DERDE HOOFDSTUK.

VERGELIJKING VAN DIT PLANETARIUM MET EENIGE ANDEREN, VOORNAMELIJK DIE

VAN ROEMER, HUIGENS, DESAGULIERS, WRIGHT EN DE BEWEEGBARE SPHAERA

DER BIBLIOTHEEK TE LEIDEN.

§ 37.

Men kan al de planetaria, in het algemeen, tot twee klassen brengen;

de eerste behelst verreweg de talrijke, die namelijk, welke slechts de

betrekkelijke omloopstijden aanwijzen, als wordende door geen uurwerk

gedreven. Tot de tweede klasse behooren die planetaria, welke door

een uurwerk bewogen worden, en dus de ware omloopstijden en de ware

standplaatsen der planeten te kennen geven. Onder deze stukken munten

het planetarium van Huigens en de sphaera der Leidsche bibliotheek

[56] uit. Doch wij zullen op dit verschil niet blijven stilstaan,

omdat het bijvoegen van een uurwerk aan geene andere zwarigheden,

dan al de berekeningen, waarvan wij straks zullen spreken, onderhevig

is. Alleen merk ik aan, dat Huigens zijn planetarium ook in dier voege

heeft ingerigt, dat het door eene kruk, afgezonderd van het uurwerk,

bewogen kan worden, hetwelk insgelijks in de sphaera der Leidsche

bibliotheek plaats heeft.

§ 38.

De werktuigkundigen, die zich op het vervaardigen van planetaria hebben

toegelegd, hebben de bewegingen der planeten of op het vlak vertoond,

zoo als Huigens, Roemer, Desaguliers [57] en de meeste Engelschen,

of in eene sphaera, zoo als die der Leidsche bibliotheek, die van

Pigeon [58], Castel [59], en anderen. Het eerste komt mij ruim zoo

goed voor als het laatste; men zal er de redenen van zien, wanneer wij

het Franeker planetarium met de Leidsche sphaera zullen vergelijken.

Thomas Wright [60], een Engelschman, heeft een middelweg ingeslagen. De

uiterlijke gedaante van zijn planetarium is zoo als bij Huigens;

doch boven op den rand, die tot ecliptica dient, heeft hij de cirkels

geplaatst, welke de evennachtslijn, den keerkring van den Kreeft,

den noorder-poolcirkel en de beide kruis-cirkels (coluri) verbeelden,

alsmede een bewegelijken horizont. Maar ik kan niet zien, dat die

toestel hier van eenig nut is.

Ook zijn er, zoo als Desaguliers en Nollet [61], die hunne planetaria

zoo ingerigt hebben, dat men de verschillende stukken, die er toe

behooren, naar vereisch van zaken, er op kan plaatsen of afnemen;

hetwelk zekerlijk tot het onderwijs van eenige dingen ongemeen

wel geschikt is; doch dit lijdt het bestek van een eeuwigdurend

planetarium, zoo als dat van Huigens, het onze en de Leidsche sphaera,

niet.

§ 39.

Het komt mij eindelijk voor, niet noodig te zijn, in het breede over

de uiterlijke gedaante te spreken. De meeste planetaria, ook dat

van Huigens en het eerste van Roemer, zijn in eene doos besloten,

hebben maar een paar voeten middellijn en kunnen gemakkelijk van de

eene plaats naar de andere gebragt worden. Dat van Eisinga is aan den

zolder gehecht, en beslaat over de 12 voeten middellijn. Deze beide

dingen heeft het met het tweede planetarium [62] van Roemer gemeen;

dit had de zelfde grootte, en was aan den zolder van het koninklijk

observatorium te Koppenhagen vastgemaakt. Het komt er alleen op

aan, welk stuk het beste is; en dit oordeel ik het voordeeligst,

waarin de zaken het naast met den wezenlijken staat overeenkomen,

en het gemakkelijkst kunnen beschouwd worden. Om dan aan te toonen,

hoe ver het Franeker planetarium eene vergelijking kan doorstaan,

zal ik het met die van Huigens, Roemer, Desaguliers, Wright en de

Leidsche sphaera, welke zeker, vooral het eerste en de twee laatste,

onder de uitmuntendste stukken van deze soort behooren gesteld te

worden, vergelijken.

§ 40.

