Deze treffende toespraak van den grijzen staatsman werd namens den
Raad, met welmeenende betuigingen van erkentelijkheid beantwoord door
den Burgemeester I. de Swart, die Jhr. van Humalda en den geheelen
Raad vervolgens te zijnen huize onthaalde, en allen eene aangename
gelegenheid schonk, om dezen feestdag verder door te brengen in
gezellige vrolijkheid, vol gevoel van eerbiedige dankbaarheid jegens
den edelen Frieschen Maecenas en van hartelijke deelneming in de
bedaarde vergenoegdheid des braven grijsaards, die dezen dag onder
de gelukkigste zijns levens telde. [29]
Dat leven van Eisinga, zoo rijk aan zorg en inspanning, maar nog rijker
aan wetenschappelijk genot, aan eerbetoon en aan de volkomenste
bevrediging van al zijne billijke wenschen en verwachtingen,
spoedde nu weldra ten einde. Zacht ontsliep hij in den morgen van den
27sten Augustus 1828, den ouderdom van 84 jaren en 6 maanden bereikt
hebbende. Naar zijne begeerte werd zijn stoffelijk deel op het kerkhof
van zijne geboorteplaats Dronrijp in de ouderlijke grafstede begraven.
Die rustplaats werd weder gedekt met den zelfden steen, welke het
vroeger vermelde grafschrift zijns vaders bevatte. Vreemd was het
echter, dat men bleef verzuimen, daarbij een tweede grafschrift
voor zijn grooten zoon te voegen. Het plan van Jhr. van Humalda,
om hierin te voorzien, bleef ten gevolge van zijn overlijden, in
1834, onvolvoerd [30]. Nog in 1841 uitte Prof. de Crane den wensch,
dat dáár eerlang een eenvoudig schoon gedenkteeken den wandelaar aan
zijne rustplaats en zijne verdiensten mogt herinneren. Het was voor
het Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde bewaard,
dit verzuim te herstellen, en der nagedachtenis van Eisinga eene hulde
toe te brengen, waarop zijne verdiensten regt hadden. Op voorstel
van den heer J. van Leeuwen werd dan op den 12den April 1845, nadat
op de vermelde grafzerk alleen den naam tot herkenning was gesteld,
in den muur der schoone dorpskerk van Dronrijp, naast den hoofdingang
en nevens het familiegraf, een groote steen geplaatst, bevattende
tusschen eenvoudig lof- en lijstwerk het volgende opschrift:
Hulde
aan
EISE EISINGA,
uitvinder en vervaardiger van het
beroemd PLANETARIUM te Franeker;
geboren te Dronrijp den 21 Februarij 1744,
overleden te Franeker den 27 Augustus 1828,
op dit kerkhof begraven;
toegebragt
door
het Friesch Genootschap van
Geschied-, Oudheid- en Taalkunde,
MDCCCXLIV.
Ik heb hiermede de voorgestelde taak, zoo kort en zakelijk als
mij moogelijk was, ten einde gebragt [31]. Baart het altijd een
groot genot, wanneer het ons vergund wordt de verdiensten van
een groot man in het licht te stellen en zijner nagedachtenis de
hulde onzer vereeniging toe te brengen,--hier ging de vermelding
van Eisinga's leven gepaard met de herinnering aan mannen, wier
nagedachtenis mij dierbaar is als het onvergankelijke gevoel van
vriendschap en geestverwantschap. Ja, Humalda en De Crane, Brouwer,
Sannes en Van der Kooi, ook zij, die Eisinga om strijd hunne hulde
bragten, hebben Friesland tot eer en roem verstrekt, en wij, die
met allen vriendschappelijk hebben omgegaan en thans tot hunne
nakomelingschap behooren, hebben de denkbeelden en gevoelens van
die grijsaards opgevangen, om die onder een volgend geslacht voort
te planten. Onbepaald was hun eerbied en lof voor het kunstgewrocht
van Eisinga; maar zij paarden daaraan eene wijze voorzigtigheid of
voorzigtige wijsheid, die ook wij niet onopgemerkt moeten laten,
willen wij hem naar waarheid vereeren en niet door overdreven lof
onteeren. Mogten zij het al betreuren, dat de éénige wensch van Eisinga
onvervuld was gebleven, om elders een meer volkomen Planetarium te
stichten; zij verloren, evenmin als Van Swinden (vooral aan het slot
der Opdragt), uit het oog, dat voor zijn persoon en dit kunstwerk
de grootste eer dáárin was gelegen: dat hij, onder ongunstige
omstandigheden en met zeer beperkte middelen, een grootsch doel
had weten te bereiken;--en bijzonder, dat bekrompenheid van tijd en
vooral van ruimte, bij den ongeschikten toestand van zijn huis, zijn
geest gescherpt en een vernuft en bekwaamheid ontwikkeld had, welke,
in de vinding en schikking der stukken en de hoogste eenvoudigheid der
uitvoering, groote bezwaren hadden overwonnen. Dáárdoor toch had hij
blijken van een bijzonder genie voor de werktuigkunde gegeven en de
meeste bewondering verworven. Die opvatting werd steeds te veel uit
het oog verloren; en daarom zou Eisinga zijne eer weinig vermeerderd
hebben, al had hij ook later elders het volkomenste Planetarium op
de grootste schaal mogen tot stand brengen. Eene andere opvatting
bedreigde zelfs de wetenschappelijke beoefening van de sterrekunde in
Friesland met eene verkeerde rigting. Want vele begaafde liefhebbers,
vele bewonderaars van den sterrenhemel, die Eisinga, op grond van den
roem van zijn Planetarium, voor een groot Astronoom hielden, werden
daardoor in den waan gebragt, dat het vervaardigen van een dergelijk
werktuig de schoonste eerekroon voor den sterrekundige ware. Naar de
eer jagende, welke zij van eene zoodanige zamenstelling verwachtten,
verspilden zij alzoo tijd en vermogen, en sloegen zij den weg niet
in, die de eenige is, welke tot de sterrekunde leidt. Verscheidene,
anders verdienstelijke personen zou ik kunnen noemen, die op deze
misvatting schipbreuk hebben geleden, en daardoor verzuimden kunde
en waarneming vruchtbaar te maken aan de wetenschap, waartoe bij zoo
velen in deze provincie werkelijk de aanleg aanwezig is.
Eisinga's kunstgewrocht heeft nu langer dan 70 jaren een gunstigen
invloed gehad op veler duizenden voorstelling van den loop der
hemelligchamen. Dat het dien invloed duurzaam behouden en geene
verkeerde opvatting of naijver opwekken moge, is mijn hartelijke
wensch. Ook daarom nam ik gaarne laatst vermelde aanmerking op,
welke mij is medegedeeld door dien geachten deskundige, welke mij
ook door zijne hulp en raad bij de bezorging van dezen derden druk
verpligt heeft, doch die verlangde daarbij niet genoemd te worden. Op
ons allen rust toch de dure verpligting, om Eisinga's eer en roem
duurzaam tegen miskenning en overdrijving te handhaven en die in het
belang der wetenschap te heiligen voor volgende geslachten.
Leeuwarden,
den 5 Januarij 1851.