W. EEKHOFF.

OPDRAGT

VAN DEN EERSTEN DRUK DEZER BESCHRIJVING,

AAN

DEN WELEDELEN HEER

Mr S. P. VAN SWINDEN,

J. U. D. ADVOCAAT VOOR DEN HOVE VAN HOLLAND.

Waarde Broeder!

Zie hier eene Beschrijving, welke, zoo ik hoop, de gevoelens van

verwondering, door welke ik, op het zien van het kunststuk van den

Vroedsman Eisinga, ben aangedaan geweest, en die in de brieven, welke

ik u over dit onderwerp geschreven heb, zeer sterk doorstraalden,

ten volle zal billijken. Die verwondering echter, welverre van door

den tijd te slijten, is, daar ik nu het stuk dóór en dóór ken, nog

grooter, dan zij in den beginne was.

Twee redenen hebben mij aangezet, om deze Beschrijving in 't licht te

geven. Vooreerst, omdat het mij is voorgekomen, dat Eisinga ten hoogste

verdient, wegens zijn vindingrijk vernuft en bijzondere vermogens

voor de werktuigkunde, overal bekend te worden. De Engelschen roemen

te regt op eenen Harrison, een timmerman, die eensklaps, door zijn

vernuft, een der grootste werktuigkundigen geworden is, en, tot zijn

geluk, op een stuk viel, waardoor hij zich verrijkt heeft [32]. Zij

prijzen hemelhoog eenen Ferguson, die, maar een boer zijnde, zich

op de werktuigkunde toegelegd, en daarin groote vorderingen gemaakt

heeft [33]. Waarom dan zouden de Friezen zich niet, met evenveel

reden, beroemen op eenen Fries, die, in dergelijke omstandigheden,

niet minder vernuft en kundigheden heeft getoond te bezitten, en die,

ten opzigte zijner vermogens in die stukken, voor velen niet behoeft

te wijken? Geen ander middel, om dit te weeg te brengen, was er in

mijne magt, dan het werk te beschrijven, en den maker door hetzelve

aan het algemeen te doen kennen. Met dit te doen, heb ik aan den pligt

van een geletterd persoon voldaan, die niets, dat tot bevordering

van kunsten en wetenschappen dienen kan, verwaarloozen mag; en ik

meen dien van een goed burger niet te verzuimen, met iemand, die

tot roem strekt der stad, in welke ik leef, zoo veel ik kan bekend

te maken. Dit doe ik nu, naar mijne vermogens, ten opzigte van ons

land, door deze Beschrijving; dit heb ik reeds ten opzigte van het

buitenland gedaan, door eene korte schets van dit kunststuk aan de

Akademie der wetenschappen te Brussel, aan Zijne Excellentie den

heer prins van Gallitzin, aan den vermaarden heer De Luc te Londen,

aan den beroemden vader Copte te Montmorenci, en aan den heer Gaussen

te Montpellier toe te zenden. Uit deze Beschrijving zult gij kunnen

opmaken, of die schetsen, welke gij voor het afzenden gelezen hebt,

genoegzaam naauwkeurig waren. Niets, dan gebrek aan tijd, heeft mij

belet, dit overheerlijk stuk, tot nu toe, aan mijne correspondenten

te Parijs, te Petersburg, in Duitschland, Zwitserland en Italië mede

bekend te maken. Meer te doen tot aankweeking van vernuft en nuttige

bekwaamheden, is buiten mijn bereik. Vergeldingen van eenen anderen

aard, hangen van mij niet af.

Bij deze reden, die bij mij veel gewigts heeft, omdat zij met het

denkbeeld van pligt gepaard gaat, voegt zich nog eene andere: het

nut, namelijk, dergenen, die liefhebberij hebben, om het kunststuk

te bezigtigen. Mijne eigene ondervinding heeft mij doen besluiten,

dat het niet mogelijk is, alles grondig na te gaan, ten zij men eerst

wete, wat men behoort te zien, en op welke stukken men zijne aandacht

vooral behoort te vestigen. Gij begrijpt wel, dat ik hier niet van

sterrekundigen spreek: aangaande deze kan ik uit mijne ondervinding

niets besluiten; ik spreek alleen van dezulken, die, zoo als wij

beiden, enkel uit liefhebberij iets van de sterrekunde verstaan,

en voor wien het derhalve noodig is, dat ieder stuk afzonderlijk

ontwikkeld worde om het te beter in zijnen zamenhang te onderscheiden.