Wij hebben gezien, dat alle de planeetkringen uitmiddelpuntig zijn

(§ 15), en dat de planeten zich, op dit planetarium, alle inderdaad

in dusdanige kringen naar waarheid bewegen (§ 22). Het planetarium

van Huigens is het eenigste, op hetwelk dit ook plaats heeft. Op de

Leidsche sphaera, op het tweede planetarium van Roemer en op dat van

Wright is de uitmiddelpuntigheid niet eens aangewezen; maar wel op

het eerste van Roemer en op dat van Desaguliers. De cirkels, namelijk,

die de uitmiddelpuntigheden aanwijzen, zijn naast de éénmiddelpuntige

sleuven, in welke de planeten zich bewegen, geteekend; doch dit is,

buiten twijfel, zeer onvolmaakt.

§ 41.

De planeten behooren op eene gemakkelijke wijze hare lengte aan te

wijzen (§ 21). Deze is tweederlei: Zon-middelpuntige (heliocentrica)

en Aarde-middelpuntige (geocentrica). De eerste, die de ware is,

heeft plaats, wanneer men zich verbeeldt, dat de planeten uit de Zon

gezien worden; de tweede, die maar betrekkelijk is, is het punt der

ecliptica, in hetwelk de planeten schijnen te zijn, wanneer men ze

uit de Aarde beschouwt.

De Zon-middelpuntige lengte wordt hier door iedere planeet, op den

verdeelden cirkel, die iedere sleuf omringt (§ 24), onmiddellijk

aangetoond. Dit heeft, noch bij Roemer, noch bij Huigens, noch bij

Wright, noch op de Leidsche sphaera plaats [63]. Deze planeetstelsels

worden allen door maar ééne ecliptica omringd; weshalve men,

om de Zon-middelpuntige lengte van eene planeet te vinden, òf

eenen draad over de Zon en de planeet spreiden moet, welke de

lengte op de ecliptica aanwijst, zoo als Huigens en Roemer willen,

òf langs de Zon en de planeet te gelijk; als door de vizieren van

een astrolabium ziende, moet men op de ecliptica den graad zoeken,

die door de verlengde lichtstraal aangewezen wordt, zoo als op de

Leidsche sphaera noodig is [64].

§ 42.

De Aarde-middelpuntige lengte (latitudo geocentrica), of den stand

eener planeet uit onze Aarde beschouwd, kent men ongeveer, wanneer

men zijn oog langs de bolletjes van die planeet en van de Aarde rigt,

om te onderscheiden, op welk punt der ecliptica de gezigtstraal

eindigt. Dit is zeer gemakkelijk te verrigten op dit werktuig,

omdat men zich vlak onder het bolletje der Aarde plaatsen kan. Doch

het gemelde punt toont de begeerde lengte maar ten naasten bij aan;

hetwelk door niemand dergenen, die planetaria beschreven hebben, is

aangemerkt, dan alleen door Huigens, die dit stuk, zoo als andere,

zeer wel heeft ingezien [65]. Om de ware begeerde Aarde-middelpuntige

lengte te hebben, moet men zich eene lijn verbeelden, uit de Zon,

evenwijdig aan de eerstgemelde getrokken, of men moet deze met

een draad inderdaad trekken; het punt, waar die tweede lijn de

ecliptica snijdt, is de begeerde lengte. Bode heeft de reden van deze

tweede verrigting zeer duidelijk opgegeven [66]: deze, namelijk,

dat de Aarde niet, zoo als in de eerste verrigting stilzwijgend

ondersteld wordt, het middelpunt van de geteekende ecliptica is,

maar de Zon. Doch hieruit volgt, dat, hoe kleiner de loopbaan der

Aarde naarmate van den omtrek der ecliptica is, hoe geringer ook

het verschil tusschen de twee verrigtingen zal zijn: en dus is het

ongemeen weinig aanmerkelijk in dit planetarium. Doch niets belet,

om op hetzelve de twee verrigtingen in het werk te stellen.

§ 43.

De knoopen en de verste en naaste punten zijn hier, zoo als wij

gezegd hebben (§ 24, 26, 27), op de cirkels, die elke sleuf omringen,

aangeteekend. Dit heeft ook bij Huigens en Desaguliers plaats; doch

lang zoo duidelijk niet omtrent de knoopen, vermits deze hier terstond

door de plaatsen, waar de cirkel van den binnen- naar den buitenrand,

of van den buiten- naar den binnenrand gaat, onderscheiden worden

(§ 27). Noch knoopen, noch verste, noch naaste punten worden er op

de Leidsche sphaera en het planetarium van Roemer, of dat van Wright

aangewezen.

