I. Overzigt der Planeten, welke sedert het jaar 1780 tot op
het einde van 1850 zijn ontdekt. 160
II. Overzigt der Bij-planeten of Wachters, welke sedert het
jaar 1780 tot op het einde van 1850 zijn ontdekt. 160
III. Overzigt van de Loopbanen der Hoofd-planeten. 162
IV. Overzigt van eenige Hoedanigheden der Hoofd-planeten. 164
HET LEVEN VAN EISE EISINGA
EN
BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN ZIJN PLANETARIUM.
Zoo dikwijls er sprake was van verdienstelijke mannen, die, wars van
praalzucht, in stille nederigheid wegschuilen, pleeg de hoogbejaarde
Professor Van Swinden zijnen vrienden dikwijls te verhalen, dat hij,
omstreeks 40 jaren te voren, Hoogleeraar zijnde te Franeker, vernomen
hebbende, dat er bij een burgerman aldaar een aardig werktuigje was
te zien,--in eene soort van verrukking viel, toen hij daar op eens
een volledig en gangbaar Planetarium voor zich zag, waarvan Europa de
weergade niet toonen kon;--een kunststuk, door een eenvoudig wolkammer
in de snipperuren van zes jaren geheel in zijne eenigheid voltooid,
zonder dat hij of zijn collega Ypeij, als Hoogleeraren in de Natuur-,
Wis- en Sterrekunde, of iemand der andere Professoren, die in deze
kleine Akademiestad slechts eenige schreden verder woonden, iets van
't werk geweten hadden, veel minder geraadpleegd waren [1].
Sedert die verrassende ontmoeting bezocht Prof. Van Swinden bij
herhaling het Planetarium; hij onderzocht het in al zijne deelen
en bestudeerde al de vereischten van zulk een werkstuk. Met elk
bezoek steeg zijne bewondering van het werktuig en zijn eerbied voor
den verdienstelijken vervaardiger, en het was dáárom, dat hij zich
gedrongen gevoelde, hiervan eene uitvoerige beschrijving in het licht
te geven, ten einde der wereld te toonen, welk overheerlijk schoon en
voortreffelijk kunststuk zamengesteld was door een eenvoudig burger,
wiens vernuft en bekwaamheden aanspraak hadden op roem en vereering.
Zeventig jaren zijn er thans (in 1850) verkopen, sedert Van Swinden
deze Beschrijving uitgaf. Voorzeker heeft hij daarmede zijn doel
bereikt: want binnen- en buitenlands werd de hooge waarde van dit
Planetarium erkend; duizenden, en daar onder de aanzienlijkste, zelfs
vorstelijke personen, kwamen het beschouwen en bewonderen, en ver boven
verwachting waren de eerbewijzen, welke Eisinga daarvoor bij zijn leven
en ook na zijn overlijden ontving. Maar opmerkelijk is het vooral,
dat--in weerwil der vorderingen van de kunsten en wetenschappen in die
zeventig jaren; in weerwil de werktuigkunde in Engeland, Duitschland en
Frankrijk sedert zulke reuzenschreden heeft gemaakt en de sterrekunde
door talrijke nieuwe ontdekkingen en grondiger onderzoek in omvang
en gewigt zeer is toegenomen,--dat dit Planetarium, én als vrucht
van wetenschappelijk onderzoek én als kunststuk der werktuigkunde,
nóg zijne waarde heeft behouden en door geen ander voortreffelijker
werkstuk van dien aard is overschaduwd geworden. Aangenaam zijn daarom
de belangstellende bezoeken, welke Franeker (na bijna alle sporen van
zijne vroegere wetenschappelijke grootheid verloren te hebben) nog
bestendig van landgenooten en vreemden mag ontvangen, als eene hulde
aan Eisinga's kunstgewrocht, hetwelk ook door de Friezen steeds op
hoogen prijs wordt geschat. Daardoor is het mede noodzakelijk geworden,
een derden druk ter perse te leggen van Van Swinden's Beschrijving,
welken wij thans onzen landgenooten aanbieden. Wij wenschen dit te doen
naar de behoeften van onzen tijd [2]. Wij durven toch vertrouwen, dat
allen, die belang stellen in de beschrijving van het werktuig, behoefte
zullen hebben om te weten: door wien en onder welke omstandigheden
het werd vervaardigd; welke gevolgen daaruit voor den vervaardiger
zijn voortgesproten; hoedanig zijne lotgevallen zijn geweest; welke
veranderingen het Planetarium sedert 1780 heeft ondergaan, en welke
verder de voornaamste omstandigheden en gebeurtenissen zijn geweest,
die daarop betrekking hadden.
