2. Zij moeten in hare ware tijden om de Zon draaijen (§ 14).

3. Men moet te allen tijde hare lengte (§ 19), breedte (§ 18), knoopen

(§ 18), verste en naaste punten (§ 16), duidelijk en gemakkelijk

kunnen gewaar worden.

4. De planeten moeten de wetten der ware anomalie (§ 17) volgen,

en dus in gelijke tijden minder ruimte afleggen bij het verste dan

bij het naaste punt.

§ 22.

Het planetarium van Eisinga beantwoordt ten volle aan die vier

vereischten.

Al de kringen, in welke de planeten zich bewegen, zijn uitmiddelpuntig,

en ieder zoo veel, als de waarnemingen het geleerd hebben (§ 15):

zoodat de planeten nu digter bij de Zon zijn, dan verder van haar

af, dan in hare middelafstanden zijn. Deze zijn in de evenredigheid,

welke wij hier boven (§ 15) bepaald hebben.

§ 23.

De raderen, aan welke de stijltjes, die de planeetbollen dragen,

gehecht zijn, en de rondsels, die haar de beweging, welke zij van

het uurwerk (§ 10) ontvangen, mededeelen, zijn met zoo vele tanden

voorzien, als noodig is, om de gemelde ware omloopstijden voort

te brengen. De raderen bestaan uit houten cirkels, op rolletjes

bewegelijk, welke met ijzeren staafjes, die als tanden dienen,

voorzien zijn. Eene omslagtige beschrijving van het raderwerk zoude

zonder platen niet wel verstaanbaar zijn. Het zij genoeg aan te merken,

dat de raderen op de zelfde wijze als in het planetarium van Huygens

ondersteund worden.

De sleuven, in welke de Aarde, de vijf hoofd-planeten en de Zon-wijzer

(§ 3) zich bewegen, verdeelen de zoldering in zeven uitmiddelpuntige

banden of riemen, die door schroeven aan de balken gehecht zijn, en

des noods er uit geligt kunnen worden, opdat men bij het raderwerk

zoude kunnen komen; zoo als, b.v. vereischt werd, om de raderen en

rondsels op hare behoorlijke plaatsen te stellen.

§ 24.

De rand van iederen band of riem, die het naast aan de sleuf komt,

is, voor de planeten Saturnus, Jupiter, Mars en de Aarde, netjes in

teekenen en graden verdeeld; doch voor Venus maar van 5 tot 5, en voor

Mercurius maar van 10 tot 10 graden, daar deze kringen te klein zijn,

dan dat alle graden duidelijk zouden kunnen zijn. Behalve dit, zijn om

den kring der Aarde, in den buitenrand, de namen der maanden en het

getal der dagen geschilderd. Iedere planeet toont dan onmiddellijk

hare lengte op eene zigtbare wijze aan.

Op ieder dezer verdeelde en zeer net geschilderde cirkels wordt het

naaste en verste punt, door de letters N. P. en V. P. zeer duidelijk

aangewezen. Die letters zijn op die plaatsen, waar de gemelde punten

zich inderdaad bevinden; namelijk het verste punt [50]:

van Mercurius in Sagittarius 13 gr. 33 m.

Venus ,, Aquarius 8 ,,  13 ,,

de Aarde ,, Capricornus 8 ,,  38 ,,

Mars ,, Virgo 1 ,,  28 ,,

Jupiter ,, Libra 10 ,,  22 ,,

Saturnus ,, Sagittarius 29 ,,  53 ,,

§ 25.