Hoewel ik verscheidene planetaria, en van verschillende soorten,

gezien heb, en mijne gedachten weleens over dergelijke stukken heb

laten gaan, zoo als gij u misschien herinneren zult, dat ik u reeds

voor vele jaren eene schets van een zeer eenvoudig planetarium gezonden

heb; hoewel ik ook verscheidene werken over die stof heb doorbladerd,

moet ik echter bekennen, dat, toen ik het kunststuk van Eisinga, met

twee mijner ambtgenooten en vrienden, op den 22 Februarij 1780, voor de

eerstemaal bezigtigde, ik daartoe wel twee uren besteedde, en in eene

wezenlijke verrukking over deszelfs fraaiheid vervoerd was geworden,

ik echter op verre na niet alles volkomen had ingezien. Ik was door

de veelvuldigheid der stukken, en misschien door de verwondering, als

overstelpt. Te huis gekomen zijnde, ging ik alles na; teekende het

aanmerkelijkste op; liet mijne gedachten over dergelijke werktuigen

gaan; las verscheidene schrijvers, om, zoo veel mij doenlijk was, de

innerlijke waardij van het stuk, naar vereisch, te overwegen, zelfs

afzonderlijk van de omstandigheden des makers. Dit overdenkende,

bleek het mij niet mogelijk te zijn, dat ik alles volmaakt gezien

had: want ik bevond, dat hij, die bekwaam geweest was, om hetgene,

dat ik wel gezien had, te maken, voorzeker vernufts genoeg gehad

moest hebben, om verder te gaan, en dingen te vervaardigen, welke ik

dacht dat ontbraken, omdat ik mij niet herinnerde, dezelve gezien te

hebben. Ik stelde dan eenige gedachten en vragen op, ten deele ook,

om mij daardoor in staat te stellen, om in het vervolg met meerder

grond over dit stuk te kunnen spreken. Kort daarna, namelijk den 13

Maart, bekwam ik met eenige goede vrienden de gelegenheid, om hetzelve

nader te beschouwen, waartoe wederom eenige uren besteed werden; toen

vernam ik inderdaad, dat mij de eerste reize, niettegenstaande mijne

aandacht en oplettendheid, vrij wat ontglipt was; ik bespeurde, wat ik

gemeend had te ontbreken; ik ontdekte nieuwe fraaiheden; en waarlijk,

toen ik, eenigen tijd daarna, het stuk voor de derdemaal bezag,

bevond ik nog niet alles opgemerkt te hebben. Het is dus niet dan door

herhaalde gesprekken en beschouwingen, dat ik alles volkomen heb leeren

kennen. Wat mij gebeurd is, kan anderen, die zich, door hun beroep,

niet meer dan ik op de sterrekunde hebben toegelegd, ook wel gebeuren,

en dit konde den roem van het kunststuk benadeelen. Dit oordeelde ik

noodig te voorkomen; en dit konde ik, dacht mij, gevoegelijk doen, door

den staat van het geheele kunststuk naauwkeurig te beschrijven. Dit was

te meer noodig, omdat er eenige dingen, en welverre de vernuftigste,

in gevonden worden, van welke men het fraaije niet kan opmerken, zonder

vooraf onderrigt te zijn. Men ziet, bij voorbeeld, de Maanwijzers;

doch men ziet in den eersten opslag niet, en dit is het gewigtigste,

dat zij zich, om de ongeregelde beweging der Maan te volgen, met eene

zeer ongelijkvormige snelheid bewegen. Dit wordt men eerst gewaar,

óf met de bewegingen van die wijzers, als het kunststuk met de kruk

bewogen wordt, zeer aandachtig en opzettelijk na te gaan; óf wanneer

men het raderwerk, hetwelk de maker ook laat zien en geheel uitlegt,

beschouwt, zoodat men uit deszelfs schikking besluiten moet, dat de

snelheid der wijzers inderdaad ongelijkvormig is.

Voor het overige, mijne beschrijving is niet opgesierd. Ik heb

getrouwelijk beschreven, wat ik gezien heb. Zijn er, die twijfelen,

of alles wel zoo is; ik geef hun gerust tot antwoord: komt en ziet;

en ik houd mij verzekerd, dat zij, na eene naauwkeurige en aandachtige

beschouwing, overtuigd zullen zijn, dat dit kunststuk niet alleen fraai

is, in aanmerking van de omstandigheden des makers; maar dat het,

in zich zelf en in het afgetrokkene beschouwd, overheerlijk schoon,

en tot vertooning der verschijnselen ongemeen geschikt is.