Door de volgende Levensschets van Eisinga en Beknopte Geschiedenis van
zijn Planetarium (beide zoo naauw met elkander vereenigd) hopen wij
aan die behoefte te voldoen, en daardoor tevens op nieuw een blijk te
geven van onze zucht, om Frieslands roem in kunsten en wetenschappen,
waartoe Eisinga zoo veel heeft bijgedragen, te bevorderen [3].--Slaan
wij vooraf het oog op zijne tijd- en kunstgenooten.
Meermalen is het opgemerkt, dat in der Friezen aard eene bijzondere
neiging ligt voor de beoefening van de mathematische wetenschappen in
het algemeen en voor die van de Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in 't
bijzonder. De laatste drie eeuwen hebben daarvan talrijke voorbeelden
gegeven, waarvan vele vermeld zijn in de bekende Redevoering van
den Hoogleeraar C. Ekama [4]. Welligt was er echter geen tijdperk
rijker in het voortbrengen van zoodanige vernuften dan de laatste
helft der vorige eeuw. De langdurige vrede, rust en welvaart, die van
1713 tot 1780 bijna onafgebroken werden gesmaakt, gaven aanleiding,
dat velen voedsel voor den geest zochten in die degelijke studiën,
waartoe, behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken
nadenken met de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen,
en niet minder volharding vereischt worden:--eigenschappen, welke in
vele Friezen van den echten stempel voorzeker in hooge mate worden
aangetroffen. Opmerkelijk is het tevens, dat de neiging tot gezegde
studiën het meest gevonden werd bij lieden uit den eenvoudigen
burgerstand of bij landbouwers, die in hun bedrijf ter naauwernood
eenige aanleiding schijnen te vinden, om zich juist op die vakken
toe te leggen. Misschien werkte het voorbeeld en onderwijs van den
beroemden Willem Loré, die te Leeuwarden in een Weeshuis was opgevoed
en zich door groote mathematische bekwaamheden tot buitengewoon
Hoogleeraar te Franeker wist te verheffen, nog lang na zijn dood
(1744) op velen gunstig voort [5]. Evenwel is het bekend, dat de
meeste der volgende Wis- en Werktuigkundigen weinig of geen onderwijs
van anderen genoten, maar zich door de kracht van hun eigen genie en
door volhardende inspanning uitstekende bekwaamheden verwierven.
Te Leeuwarden had de bekende Hortulanus van Prinses Maria Louisa,
Johann Hermann Knoop, die in verschillende vakken een aantal
werken heeft uitgegeven, reeds lang onderwijs in de Wiskunde,
gelijk Hayke Haanstra van Buitenpost in de Rekenkunde gegeven,
toen de timmerman Wytse Foppes Dongjuma, naar zijne geboorteplaats
Dongjum bij Franeker dus genoemd, onder begunstiging van genoemde
Prinses, zich hier nederzette, als Mathematisch Instrumentmaker,
Landmeter en Wijnroeijer. In 1763 vervaardigde hij een toestel,
door hem Magnetimeter genaamd, en gaf verscheidene grondig bewerkte
schriften in het licht. Hij vormde een kring van leerlingen, met
wie hij vele sterrekundige waarnemingen deed. Van sommigen hunner,
als Jarich Tjeerds, A. Posthumus en H. Balk, zijn nog mathematische
geschriften in de Bibliotheek dezer stad voorhanden. De onderwijzer
Tjeerd Ringneery maakte zich door zijne handboeken voor het boekhouden
en den graanhandel verdienstelijk (1763). De schilder Rienk Jelgerhuis
beoefende mede de Wiskunde, blijkens zijne Aanmerkingen op de
Perspectiva van Caspar Philips (Leeuw. 1769). Luitjen F. Wiersma,
van Wartena geboortig, had reeds in 1754 (te Dokkum wonende)
eene Wiskunstige Arithmetica uitgegeven, toen hij zich in 1777 te
Leeuwarden vestigde, waar hij twee jaren later gevolgd werd door den
bekwamen Lucas Oling, van Weender geboortig, door zijn belangrijk
Rekenkundig Exempelboek vermaard. Grooten naam verwierf zich mede
Mattheus Siderius, die als Luit. Kol. en Ingenieur der V. Ned. in 1781
la Théorie de la Fortification en in 1784 Gronden der Vestingbouwkunde
uitgaf, en J. W. Karsten, die in 1797 te Leiden met goud bekroond
werd als schrijver eener Handleiding tot de kennis der Meetkunde.
