Dat alles, wat in zijne soort uitmunt, onze achting verdient,
is eene ontegenzeggelijke waarheid; doch die achting kan en moet
toenemen, ja zelfs in bewondering veranderen, wanneer de voorwerpen,
welke wij als uitmuntend beschouwen, uitgedacht en vervaardigd zijn
door menschen, welke men, wegens hunne omstandigheden, opvoeding en
beroep, als daartoe, of in het geheel niet, of weinig bekwaam mogt
aanmerken. Dan, immers, is het uitvinden en maken dier achtingswaardige
stukken geen enkel voortbrengsel meer van verkregene kundigheden,
of van een vernuft, dat door dezelve beschaafd is geworden; maar
van eenen vindingrijken geest, die krachts genoeg bezit, om de zaken
uit zich zelven na te vorschen, naar behooren te beschouwen, en het
uitgevondene, in weêrwil van alle zwarigheden, werkstellig te maken;
welke geesten dus, door hun eigen vermogen, dikwijls in ééne vlugt
tot het zelfde doel geraken, waartoe anderen het onderwijs van kundige
mannen en de hulp van vroegere uitvindingen dubbel noodig hebben.
Deze redenen doen mij het kunststuk, hetwelk ik thans beschrijven zal,
niet alleen een zeer schoon, maar zelfs een verwonderlijk stuk noemen,
zoowel wegens zijne innerlijke fraaiheid, die den kundigsten wis-
en werktuigkundigen eer zoude bijzetten, als wegens de omstandigheden
van hem, die het uitgedacht en vervaardigd heeft.
Een planetarium of hemels-gestel is, in den ruimsten zin genomen,
een werktuig, waarop de bewegingen der hemelligchamen, naar waarheid,
nagebootst en vertoond worden, zoodat men, op ieder oogenblik, den
waren en betrekkelijken stand en de bewegingen der Aarde, der Maan
en der dwaal- en vaste sterren kan gewaar worden. Het moet, in één
woord, in dit opzigt het zelfde zijn, het werktuig in te zien, of den
sterrenhemel. Er wordt daarenboven eene zoodanige naauwkeurigheid in
den toestel der bewegingen vereischt, dat er, in langen tijd, geen
merkelijk verschil tusschen den loop van de verbeelde ligchamen en dien
der wezenlijke sterren plaats hebbe, opdat men zoowel den vorigen en
toekomenden toestand des sterrenhemels als den tegenwoordigen kunne
opmaken en vrij naauwkeurig kennen.
Deze eenvoudige schets van een goed hemels-gestel zij genoeg, om, in
het algemeen, aan te toonen, dat het vervaardigen daarvan niet onder de
gemakkelijkste stukken te tellen is, en dat daartoe, of vele verkregene
kundigheden vereischt worden, of een vindingrijke geest, die van zelf
de grootste zwarigheden weet te overwinnen. Ook hebben de schranderste
wiskundigen van vroegere en latere tijden, een Archimedes [34], een
Posidonius [35], een Copernicus [36], een Rheita [37], een Roemer
[38], een Huygens [39] en anderen [40], mannen in de wis-, sterre-
en werktuigkunde door en door ervaren, zich zeer bevlijtigd, om den
loop der hemel-ligchamen door verscheidene werktuigen te vertoonen,
hetwelk zij, op verschillende wijzen, met eenen gelukkigen uitslag
volbragt hebben. Dan, indien men de kundigheden en den roem der
gemelde wiskundigen in acht neemt, zal het niet vreemd voorkomen,
dat dergelijke kunststukken, hoe veel vernuft en kundigheid zij in
het uitvinden onderstellen, en hoe veel werks zij in het vervaardigen
ook kosten mogen, indien zij ooit konden gemaakt worden, door zulke
mannen gemaakt zijn. Maar, hoe vreemd, hoe wonderlijk en misschien
ongeloofelijk, zal het niet voorkomen, dat een soortgelijk werktuig,
ja een hemels-gestel, dat in zich bijna alles behelst, wat al de tot nu
toe bekende, tezamen genomen, aanwijzen, en bovendien veel meer dingen,
die misschien nog nooit werkstellig gemaakt waren, en alle, zoo veel
ik weet, op geen zoogenaamd planetarium gevonden worden, door een man
én uitgedacht, én berekend, én vervaardigd is geworden, die alleen die
kundigheden in de grondbeginselen der wis- en sterrekunde bezit, welke
men somtijds bij liefhebbers dier wetenschappen aantreft; die nimmer
eenige handleiding tot de beschouwende of werkdadige werktuigkunde
gehad, van niemand hoegenaamd, eenige hulp genoten, nimmer een
planetarium, of beschrijving of teekening van eenig planetarium gezien,
of boeken, over deze stof handelende, gelezen heeft?