§ 44.

Wij hebben reeds gezegd, op welke wijze de breedte der planeten hier

zeer naauwkeurig vertoond wordt (§ 27). Zij wordt in het geheel

niet aangewezen bij Roemer, bij Desaguliers en Wright, maar op de

zelfde wijze bij Huigens; doch lang zoo volkomen niet: 1o. omdat

het gedeelte der loopbaan, in hetwelk de breedte zuidelijk is,

lang zoo gemakkelijk niet van het gedeelte, alwaar zij noordelijk

is, te onderscheiden is als hier (§ 27); 2o. omdat Huigens enkel de

grootte der grootste breedte heeft uitgedrukt, maar niet de breedte,

welke de planeet op verschillende plaatsen van hare loopbaan heeft,

hetwelk hier in acht genomen is geworden.

§ 45.

De strekking en de grootte der breedte, dat is de klimming der planeten

boven de ecliptica, of hare daling onder dezelve, wordt dan hier

zeer naauwkeurig aangewezen, hoewel de planeten zich hier alle in het

vlak der ecliptica bewegen. Men heeft door het vlak zelve vertoond,

wat de natuur inderdaad door eene wezenlijke klimming en daling

verrigt. Doch wie ziet niet, dat dit, wat de zaak zelve betreft,

voor den beschouwer op het zelfde uitkomt? In de Leidsche sphaera

heeft men echter de natuur stipter gevolgd: want de planeten rijzen

en dalen er wezenlijk, zooveel als hare noorder- of zuiderbreedte het

vereischt. Dit had men hier ook, zonder eenige moeite, kunnen doen;

doch het is niet mogelijk, op die wijze de ware grootte der breedte

te kennen; alwat men doen kan, is, het oog naauwkeurig in het vlak

der ecliptica houdende, te bespeuren, of de planeet in, of boven,

of beneden de ecliptica is, en dus of geene, of eene noorder- of eene

zuiderbreedte heeft. Maar de hoek van helling, of de breedte, waar het

eigenlijk op aankomt, kan, op die wijze, niet opgemaakt worden. Hoewel

dan deze wijze, in den eersten schijn, nader met de natuur overeenkomt,

is zij echter, om de verrigtingen der natuur voldoende te verbeelden,

minder geschikt dan de eerstgemelde.

§ 46.

De hoofd-planeten draaijen alle om hare as (§ 32). Die beweging

heeft hier, noch bij Huigens, noch bij Roemer, noch bij Desaguliers

omtrent geene der hoofd-planeten plaats; doch wel bij Wright, ten

aanzien der Zon, van Venus, de Aarde, Mars en Jupiter, van welke de

omloopstijden bekend zijn; en op de Leidsche sphaera alleen ten aanzien

der aarde. Deze beweegt daar in 24 uren op hare as, en derwijze, dat

die as altijd aan zich zelve evenwijdig blijft. Dit is dan op die

sphaera eene volmaaktheid meer; doch die van zoo veel nut niet is,

als het in het eerste opzigt wel schijnt, omdat het aardbolletje,

hoewel met eenen beweegbaren gezigteinder en meridiaan voorzien,

te klein is, om met vrucht eenige astronomische vraagstukken op te

lossen. Daartoe is het planetarium van Nollet, of dat gedeelte van

het planetarium van Desaguliers, hetwelk tot ontvouwing der bewegingen

van de Aarde ingerigt is, veel geschikter. Doch, hoe men de zaak ook

beschouwe, is het niet vertoonen van deze beweging geen gebrek in het

Franeker planetarium, vermits dezelve met de verschijnsels, die er

uit voortspruiten, zeer naauwkeurig op het hemelsplein verbeeld worden.

In het groote planetarium van Desaguliers blijft ook de ring van

Saturnus altijd evenwijdig aan zich zelven, dat hier, noch, zooveel

ik weet, ergens plaatsheeft, en echter, om de verschijnselen van de

verdwijning en de verscheidene gestalten van Saturnus ring, zoo als

die uit de Aarde gezien wordt, duidelijk aan te toonen, zeer dienstig

zijn kan.

