II. AANWIJZING VAN DE BEWEGING DER MAAN OM DE AARDE.

Hiertoe behooren vijf Maanwijzers. De twee groote aan de zoldering

(§ 5), de twee kleine op de regter pilaster, en de bovenste op de

linker pilaster (§ 8).

§ 98.

De Maan beweegt zich om de Aarde in een uitmiddelpuntig, en op de

ecliptica neêrhellend, langrond, volgens de zelfde wetten als de

hoofdplaneten om de Zon. Er hebben dan ook lengte (§ 19) en breedte (§

18), klimmende en dalende knoopen (§ 18), verste en naaste punten (§

16) te haren opzigte plaats. Wij hebben gezien, hoe al die dingen op

het planetarium naauwkeurig omtrent de hoofdplaneten aangewezen worden;

zulks kon aldaar ten opzigte van de Maan niet geschieden, omdat deze,

met de Aarde om de Zon gevoerd wordende, telkens van plaats verandert,

en ook dat de knoopen, het verste en naaste punt der Maan, aan zeer

spoedige veranderingen onderhevig zijn.

Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga · 第 40 / 61 题