Ook aan de eertijds bloeijende Akademie te Franeker vond de Wis-,
Natuur- en Sterrekunde in dit tijdvak ijverige beoefenaars in
de Hoogleeraren Anthonius Brugmans, van Hantum, Van Swinden,
Nicolaas Ypeij van Bergum, Jacobus Pierson Tholen, van Leeuwarden
en Adolphus Ypeij, van Franeker. Aan deze Akademie waren mede
verbonden, als Hortulanus David Meese, van Leeuwarden, bijzonder
door kruidkundige schriften vermaard, en Jan Pieters van der Bildt,
van L. Vrouwe-Parochie, als Amanuensis en verzorger der verzameling
physische instrumenten; een man van geringe afkomst, die eerst door
het maken van uurwerken en daarna van optische instrumenten zich
zeer verdienstelijk gemaakt en een grooten naam verworven heeft,
daar vooral zijne teleskopen lang op hoogen prijs werden geschat. In
genoemde betrekking werd hij in 1791 opgevolgd door Sybrand Taekes van
der Fliet, van Franeker, die lang trekschipper was, doch door vlijt
en inspanning, ten gevolge der verkeering met de zonen van Van der
Bildt, het zoo ver bragt, dat ook hij optische en andere instrumenten
vervaardigde. Bij zijn dood in 1806 werd hij opgevolgd door Bauke
Eisma van der Bildt, van Franeker, die, als bekwaam werktuigkundige,
den naam zijns grootvaders ophield en eene menigte teleskopen, kijkers
en andere werktuigen heeft vervaardigd, welke algemeen geacht zijn
[6]. Bovendien waren er destijds in den eenvoudigen burgerstand te
Franeker verscheidene personen, die voor zich zelve de mathematische
wetenschappen beoefenden, en van wie dus weinig meer dan hunne namen
bekend is. Deze waren Willem Wytzes, Douwe Wytema, Dirk Dodenga,
Marten Claver en Pieter Idserds Portier, die tevens als een zeer
bekwaam teekenaar van schepen en landschappen bekend is. Nog was Wouter
Martens van der Werff, van Woudsend geboortig, daar als leermeester
in de Wis- en Sterrekunde zeer geacht; terwijl Pibo Steenstra, de
zoon van een tigchelaarsknecht, het geluk had, opgemerkt te worden
door Prof. Ypeij, die zijn gunstigen aanleg dermate ontwikkelde, dat
hij als Lector in de Wis-, Zeevaart- en Sterrekunde te Amsterdam,
verscheidene goede leerboeken uitgaf, welke bij het publiek lang
grooten bijval vonden. Ook de scheikundige Boudewijn Tieboel en
de beroemde wijsgeer Frans Hemsterhuis, beide te Franeker geboren,
behooren nog bij dit getal genoemd te worden.
In de nabijheid van Franeker, in de buurt Salwerd, woonden toenmaals
de broeders Rients en Klaas Piers Salverda, die uitmuntten door
vernuft, oordeel en bekwaamheid, vooral in het maken van fraaije
zonnewijzers. Uit dit geslacht was mede afkomstig de geleerde Wybo
Fynje, Doopsgezind Leeraar te Deventer, bekend wegens zijne ongemeene
bekwaamheden in de hoogere Wiskunde.
