BESCHRIJVING VAN HET EIGENLIJK GEZEGDE PLANETARIUM.

§ 14.

Om de beschrijving van het planetarium voor een ieder duidelijker

voor te stellen, en opdat men gemakkelijker zoude kunnen beoordeelen,

wat een dergelijk stuk behoort aan te wijzen, zal het niet ondienstig

zijn, hier eene algemeene schets van den toestand en de bewegingen

der planeten te geven.

Ons planeetstelsel bestaat uit de Zon, uit zes hoofd-dwaalsterren, en

tien kleine dwaalsterren, satelliten, wachters of manen geheeten. De

hoofd-dwaalsterren draaijen alle om de Zon, de satelliten om die

hoofd-planeten, tot welke zij behooren, en worden tevens met deze om

de Zon gevoerd.

De omloopstijden der hoofd-planeten zijn zeer verschillende, en,

naar de nieuwste en naauwkeurigste waarnemingen, als volgt:

Mercurius in 87 d. 23 u. 14 m. 26 s. of in 2111.741 u. [46]

Venus ,, 224 d. 16 u. 41 m. 32 s. ,, ,, 5392.692 u.

De Aarde ,, 365 d. 5 u. 48 m. 45 s. ,, ,, 8765.812 u.

Mars ,, 686 d. 22 u. 18 m. 27 s. ,, ,, 16486.307 u.

Jupiter ,, 11 j [47] 315 d. 8 u. 58 m. 27 s. ,, ,, 103928.974 u.

Saturnus ,, 29 j. 164 d. 7 u. 21 m. 50 s. ,, ,, 257981.364 u.

NB. Vergelijk bij deze en verdere opgaven de achter dit werkje

gevoegde tabellen.

§ 15.

De kringen, welke de planeten om de Zon beschrijven, zijn niet

cirkelvormig, maar langrond, en de Zon staat niet in het middelpunt

derzelve, maar op een zekeren afstand van het middelpunt van iederen

kring. Dit noemt men de uitmiddelpuntigheid (excentricitas) van

iedere planeet.

Deze uitmiddelpuntigheid is voor iedere planeet zeer

verschillende. Indien men den gemiddelden afstand der Aarde van

de Zon gelijk aan 1000 stelt, zullen de gemiddelde afstanden en de

uitmiddelpuntigheden der planeten zijn als volgt:

Afstand. Uitmiddelpuntigheid.

Mercurius 38- 80 of 2/10 ged. des afst. van Merc. van de Zon.

Venus 723- 5 ,, 7/1000  ,,  ,,   ,,   ,,  Venus ,,  ,,  ,,

De Aarde 1000- 17 ,, 17/1000  ,,  ,,   ,,   ,,  de Aarde ,,  ,,  ,,

Mars 1524- 142 ,, 93/1000  ,,  ,,   ,,   ,,  Mars ,,  ,,  ,,

Jupiter 5201- 253 ,, 49/1000  ,,  ,,   ,,   ,,  Jupiter ,,  ,,  ,,

Saturnus 9539- 532 ,, 59/1000  ,,  ,,   ,,   ,,  Saturnus ,,  ,,  ,,

De uitmiddelpuntigheid van Mercurius is dan zeer aanmerkelijk, en

verreweg de grootste; daarop volgt die van Mars.

Hoewel de loopbanen der planeten langrond zijn, verschillen zij echter

alle (uitgenomen die van Mercurius) zoo weinig van den cirkel, dat men

gewoon is, dezelve door cirkels te verbeelden, welker middelpunt zoo

ver van de Zon af is, als de uitmiddelpuntigheid van iedere planeet

het vereischt.

§ 16.

Uit hetgeen wij zoo even (§ 15) wegens de gedaante en

uitmiddelpuntigheden van de loopbanen der planeten gezegd hebben,

volgt, dat de afstand eener planeet van de Zon niet altijd de zelfde,

maar nu grooter, dan kleiner is. Mercurius, b.v. is in zijn kleinsten

afstand een vijfde gedeelte des geheelen afstands digter bij de Zon

dan bij het middelpunt zijns krings; en in zijn grootsten afstand een

vijfde gedeelte verder van de Zon dan van het gemelde middelpunt;

en derhalve is Mercurius in zijn grootsten afstand 2/5 gedeelten

verder van de Zon, dan in zijn kleinste.

Iedere planeet is dan ééns in zijn omloop in den grootsten, en ééns

in den kleinsten afstand van de Zon: het eerstgemelde punt wordt het

verste punt (aphelium), het laatstgemelde het naaste punt (perihelium)

genaamd.

§ 17.

