaat, dat is

zich in verschillende perken dezer baan bevindt (§ 95); naarmate zij

meer of min boven of beneden de ecliptica staat, en eene grootere of

kleinere declinatie heeft. Al deze veranderingen, die eindelijk op

eene onregelmatige verandering van declinatie uitkomen, maken, dat

de tijdstippen van Maans op- en ondergang zeer onregelmatig veranderen.

§ 116.

Een voorbeeld zal de zaak ophelderen [88]:

Den 1 Julij 1779 kwam de Maan te Parijs op ten

10 u. 15 m. des avonds,

verschil 26 minuten.

2 10 u. 41 m. 20

3 11 u. 1 m. 18

4 11 u. 19 m. 18

5 11 u. 37 m.

en zoo voorts.

Den 14 Julij 1779 4 u. 36 m. des morgens,

verschil 83 minuten.

15 5 u. 59 m. 85

16 7 u. 24 m. 83

17 8 u. 47 m. 79

18 10 u. 6 m.

De Maan ging onder

den 1 Julij 1779 ten 5 u. 55 m. des morgens,

verschil 65 minuten.

2 7 u. 68

3 8 u. 8 m. 68

4 9 u. 16 m. 68

5 10 u. 24 m.

--------------

7 0 u. 46 m. des avonds,

8 2 u. 74

9 3 u. 19 m. 79

10 4 u. 41 m. 82

--------------

15 9 u. 39 m. 28

16 10 u. 7 m. 20

17 10 u. 27 m. 21

18 10 u. 48 m.

§ 117.

Men ziet dan, dat het verschil der tijden van op- en ondergang

dan eens 18 minuten, dan eens 85 minuten bedraagt; en dat dus de

wijzers op sommige dagen vijfmaal meer ruimte in den zelfden tijd

moeten afleggen, dan op andere dagen. De wijze, op welke Eisinga eene

zoodanige onregelmatige beweging aan deze wijzers gegeven heeft, is

zeer eenvoudig en naauwkeurig; zij volgen de ware tijden nagenoeg,

en het kleine verschil dat er is, verdwijnt alle halve Maansomloopen.

Wij hebben te voren (§ 97) reeds gezegd, dat het moeijelijk was, aan

eenen wijzer eene ongelijkvormige beweging te geven, welke van twee

oorzaken afhangt; hoe veel moeite moet het dan niet gekost hebben,

de ongelijkvormige beweging dezer twee wijzers te vervaardigen,

vermits zij van drie zeer verschillende oorzaken afhangt? 1o Van den

grooteren of kleineren boog, dien de Maan dagelijks in hare eigene

loopbaan aflegt, bij gevolg van haren afstand van het verste punt,

en de uitmiddelpuntigheid der baan (§ 95); 2o van de breedte der

Maan, en eindelijk van de verandering van declinatie, of stand boven

of beneden den aequator. Deze drie oorzaken zijn echter alle hier,

volgens de grootte harer uitwerkselen, en hetgene, dat uit hare

zeer verscheidene zamenstellingen ontstaat, naauwkeurig en op eene

eenvoudige wijze in acht genomen.

§ 118.

Wanneer men den tijd van Maans opgang met den tijd, op welken de

naastvolgende ondergang plaats heeft, vergelijkt, kent men den

tijd, dien de Maan boven de kimmen blijft, en die tijd is ook zeer

ongelijk. Bij voorbeeld, die tijd was te Parijs, in 1779,

van den 1 tot den 2 Julij 8 u. 45 m.

2 3 9 u. 27 m.

3 4 10 u. 15 m.

4 5 11 u. 5 m.

5 6 11 u. 58 m. Den 6 L.K.

6 7 12 u. 52 m.

Den 8 13 u. 48 m.

9 14 u. 42 m.

10 15 u. 41 m.

11 16 u. 29 m.

12 16 u. 54 m.

13 16 u. 55 m. Den 13 N.M.

14 16 u. 27 m.

15 15 u. 20 m. enz.

20 10 u. 49 m.

21 9 u. 58 m.

van den 22 tot den 23 9 u. 12 m.

,,  ,,  23 ,,  ,,  24 Julij 8 u. 31 m.

24 25 8 u. 1 m.

25 26 7 u. 46 m.

26 27 7 u. 47 m.

Dus ziet men, dat de Maan, op eene en de zelfde plaats, in éénen

omloop, dan eens nog geen 8 u. en dan eens bijna 17 u. boven den

gezigteinder zijn kan. Die tijd wordt door de beide wijzers aangewezen,

wanneer men namelijk de uren, die zij aanduiden, zamenvoegt.

§ 119.

Indien de declinatie der Maan, tusschen den tijd van haren opgang en

den volgenden ondergang, niet veranderde, zoude de helft des tijds,

dien de Maan boven den gezigteinder blijft, dat is, de halve dagboog (§

118), gevoegd bij het uur van den opgang (§ 116), het uur te kennen

geven, op hetwelk de Maan in den meridiaan komt. Bij voorbeeld,

de halve dagboog was den 1 Julij 1779, te Parijs, 4 u. 22 1/2 m. (§

118); den 1 Julij is er de Maan ten 10 u. 15 m. des avonds opgekomen (§

115); de som is 14 u. 37 1/2 m., dat is, den 2 Julij ten 2 u. 37 1/2

m. des morgens. Doch, daar de declinatie der Maan gedurig verandert,

is die rekening niet altijd naauwkeurig genoeg; bij voorbeeld, den

15 Julij was de halve dagboog 7 u. 40 m.; de Maan kwam op ten 5 u. 9

m. des morgens; som 13 u. 9 m. of 1 u. 9 m. na den middag; maar de

ware tijd van de komst in den meridiaan was 1 u. 58 m. Die tijd hangt

af, zoo als boven gezegd is, van de afstanden der Maan van de Zon;

en de vervroeging of vertraging is van de onregelmatige verandering

van de declinatie der Maan herkomstig.

Maar, het hemelsplein wijst altijd aan, op welk uur de Maan in den

meridiaan komt: want, men weet door een der maanwijzers (§ 111),

welke de lengte der Maan op ieder oogenblik zij, dat is, in welk punt

der ecliptica zij zich bevindt. Wanneer dat punt op het hemelsplein

door den meridiaan gaat, komt de Maan in den meridiaan; en het uur

wordt of door de Zon, of door het wijzertje, dat over de Zon is (§

72, 75), aangewezen.

Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga · 第 44 / 61 题