Omtrent deze verste en naaste punten dient men aan te merken, dat

zij niet aan den hemel onveranderlijk blijven staan, maar door

eene dubbele oorzaak, volgens de orde der teekenen, allengskens

voortrukken: namelijk, én door den voortgang der nacht-eveningen

(praecessio aequinoctiorum), én door de onderlinge aantrekking der

planeten. Volgens de uitkomsten der naauwkeurigste waarnemingen,

door den heer La Lande bijgebragt, is de snelste voortrukking (die

van Venus verste punt) 4 gr. 10 m. in eene eeuw, of 2 1/2 minuten

's jaars; en de traagste (die voor Jupiter) 1 gr. 43 m. in eene

eeuw, of 1 minuut 's jaars. Deze bewegingen zijn noch op dit, noch,

zoo veel ik weet, op eenig ander planetarium, werkstellig gemaakt:

niet, dat dit bezwaarlijk ware; maar het nut zoude geenszins aan

de moeite en kosten beantwoorden. Gemakkelijk is het, de letters

N. P. en V. P., die op den kring staan, alle vijftig of honderd jaren

iets te verschuiven. En welk werktuig is er dat niet, na verloop van

zoo vele jaren, wel eenige herstelling, ten minste van schildering,

noodig heeft?

§ 26.

Iedere planeet wijst ook hare eigene breedte (§ 18) zeer duidelijk

aan. Te dien einde zijn vooreerst de plaatsen, zoo van den klimmenden

als den dalenden knoop, door de twee teekenen, welke daartoe door de

sterrekundigen gebruikt worden, op den reeds beschreven lengte-cirkel

(§ 24) aangewezen. De plaatsen der knoopen zijn als volgt [51]:

voor Mercurius in Taurus 15 gr. 21 m.

Venus ,, Gemini 14 ,,  26 ,,

Mars ,, Taurus 17 ,,  36 ,,

Jupiter ,, Cancer 8 ,,  16 ,,

Saturnus ,, Cancer 21 ,,  31 ,,

Deze plaatsen zijn ook aan eenige verandering onderhevig, doch die

is te klein, om hier in eenige aanmerking te komen: want de grootste

(die van Jupiter) bedraagt maar ééne minuut in eene eeuw.

§ 27.

De knoopen dus bepaald zijnde, is de verdeelde cirkel, die bij de

sleuf van iedere planeet ter aanwijzing der lengte dient (§ 24),

van den klimmenden tot den dalenden knoop aan den buitenrand, en

van den dalenden tot den klimmenden aan den binnenrand der sleuf

geteekend: zoodat men, zonder te zoeken, met één opslag van het oog

ziet, of de breedte van eene planeet noordelijk dan zuidelijk is:

want de buitenrand toont de noordelijke, de binnenrand de zuidelijke

breedte aan.

Om de grootte der breedte aan te toonen, gaat er door de knoopen van

den lengte-cirkel een andere cirkel, die voor de noorderbreedte boven

den buitenrand, en voor de zuiderbreedte onder den binnenrand van

gemelden lengte-cirkel geteekend is, en in wiens omtrek de grootte

der breedte, van 5 tot 5, of van 10 tot 10 gr. lengte, is aangeteekend.

§ 28.

Wij hebben gezegd (§ 17), dat de planeten met eene ongelijke

snelheid voortgaan, en dat hare ware plaatsen verschillen van die,

op welke zij zouden staan, indien zij met eene eenparige snelheid

voortgingen. Deze ware standplaatsen, of anomaliën der planeten,

worden ook op dit planetarium aangewezen, hoewel de planeetbolletjes

zelve, als welke door een gelijkgaand raderwerk voortgedreven worden,

eene bestendige snelheid hebben. Te dien einde zijn de graden, die op

den lengte-cirkel van iedere planeet geteekend zijn (§ 24), niet even

groot, maar grooter bij het verste, en kleiner bij het naaste punt;

van het eerstgemelde tot het laatstgemelde in de zelfde evenredigheid

afnemende als de snelheid van de planeet toeneemt. Weshalve de

planeet, omtrent beide die plaatsen eene ruimte van zes duimen,

b.v. doorloopende, zij in de eerste plaats door een minder getal

graden dan in de tweede voortrukt: hetwelk dan, wat het uitwerksel,

de aanwijzing namelijk, betreft, op het zelfde uitkomt, alsof de

planeet inderdaad met eene ongelijke beweging voortgegaan ware.

§ 29.