Vermits de planeten niet altijd even ver van de zon zijn (§ 16), hebben

zij geene eenvormige beweging, maar zij bewegen zich sneller naarmate

zij digter bij, en trager naarmate zij verder van de Zon afzijn. De

snelheid is de kleinste in het verste punt, wordt allengskens grooter

naarmate de planeet digter bij het naaste punt komt, en aldaar is zij

de grootste; zij neemt vervolgens hoe langer hoe meer af, wanneer de

planeet van het naaste naar het verste punt gaat.

De sterrekundigen zijn gewoon, hunne rekeningen van het verste punt

te beginnen; zij noemen ware anomalie den afstand eener planeet van

het verste punt, en middelbare anomalie dien afstand, op welken de

planeet zich van het verste punt zoude bevinden, indien zij met eene

eenvormige beweging en hare middelbare snelheid ware voortgegaan. De

ware anomalie is kleiner dan de middelbare, wanneer de planeet van het

verste punt (alwaar de beweging het traagst is) naar het naaste punt

gaat; en grooter, wanneer zij van het naaste punt (waar de beweging

het snelst is) naar het verste punt gaat. In de verste en naaste

punten zijn de ware en de middelbare anomaliën gelijk.

§ 18.

De baan, welke de Aarde doorloopt, en in welke de Zon zich derhalve

schijnt te bewegen, wordt ecliptica of taanrond geheeten, en in twaalf

teekenen, Aries, Taurus enz., ieder van 30 gr. verdeeld [48]. De

kringen der overige planeten zijn niet in het vlak van de ecliptica,

of aan de ecliptica evenwijdig, maar zijn op dezelve hellende, de

eene meer, de andere minder, en snijden haar in twee punten, knoopen

genaamd. De planeet bevindt zich dan, gedurende haren loop, somtijds

boven, somtijds beneden de ecliptica, en twee malen in de ecliptica

zelve, of in hare knoopen. De afstand, op welken de planeet boven of

onder de ecliptica is, wordt hare breedte geheeten: noorderbreedte,

zoo de planeet boven, en zuiderbreedte, zoo de planeet beneden de

ecliptica is. Klimmende knoop is het punt, in hetwelk de planeet de

ecliptica snijdt, wanneer zij zich daar boven staat te verheffen,

en dalende knoop het punt der snijding, wanneer de planeet onder de

ecliptica begint te dalen.

§ 19.

De sterrekundigen zijn gewoon, al de bewegingen der planeten tot de

ecliptica te brengen, en beginnen hunne telling van het eerste punt,

van het teeken Aries. Zij noemen den afstand der Zon, of eener planeet,

van het gemelde punt Aries, de lengte der Zon of der planeet; die

lengten nemen zij op de ecliptica, en drukken dezelve in teekenen,

graden en minuten uit.

§ 20.

De planeten zijn niet alle even groot. Wanneer men de middellijn der

Aarde door 100 uitdrukt, staan de middellijnen der Zon en verdere

planeten in de volgende evenredigheid:

De middellijn der Zon 11279.

van Mercurius 41.

Venus 97.

de Aarde 100.

de Maan 27.

Mars 67.

Jupiter 1140.

Saturnus 1010.

Van den ring van Saturnus 2357. [49]

Het is niet mogelijk, de grootte der planeetbollen, naar hare

onderlinge betrekking, en tevens naar de evenredigheid van hare

afstanden van de Zon, te schikken. Want, indien het bolletje, dat de

Aarde verbeeldt, maar ééne lijn in middellijn beslaat, dat zekerlijk,

om duidelijk te zijn, veel te klein is, zal de Zon 9 1/2 duimen

beslaan, doch de Maan maar 1/4 lijn, en dus bijna onzigtbaar zijn;

en echter, vermits de middel-afstand der Zon van de Aarde 107 1/2

malen grooter dan de middellijn van de Zon is, zoude die afstand 84

voeten, en die van Saturnus 800 voeten beslaan; welke grootte aan

geen werktuig van deze soort gegeven kan worden.

Men is dan genoodzaakt hiervan af te zien, en heeft alleen zorg te

dragen, dat het bolletje van Mercurius (in middellijn) omtrent de

helft zij van Venus; Venus iets, doch de Maan vier malen, en Mars een

derde kleiner dan de Aarde; en Jupiter elf, Saturnus tien, en de ring

van Saturnus vier-en-twintig malen grooter dan de Aarde zij.

§ 21.

Uit hetgeen tot hiertoe gezegd is, blijkt, dat men in een goed

planetarium de volgende stukken, de hoofd-planeten betreffende,

in acht moet nemen.

1. De planeten moeten op hare betrekkelijke afstanden en in hare ware

uitmiddelpuntigheden geplaatst zijn (§ 15).

Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga · 第 26 / 61 题