Hiertoe behooren vijf Maanwijzers. De twee groote aan de zoldering
(§ 5), de twee kleine op de regter pilaster, en de bovenste op de
linker pilaster (§ 8).
§ 98.
De Maan beweegt zich om de Aarde in een uitmiddelpuntig, en op de
ecliptica neêrhellend, langrond, volgens de zelfde wetten als de
hoofdplaneten om de Zon. Er hebben dan ook lengte (§ 19) en breedte (§
18), klimmende en dalende knoopen (§ 18), verste en naaste punten (§
16) te haren opzigte plaats. Wij hebben gezien, hoe al die dingen op
het planetarium naauwkeurig omtrent de hoofdplaneten aangewezen worden;
zulks kon aldaar ten opzigte van de Maan niet geschieden, omdat deze,
met de Aarde om de Zon gevoerd wordende, telkens van plaats verandert,
en ook dat de knoopen, het verste en naaste punt der Maan, aan zeer
spoedige veranderingen onderhevig zijn.