Het kunststuk is, uitgenomen eenige dingen, die nog geschilderd en

verguld moeten worden, voltooid. Ik heb het beschreven, alsof het reeds

naar het bestek geschilderd ware. De maker, die niet minder zedig dan

vernuftig is, zal gaarne alle onderrigtingen, welke men hem zal willen

geven, zoo veel mogelijk, in acht nemen. De bezigheden van zijn beroep

hebben den uitvinder nog niet toegelaten, het schilderen, vergulden

enz. in het werk te stellen; doch hij heeft voorgenomen, de maanden

Augustus en September van dit jaar daartoe te besteden. Gedurende dien

tijd zal het kunststuk niet wel aan liefhebbers kunnen vertoond worden.

Mijne beschrijving is veel langer geworden, dan ik in den beginne

gedacht had. De voorname oorzaak daarvan is zekerlijk het vermaak,

hetwelk ik in het opstellen ondervonden heb. Hoe aangenaam is het voor

iemand, die niet geheel ongevoelig is, de vermogens, door Gods goedheid

aan des menschen verstand geschonken, na te gaan! Hoe verrukkend is het

gewaar te worden, hoe de grootste zwarigheden voor een groot vernuft

als kaf verdwijnen! en hoe men, door eenvoudige middelen, wanneer men

eenen daartoe geschikten geest bezit, de meest zamengestelde stukken

kan vervaardigen! Naarmate ik ieder stuk in zijne wezenlijke waardij

leerde kennen, voelde ik mijne achting voor den maker aangroeijen, en

mijne blijdschap vermeerderen, van deze gelegenheid, om vorderingen in

eenige deelen der werktuigkunde te maken, bekomen te hebben: want ik

kan u niet ontveinzen (en al konde ik, waarom zou ik het toch doen?),

dat ik uit de vinding en schikking der stukken in dit werktuig, en uit

de redeneringen, die den maker daartoe gebragt hebben, veel geleerd

heb, vooral in hetgene, dat men te regt eenvoudigheid, om iets uit te

voeren, noemen kan. De eenvoudigheid der middelen, welke men gebruikt,

om zamengestelde uitwerkselen voort te brengen, is het eigenaardig

kenmerk der groote geesten, even als van de natuur. Deze aangename

genietingen zijn echter somtijds door één éénig denkbeeld wat gestoord

geworden. Wat is het te beklagen, zeide ik in mij zelven, dat die man

zich niet van der jeugd af op de werktuigkunde, en hetgene daarbij

behoort, heeft kunnen toeleggen! Wie weet, hoe ver hij het gebragt

zoude hebben! Wie weet wat hij nog zoude kunnen doen, indien hij niet

verpligt ware zich met een ander beroep bezig te houden! indien hij,

even als Harrison en Ferguson, ware in staat gesteld geweest, om zich

geheel op de werktuigkunde toe te leggen!

Vaarwel, waarde broeder! ontvang dit stukje met die toegenegenheid,

waarmede ik het u aanbied, en wees verzekerd, dat ik met ongeveinsde

achting ben en altijd blijven zal,

Uw zeer toegenegen broeder,

J. H. van SWINDEN.

Franeker,

den 15 Junij 1780.

BESCHRIJVING VAN EEN

VOLLEDIG BEWEGELIJK HEMELS-GESTEL,

DOOR DEN HOOGLEERAAR J. H. VAN SWINDEN,

UITGEGEVEN IN DEN JARE 1780.

Machina haec non contemnendi usus est, vel ipsis Astronomis,

qui, unico oculi jactu, inde cognoscere possunt omnium planetarum

primariorum loca, eaque, porrecto baculo, demonstrare; ut saepius,

si quid quaestionis habuerint praesentes, ephemerides, in hisce minus

versatis non intelligendus, taediose evolvendi et configurationes

supputandi labore supersedere queant. Majori vero usui est tyronibus,

qui facile ex Machinae contemplatione non contemnendam Astronomiae

ideam sibi comparere valent: quae utilitas quoque ad docentem

redundat, cujus labor et taedium in tradendo valde levatur: non enim

facile ex parvis schematibus, in quibus nihil movetur, comprehendunt

incipientes, in quo consistant Planetarum directiones, stationes,

retrogressiones. Praecipuus vero ejus usus est in commendanda

Astronomia Principibus et Magnatibus, quibus plerumque non conceditur

tempus libros evolvendi, atque haec Sacra, diu multumque meditando,

expendendi. Etc.

Dus spreekt de vermaarde Horrebow over het Planetarium van Roemer,

Opera, t. III, p. 149. Zie over hetzelve § 39, 41 en volgende van

dit werkje.

BESCHRIJVING VAN EEN

VOLLEDIG BEWEGELIJK HEMELS-GESTEL.

Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga · 第 21 / 61 题