Hij bereikte de vurige kasteelen des lichts.
Dit kostelijk gedenkstuk was aan Eisinga en aan Franeker toegedacht; en
de 13de November 1827, de dag, waarop het hem zou worden toegeëigend,
was een feestdag voor deze stad. Nadat de schilderij was opgehangen,
vergaderde de Stedelijke Raad, waartoe ook Eisinga behoorde. Door eene
commissie, bestaande uit de heeren Dr. J. Banga en Mr. J. W. de Crane,
werd nu Jhr. I. Aebinga van Humalda afgehaald en binnengeleid, waarna
hij het pronkstuk, dat, nu ontdekt, zich in al zijn glans vertoonde,
ten geschenke aanbood, ten einde der Raadzaal tot een blijvend sieraad
en den grooten man ten duurzaam vereerend gedenkteeken voor tijdgenoot
en nakomeling te strekken. Hij deed dit met de volgende hartelijke
en schoone toespraak:
"Edel Achtbare Heeren! Toen ik ruim een jaar geleden uit den mond
van den Heer Burgemeester uwer stad het voornemen van UEA., om een
duurzaam en openlijk blijk van achting en hulde aan uwen Eisinga
en diens schrander vernuft daar te stellen, mogt vernemen, moest
natuurlijk bij mij de wensch ontstaan, om ook het mijne daartoe
aan te brengen. Niets konde mij derhalve welgevalliger zijn, dan
dat UEA. het voorstel, te dien einde door mij aan Zijn Ed. gedaan,
gereedelijk tot mijne blijdschap geliefdet aan te nemen.
Immers, ik herinnerde mij met een dankbaar gevoel aan de gelukkige
jaren, welke ik ten tijde van een vorig geslacht aan de vermaarde
Hoogeschool in deze stad doorbragt, werwaarts men niet alleen uit
alle hoeken van ons Nederland, maar uit de verste streken van Europa
en andere werelddeelen opkwam, om wetenschap te halen; en waar ter
plaatse de geleerdheid zich nog boven het lot der tijden moedig
blijft verheffen.
Ik dacht aan de gelegenheid, welke mij nog eens hierdoor stond geboren
te worden, om te toonen, hoe zeer mij alles, wat den roem van ons
Friesland verhoogt, steeds ter harte gaat: een roem, waaraan Franeker
zoo rijkelijk toebrengt.
Ik beschouwde het oogenblik als met verlangen, wanneer ik uwe Stad,
plegtig en hartelijk, de verzekering van de hooge achting zoude
geven, welke mij bezielt. Maar waartoe deze verzekering? Het is U,
Mijne Heeren! bekend, wat ik gedaan heb ter bevordering van hare
belangen. [28]
Ontvangt dan, Edel Achtbare Heeren! dit geschenk van mijne hand
tot een aandenken van mijne erkentelijke genegenheid. Dat het uwe
Raadzaal versiere, en dat elk aanschouwer den grooten man bewondere
en eerbiedige! Een bijzonder genoegen intusschen is het mij, U,
Eise Eisinga! hier te kunnen begroeten. Gij zult in de hulde, U nu
toegebragt, geen ijdel droombeeld, zoo als trotsche grooten gewoon
zijn aan te nemen, vinden. Neen, maar uwe nederigheid zal er toch wel
in willen opmerken, eene innige begeerte van uwe stadgenooten, om,
nog lang na dezen tijd, het levendig Afbeeldsel van eenen beminden
en waardigen Medeburger te bezitten.
Ik huldig U met eerbied, en ben grootsch op U, als mijn dorpsgenoot en
schoolmakker van vroegere jaren. Uw leven blijve nog lang gespaard,
totdat gij het geluk zult deelachtig worden van het groote werk der
schepping in al zijn omvang van nabij te beschouwen!
In het algemeen, Mijne Heeren! ik bedank U voor de menigvuldige
blijken van welwillende genegenheid en vertrouwen aan mij bewezen;
ik bewaar die in mijn hart, en ik zal mijne achting voor U voegen
bij die, welke gij met regt van uwe ingezetenen ontvangt.
Het ga uwe stad altijd voorspoedig!