Het zoude niet moeijelijk zijn, beide deze dingen ook op dit

planetarium te vertoonen.

§ 47.

Op het planetarium van Huigens is nog een stuk, hetwelk daar en op

het onze alleen vertoond wordt, en van veel gewigt is: dit, namelijk,

dat de planeten zich met ongelijke snelheden in de verschillende

perken harer loopbanen bewegen, en de wetten der ware anomalie (§ 28)

volgen. Dit heeft Huigens op eene zeer schrandere, doch eenvoudige,

wijze verrigt, met, namelijk, het rad, dat de planeet beweegt, niet

éénmiddelpuntig met de loopbaan der planeet te leggen, maar zoo veel

uitmiddelpuntig aan den anderen kant der Zon, als de evenredigheid van

de grootte des rads en die der ware uitmiddelpuntigheid der loopbaan

het vereischen. Wij hebben te voren (§ 28) gezien, hoe Eisinga het

zelfde uitwerksel verbeeld heeft, niet door aan de planeten zelve

eene onregelmatige snelheid te geven, maar door de ongelijkheid der

beweging op de graden, welke zij aantoont, te brengen, dat voor den

beschouwer op het zelfde uitkomt.

§ 48.

Het blijkt uit het gezegde, dat ons Franeker planetarium, wat de

hoofd-planeten betreft, voor de andere niet behoeft te wijken; dat het

in eenige opzigten vollediger is, en dat er op de Leidsche sphaera

niets meer dan de beweging der Aarde om hare as, op het planetarium

van Desaguliers niets meer dan de evenwijdige stand van Saturnus ring,

en op dat van Wright niets meer dan enkel de omwentelingen der planeten

om hare assen, vertoond worden. Waarbij komt, dat de schijnbare weg der

Zon en hare declinatie op geen der gemelde stukken aangewezen worden,

doch hier integendeel zeer naauwkeurig.--Ik ga tot de satelliten over.

§ 49.

De Maan is de eenigste satelliet, wiens beweging hier gezien wordt,

hetwelk ook op het planetarium van Huigens en het eerste van Roemer

plaats heeft, en wel op de zelfde wijze. Op de Leidsche sphaera en het

planetarium van Wright beweegt zich de Maan, daarenboven, volgens hare

ware helling op de ecliptica, en toont dus hare breedte aan. Doch dit,

hoe fraai het ook in den eersten opslag moge voorkomen, is van weinig

belang, omdat die breedte even weinig als die der hoofdplaneten kan

waargenomen worden (§ 45). Bovendien zijn de Maansknoopen aan eene zeer

snelle beweging onderworpen, die, vermits er in de beschrijving niets

van te vinden is, zekerlijk in de Leidsche sphaera niet aangetoond

wordt, maar wel bij Wright, bij wien ook de helling der Maan veel

duidelijker dan op de Leidsche sphaera vertoond wordt. Doch de beweging

van het verste en naaste punt is bij Wright geheel achtergelaten. Maar

al die ongeregeldheden van de beweging der Maan worden op het derde

gedeelte van het Franeker planetarium zeer naauwkeurig aangewezen.

§ 50.

Maar hierin overtreft de Leidsche sphaera het Franeker planetarium,

dat, namelijk, de satelliten van Jupiter zich daarop in hunne ware

tijden om Jupiter bewegen, en tevens met dezen om de Zon gevoerd

worden; en het is ook, zoo veel ik weet, het eerste stuk van dien

aard, waarop deze vertooning plaats gehad heeft [67]. Wright heeft

de Leidsche sphaera hierin gevolgd, en bovendien de betrekkelijke

bewegingen der satelliten van Saturnus ook verbeeld; hoewel deze

vertooning, wegens de groote helling van vier dezer satelliten,

onvolmaakt is, omdat die helling hier niet vertoond is. Het zoude niet

bezwaarlijk zijn, deze bewegingen nog op het Franeker planetarium aan

te brengen; maar de afstanden der satelliten van Jupiter, en nog minder

die van Saturnus, zouden er, even weinig als op de Leidsche sphaera,

hunne ware betrekkingen met de grootte van hunne hoofd-planeten

kunnen behouden.

Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga · 第 28 / 61 题