§ 111.
De lengte eener ster is, zoo als wij gezegd hebben (§ 19), de
afstand derzelve van het begin des teekens Aries, op de ecliptica
gerekend. Daarom draagt de wijzer, die de lengte der Maan aanwijst,
en beneden op de pilaster aan de regterhand staat (§ 8), den naam van
afstand der Maan van Aries. Op den rand zijn met Romeinsche letters de
teekenen, en daarboven de graden met gewone cijferletters geschilderd;
welke laatste door eenen tweeden wijzer aangeduid worden, gelijk de
minuten op een horologie.
De Maan beweegt zich in hare baan volgens de orde der teekenen;
waarom ook deze wijzers volgens die orde voortgaan, en den cirkel,
zoo als het behoort, in 27 d. 7 u. 43 m. doorloopen. Men kent dan
door dezelve de lengte, welke de Maan ieder oogenblik heeft, dat is,
hare plaats op de ecliptica.
Het is bijna overtollig, hier aan te merken, dat deze wijzer ook
eene ongelijkvormige beweging heeft; dit is immers noodig, om de ware
beweging der Maan te volgen.