Eise Eisinga, thans (1780) mederaad in de Vroedschap der stad Franeker,
die sedert eenige jaren eene neringrijke fabrijk van Friesche
saaijetten bezit, is de uitvinder en maker van een kunststuk, dat
de opmerking van alle liefhebbers der sterre- en werktuigkunde ten
hoogste verdient. Eene groote genegenheid tot de wiskunde, reeds
in zijne eerste jeugd, gevoelende, besteedde hij, om daarin eenige
vorderingen te maken, al de uren, welke hij in zijns vaders huis
aan de wolkammerij kon onttrekken, en begaf zich te dien einde,
ééns in de week, van Dronrijp, zijne woonplaats, naar Franeker,
om aldaar van Willem Wytzes, een burgerman, die in de wiskunde vrij
wel ervaren was, eenig onderwijs te halen. Bij dezen meester heeft
Eisinga de rekenkunde, de zes eerste en het elfde en twaalfde boek
van Euclides doorgeloopen, en iets, doch zeer weinig, van de algebra
geleerd. Vervolgens heeft hij van dezen eenige handleiding in de
klootsche driehoeksmeting, de schikking van het hemels-gestel,
het gebruik van de astronomische tafelen en het berekenen van de
eklipsen ontvangen. Doch hij heeft dit alles door zijn eigen vernuft
verder bewerkt, als hebbende nimmer eenige gedrukte boeken, behalve
de sinustafelen en de astronomische tafelen van Van der Molen en van
La Hire, om de wis- of sterrekunde te leeren, gelezen, maar alleen
gelegenheid gehad de schriften zijns meesters te gebruiken en na te
schrijven. Deze zijn mij door hem geleend, waardoor ik in staat gesteld
ben, om eenigzins te oordeelen, hoe verre het onderwijs gegaan zij. De
liefhebberij wakkerde allengskens bij den jongeling meer en meer op,
en had hij veel vermaak in het berekenen van eklipsen, zoodat hij
eene zeer naauwkeurige uitrekening gemaakt heeft van al de zons-
en maansverduisteringen, die, tot aan het einde der achttiende eeuw,
te Franeker zouden plaats hebben [41]. Bovendien heeft hij er zeer
nette afteekeningen bijgevoegd, zoodat men, met een opslag van het
oog gewaar wordt: het uur van het begin, het midden en het einde
der verduistering, hare grootte, aan welken kant zij beginnen en
geschieden zal, zoo als ook den schijnbaren weg van de Maan.
Eisinga had ook liefhebberij om des avonds wel eens naar de
dwaalsterren te zien; en om haar des te gemakkelijker te kunnen vinden,
was hij gewoon, in het begin des jaars eene tafel der standplaatsen
van de planeten in iedere maand te berekenen. Hij deed dus in stilte
een werk, hetwelk hij niet wist, dat jaarlijks door de beroemdste
sterrekundigen te Parijs, Londen, Berlijn, Weenen en in Italië ter
bevordering der sterrekunde gedaan werd [42]. Zoo ziet men, hoe de
wetenschappen somtijds door menschen, van wie men het niet verwachten
zoude, op eene zeer opmerkelijke wijze beoefend worden!
