§ 104.
De loopbaan der Maan is, zoo als die van al de overige planeten,
hellende op de ecliptica, en snijdt deze in twee punten of knoopen,
zoodat men, om den loop der Maan te kennen, de plaatsen der beide
knoopen, den afstand der Maan van een derzelve, bij voorbeeld van den
klimmenden knoop, en eindelijk de breedte der Maan kennen moet. Ter
aanwijzing dezer drie dingen dienen twee wijzers.
§ 105.
De eerste wijzer is een groote wijzer aan de zoldering (§ 5), die
den naam draagt van Maans klimmende knoop. Ten opzigte van de overige
planeten zijn de knoopen bijna onbewegelijk (§ 26), doch voor de Maan
is het geheel anders gelegen; zij zijn aan eene vrij snelle verandering
onderhevig, en doorloopen den hemel, of den geheelen cirkel, in 18
gemeene jaren 228 d. 4 u. 52 m. 3 s. [86]; doch tegen de orde der
teekenen, dat is: zoo de klimmende knoop b.v. thans in Taurus is,
zal zij over anderhalf jaar niet in Gemini zijn, maar in Aries, over
drie jaar in Pisces enz. Deze wijzer doorloopt dan de teekenen, die op
den rand geschilderd zijn, in 18 j. 228 d. enz., tegen derzelver orde,
en wijst dus met zijn voorste einde de ware plaats des klimmenden,
en met het achterste einde de ware plaats des dalenden knoops aan.
§ 106.
Van den klimmenden tot den dalenden knoop is de Maan, zoo als al
de planeten, boven de ecliptica verheven, en van den dalenden tot
den klimmenden is zij er onder gedoken. In het eerste geval heeft
zij eene noordelijke, in het andere eene zuidelijke breedte; en
deze is, in beide gevallen, grooter of kleiner, naarmate van den
afstand der Maan van den knoop. Deze afstanden, en de breedte zelve,
worden door den wijzer, die boven op de regter pilaster staat (§ 8),
aangewezen. Deze wijzer heeft den naam van afstand der Maan van den
klimmenden knoop, en wijst op den rand de twaalf teekenen aan, en
boven deze de 30 graden door eenen langeren wijzer, zoo als te voren
gezegd is (§ 91), en op horologieplaten omtrent uren en minuten plaats
heeft. Wanneer dus de wijzer, bij voorbeeld, op III teekenen staat,
is de Maan drie teekenen van den klimmenden knoop af, of heeft hare
grootste noorderbreedte; wanneer de wijzer op VI teekenen staat, is de
Maan zes teekenen van den klimmenden knoop af, of is in den dalenden
knoop, en heeft geene breedte; wanneer de wijzer op IX teekenen staat,
is de Maan negen teekenen van den klimmenden, of drie teekenen van
den dalenden knoop af, en is op hare grootste zuidelijke breedte.
§ 107.
Vermits de knoopen zich tegen de orde der teekenen bewegen, komen
zij de Maan in haren omloop te gemoet; dus is de tijd, dien de Maan
noodig heeft, om van den klimmenden knoop, bij voorbeeld, weder tot
denzelven te komen, kleiner dan de omloopstijd, en wel 2 u. 37 1/2 m.;
de Maan gebruikt dan maar 27 d. 5 u. 5 1/2 m. om eene knoopsomwenteling
te doen, dat is, om weder tot den zelfden knoop te keeren.
§ 108.
De breedte hangt af van den afstand der Maan van den knoop; zij is
de grootste op drie teekenen, hetzij van den noorder-, hetzij van den
zuiderknoop, en is de zelfde op gelijke afstanden van beide; dat is:
Op O of XII en op VI teekenen is de breedte nul.
Op I en op V teek. is de breedte noordelijk } gelijk.
VII ,, ,, XI ,, ,, ,, ,, zuidelijk }
Op II en op IV teek. is de breedte noordelijk } gelijk.
VIII ,, ,, X ,, ,, ,, ,, zuidelijk }
Op III teekenen grootste noorderbreedte } gelijk.
IX ,, ,, zuider ,, }
Om de breedte aan te wijzen, is er binnen den rand, op welken de
teekens met Romeinsche letters geschilderd zijn, een kleiner rand,
in welken, onder ieder teeken, met gewone cijferletters, die breedte
uitgedrukt staat, welke de Maan heeft, wanneer zij op dien afstand
van den knoop is. De breedte is noordelijk van O tot VI teekenen,
dat is, aan de linkerhand; en zuidelijk van VI tot O teekenen, dat is,
aan de regterhand.
§ 109.
Deze wijzer heeft ook eene ongelijkvormige beweging, en gaat rasser
of trager, naarmate de Maan digter bij het naaste of bij het verste
punt is.
§ 110.
Omtrent de breedte der Maan valt er nog aan te merken, dat zij, op
de zelfde afstanden der knoopen, niet bestendig de zelfde is, zoo als
ten aanzien der andere planeten plaats heeft, en wij zoo even (§ 108)
voorondersteld hebben, maar dan grooter, dan kleiner; hetwelk daardoor
veroorzaakt wordt, dat de Maan niet door eene éénige kracht, die der
Aarde namelijk, om welke zij draait, geregeerd wordt, maar bovendien
door de Zon, om welke zij met de Aarde gevoerd wordt. De Zon werkt
wel veel minder sterk op de Maan, dan de Aarde, omdat zij er veel
verder van af is; maar haar invloed is echter merkelijk. Wanneer de
Zon regtstreeks met de Aarde werkt, hetwelk in conjunctie en oppositie
plaats heeft, dat is, wanneer de Maan nieuw of vol is, werkt zij het
sterkst, en het minst sterk, wanneer de Maan in de kwartieren is. Hier
van daan is het, dat, daar de helling van de loopbaan der Maan, en
dus de grootste breedte maar 5 gr. is, wanneer de Maan tevens vol of
nieuw is, zij wel 5 gr. 18 m. bedraagt, wanneer de Maan op dien tijd
in het eerste of laatste kwartier is: omdat in het eerste geval de
kracht der Zon, om de loopbaan der Maan naar het vlak der ecliptica
te persen, veel sterker is dan in het tweede.
De grootte der breedte hangt dan niet alleen af van den afstand der
Maan van haren knoop, maar bovendien van haren afstand van de Zon. Doch
deze wordt hier ook ieder oogenblik door eenen wijzer aangetoond (§
92); weshalve men ook gemakkelijk weet, wat men bij de aangewezene
breedte voegen of er van aftrekken moet, om de ware breedte te hebben
[87].