Dit zoude genoeg zijn, om aan de vier vereischten, die wij (§ 21)

opgegeven hebben, te voldoen; doch dit is nog niet alles, wat op

dit planetarium vertoond wordt. Want, hoewel de Aarde inderdaad

om eene stilstaande Zon gevoerd wordt, zijn wij echter gewoon de

Aarde als stilstaande, en de Zon als zich bewegende, te beschouwen;

waarom ook de sterrekundigen de verschijnselen, welke de wezenlijke

beweging der Aarde voortbrengt, aan eene schijnbare beweging der Zon

toeschrijven. Dit heeft Eisinga genoopt, deze schijnbare beweging

te vertoonen. Te dien einde is er buiten den kring van Saturnus eene

zevende sleuf, die de zelfde uitmiddelpuntigheid als de loopbaan der

Aarde, of schijnbare weg der Zon, heeft. Door deze sleuf beweegt zich

een wijzer, die ieder oogenblik den schijnbaren stand der Zon op de

ecliptica aantoont, dat is, den schijnbaren weg der Zon te kennen geeft

(§ 3).

De buitenrand van deze sleuf is in twee banden verdeeld: op den eersten

zijn de twaalf maanden van het jaar, en op den tweeden de dagen van

iedere maand geteekend; aan den binnenrand zijn ook twee banden: op

den eersten zijn de graden, op den tweeden de teekens van de ecliptica

geschilderd. Deze wijzer staat altijd regtstreeks over de Aarde,

zoodat, wanneer b.v. de Aarde in den eersten graad van Aries is,

de wijzer den eersten graad van Libra aantoont, en zoo vervolgens.

§ 30.

Een en de zelfde wijzer toont derhalve én de dagen, én de maanden,

én de graden, die de Zon op de ecliptica schijnt door te loopen,

dat is, de schijnbare lengte der Zon, aan. Maar, gelijk de Aarde

hare baan met ongelijke schreden in gelijke tijden doorloopt (§

17, 18), zoo schijnt de Zon het ook te doen, en hare schijnbare

beweging is ongelijkvormig; daar de dagen, integendeel, als alle

uit vier-en-twintig gelijke uren bestaande, met eene gelijkvormige

beweging voortgaan. Een en de zelfde wijzer moet dan, om de dagen en

maanden aan te wijzen, eene gelijkvormige beweging hebben, en tevens

het uitwerksel eener ongelijkvormige, de lengte namelijk der Zon,

te kennen geven. Dit laatste geschiedt op de volgende wijze:

De band, die aan den binnenrand der sleuf geteekend is (§ 29), is noch

aan de sleuf, noch aan den band der maanden en dagen evenwijdig, maar

aan beide uitmiddelpuntig. Hiervan komt het, dat de wijzer, wanneer de

Zon in het verste punt is, met het achterste einde de graden aanwijst,

doch wanneer zij in het naaste punt is, met het midden. In dit laatste

geval passen de zelfde graden op een boog van een grooter cirkel: want

de cirkel, dien het midden des wijzers beschrijft, is grooter dan die,

welke het einde beschrijft; zoodat die graden hier op den zelfden boog

meer in getal passen, dan wanneer de Zon in het verste punt is; dus

schijnen er in den zelfden tijd meer graden doorgeloopen te worden;

dat is, de schijnbare beweging is grooter in het naaste dan in het

verste punt.

§ 31.

De Zon schijnt zich op de ecliptica te bewegen, zoo als de Aarde

het inderdaad doet. Maar de ecliptica is niet evenwijdig aan de

evennachtslijn of aequator der Aarde, doch helt op dezelve met

eenen hoek van 23 1/2 gr., en snijdt den aequator in twee punten,

in Aries, namelijk, en in Libra. De Zon bevindt zich dan maar

tweemalen des jaars, met het begin van de lente en van de herfst,

in de evennachtslijn, en is al den overigen tijd of boven of onder

dezelve. Deze afstand der Zon (of ook van eene ster) van den aequator

wordt hare declinatie of afwijking geheeten, en deze is noordelijk,

wanneer de Zon boven, en zuidelijk, wanneer zij onder den aequator

is. De Zons-declinatie wordt ook op dit planetarium, door den zelfden

wijzer, die de schijnbare lengte der Zon aanteekent, aangewezen. Het

is zeer eenvoudig.