Dit alles geschiedde in het midden der huishoudelijke beslommeringen
en der bezigheden van een beroep, dat veel werks verschaft, en zoo
weinig verband met sterrekundige liefhebberij heeft. Nogtans werd dit
daarom toch nooit, zoo als sommigen zich misschien, maar te onregt,
verbeelden zouden, verwaarloosd. Alleen snipperuren werden hiertoe
gebruikt. Hoe belangrijk al deze verrigtingen ook zijn mogten, zou
Eisinga echter, naar allen schijn, nimmer op het uitvinden van een
planetarium gedacht, of gelegenheid bekomen hebben, om zijne vermogens,
als werktuigkundige, van welke hij zich zelven nog niet bewust was,
te oefenen, had niet een zonderling geval hem daartoe aangezet. Er
werd in het voorjaar van 1774 een boekje in het licht gegeven over de
gewaande ongelukkige uitwerkselen, die eene conjunctie van planeten,
den 8 Mei daaraanvolgende voorvallende, op onzen aardkloot zeer
waarschijnlijk zoude te weeg brengen, hetwelk bij velen eene groote
verslagenheid en angst verwekte. Dit noopte hem, om door middel van
zijne jaarlijks berekende tafel na te gaan, wat er op den gemelden
dag stond te gebeuren. Hij bemerkte ligt, dat er voor ons niets te
vreezen was [43]. Deze berekening deed hem invallen, dat het aangenaam
zoude zijn, een werktuig te hebben, waarin men, te allen tijde, den
waren stand der hemel-ligchamen zoude kunnen gewaar worden, zoodat
men daardoor in eens van alle berekening in het toekomende bevrijd
zoude zijn. Deze gedachte werd aanstonds gevolgd door het besluit,
om zulk een werktuig te vervaardigen. Het is grooten geesten alleen
eigen, een zoo grooten stap in ééns te doen. De zwarigheden, die er
zich opdeden, werden wel ingezien, doch verdwenen spoedig. De handen
werden aan het werk geslagen, en vermits er niet dan snipperuren
aan besteed konden worden, zag men te gemoet, dat er verscheidene
jaren noodig zouden zijn tot het voltooijen van een zoo moeijelijk
stuk. Hiertoe werd dan, op het verzoek van des uitvinders huisvrouw,
die bij het begin des werks reeds zeer verlangde het einde te zien,
de tijd van zeven jaren bepaald. Het zesde is thans (1780) verschenen,
en het werktuig is, uitgenomen eenige kleinigheden, welke meest de
uiterlijke opwerking betreffen, voltooid. Met het vierde jaar was
het planetarium reeds gangbaar [44].
De wolkammer werd dan beurtelings in eenen rekenaar, werktuigkundige,
teekenaar, uurwerkmaker enz. hervormd. Alles werd eerst wel overdacht,
geschetst, geteekend, afgepast en vervolgens gemaakt, hetwelk alles
door Eisinga zelven geschiedde, behalve alleen, dat hij, geen draaibank
bezittende, zijnen vader [45], wien hij over het vervaardigen van
het kunststuk raadpleegde, verzocht heeft, eenige schijven voor hem
te draaijen, en dat hij vier koperen raderen, volgens zijn bestek,
door eenen uurwerkmaker heeft laten maken.
Dit zij genoeg van 's mans omstandigheden. Zij doen wel niets tot de
innerlijke fraaiheid en wezenlijke waarde van het kunststuk zelf,
doch zijn zeer geschikt, om de achting, die den uitvinder en maker
zoo regtmatig toekomt, en den roem, dien hij zich daardoor verworven
heeft, merkelijk te vergrooten.
In het beschrijven van dit kunststuk zal ik deze orde volgen:
dat ik vooreerst eene algemeene schets van hetzelve zal voordragen;
vervolgens ieder der drie afzonderlijke stukken, waaruit het bestaat,
naauwkeurig ontvouwen, en er tevens eenige aanmerkingen bijvoegen
over de zwarigheden, welke men in het vervaardigen van dergelijke
stukken aantreft, en over de vergelijking van dit stuk met eenige
andere stukken van den zelfden aard, opdat men zal kunnen opmaken,
waarin dit andere overtreft, of door deze overtroffen wordt.