De cirkel, die den schijnbaren zonneweg verbeeldt, is, zoo als wij

gezegd hebben, de laatste van allen, en wordt onmiddellijk door

de plinten van de zoldering omringd. Die plinten maken dus een, om

den cirkel beschreven, vierkant uit. De getallen, die de declinatie

in graden en minuten uitdrukken, zijn op die plinten, van 5 tot 5

minuten, zeer zigtbaar geschilderd; en van 10 tot 10 minuten gaat er

eene lijn van de plint naar de verbeelde dagen, welke de declinatie,

die op dien dag plaats heeft, te kennen geeft. Weshalve de wijzer de

declinatie der Zon, zoo als ook de dagen en maanden, met zijn voorst-

of buiteneinde aanwijst op den zelfden tijd als hij, beurtelings met

het achterste einde en het midden, de teekenen en graden aantoont.

§ 32.

Hoewel wij zeker weten, dat de Zon, de Aarde, Jupiter, Mars en Venus

[52] op hare assen draaijen, en het zeer waarschijnlijk is, dat dit

voor al de planeten plaats heeft, is deze beweging hier echter niet

vertoond; niet omdat het bezwaarlijk was uit te voeren, maar omdat

het van weinig nut zoude geweest zijn.

§ 33.

Dit zij genoeg aangaande de hoofd-planeten. Men ziet, hoe volledig

het planetarium te dien opzigte is.--Ik ga tot de manen, satelliten

of wachters, over.

De Aarde wordt hier van hare Maan vergezeld. Deze beweegt zich 1. op

haar eigen as, 2. om de Aarde, en wordt 3. eens des jaars met de

Aarde om de Zon gevoerd.

De Maan draait op haar eigen as ongeveer in den zelfden tijd, in

welken zij 360 graden om de Aarde volbrengt; dat is, in 27 d. 7 u. en

43 m. Vandaar komt het, dat de Maan ons altijd de zelfde oppervlakte

vertoont. Deze planeet wordt hier door een bolletje verbeeld, dat in

den gemelden tijd om de Aarde draait; doch er verloopen tusschen een

conjunctie der Maan met de Zon en de naastvolgende 29 d. 12 u. 44

m., omdat de Aarde niet stil staat, maar in haren kring om de Zon

voortgaat (§ 86, 87). De vergulde of verlichte zijde is altijd naar

de Zon toegekeerd; en naar de Aarde de vergulden of de zwarte zijde,

of een grooter of kleiner gedeelte der vergulde, naarmate de Maan

of vol, of nieuw, of tusschen vol en nieuw is: zoodat men alle de

lichtgestalten der Maan in hare juiste tijden gewaar wordt.

§ 34.

Om Jupiter bewegen zich vier satelliten, en Saturnus heeft er vijf. Zij

zijn naar behooren rondom Jupiter en Saturnus afgebeeld, doch bewegen

zich op dit planetarium niet afzonderlijk [53].

§ 35.

Saturnus pronkt hier ook met zijnen ring. De middellijn des rings is

twee en een derde malen grooter, dan die van het ligchaam van Saturnus;

de breedte is een derde van die zelfde middellijn, en de ruimte,

tusschen den bol van Saturnus en den binnensten rand van den ring,

is aan de breedte des rings gelijk. De ring helt op de ecliptica met

eenen hoek van 31 gr. 23 m. en snijdt de ecliptica in den 17 gr. van

de Maagd [54].

§ 36.

Ziedaar eene vrij volledige beschrijving van hetgeen op het eerste

gedeelte van ons Franeker kunststuk, op het planetarium namelijk,

vertoond wordt, en op welke wijze. Wij hebben reeds gezegd, dat dit

stuk door den maker voltooid was, alvorens hij iets van dergelijke

stukken gezien of gelezen had [55]. Het zal derhalve niet onaangenaam

zijn, dit stuk met eenige andere, van gelijken aard, en door zeer

ervarene wis- en sterrekundigen vervaardigd, te vergelijken, en na

te gaan, in hoe verre dit stuk deze vergelijking kan doorstaan.

Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga · 第 27 / 61 题