Te Harlingen gaf de Oud-Secretaris Mathys Adolph van Idsinga in 1787
blijken van groote bedrevenheid in de Sterre- en Zeevaartkunde in
zijne werkjes: Aanwijzinge van het seekere Middel waardoor de zeeman
iederen nacht zijne waare langte kan te weeten komen, met Vervolg, en
niet minder zijn tegenschrijver Abe Jans Hingst aldaar. Te dier stede
woonde destijds mede een zeer bekwaam uurwerkmaker, Tjeerd Radsma,
die met veel vernuft een beweegbaar Planispherium vervaardigde,
waarvan Prof. Van Swinden in § 82 zijner Beschrijving van Eisinga's
Planetarium eene korte aanwijzing en vergelijking heeft gegeven, nadat
hij toen reeds acht dezer werkstukken vervaardigd en te Harlingen en
Amsterdam geleverd had.
In het dorp Achlum bij Franeker was destijds de landbouwer Klaas
Gerrits Wieringa een vernuft, dat, zeer bedreven in de Wis- en
Werktuigkunde, door het vervaardigen van eene electriseermachine
en andere kunststukken, algemeen opzien baarde. Uit het daar bij
gelegene dorp Arum kwam de bekwame Obbe Sikkes Bangma voort, die,
even als Henricus Aeneae van Oudemirdum, door hunne bekwaamheden
en uitgegevene geschriften in Holland eervolle wetenschappelijke
betrekkingen mogten verwerven.
Overigens waren er in die laatste helft der 18e eeuw nog een
aantal stille beoefenaars der Wis- en Sterrekunde in Friesland,
waarvan wij niet de woonplaatsen, maar alleen de namen kennen, en
die zich, onder den titel van: Mathematicus, of van: Liefhebber der
Mathematische kunsten, verdienstelijk hebben gemaakt als berekenaars
van de Almanakken der jaren, achter hunne namen geplaatst. Zij zijn:
Gerrit Tresling, 1755, vermoedelijk te Leeuwarden; Leendert Holder,
1764, denkelijk onderwijzer te Arum; H. D. Hylkema, 1770; Hanso
Lemstra van Buma, 1775, later, in 1791, Boekhandelaar te Sneek;
S. Sjoerds en S. van der Werf, 1782; Popke Sluiter, 1784; Gerrit
Hendriks, 1793; Marten Jonker, 1794; Tiede Dykstra, 1795; Joris de
Haan, 1797; Johannes Egberts, 1799 en daarna Evert Sjerps Ferwerda,
timmermansknecht te Leeuwarden, dien wij nog gekend hebben.
Wij zouden nog meerdere namen kunnen noemen, als: van Hendrik Anjema,
van Franeker, die een Tafel der Devisoren van alle de natuurl. getallen
(Leiden 1767) uitgaf; van Nicolaas Epkema, van Wirdum, die Wolff's
Tafelen tot de Trigonometria (Amst. 1765) in 't Ned. overbragt; van
de voortreffelijkste gebroeders Pieter, Albert en Arjen Roelofs, van
Hijum, die zich eerlang tot eene verwonderlijke hoogte verhieven;--doch
reeds meer dan genoeg, om aan te toonen, dat Friesland, inzonderheid
in de laatste helft der 18e eeuw, vruchtbaar was in het voortbrengen
van mathematische vernuften [7].
In het aanzienlijke en fraai gelegene dorp Dronryp, in Menaldumadeel,
tusschen Leeuwarden en Franeker (waar eertijds Riemer Sybes woonde,
die de eerste leermeester in de Wiskunde was van den later zoo
beroemden Willem Loré) was omstreeks het midden der vorige eeuw,
bovendien, een geslacht gevestigd, waarin de zucht en de geschiktheid
voor de mathematische wetenschappen en de werktuigkunst erfelijk
scheen te zijn. Daar woonden de broeders Jelte Eises en Ane Eises, van
Oosterlittens in Baarderadeel afkomstig, die het beroep uitoefenden van
wolkammer. Van jongs af hadden beide zich in de uren van uitspanning
toegelegd op de Reken- en Meetkunst, en bestendig bleef het hen eene
aangename bezigheid zich te oefenen, en den tijd, welke hen van hunne
kostwinning overschoot, te besteden tot het zamenstellen van een
of ander kunstwerk of aardigheid, waarbij eene zeldzame handigheid
beider vernuft ten dienste stond. Van de verschillende stukken,
door Jelte vervaardigd, zijn bekend, dat hij, in jeugdigen leeftijd,
een tweemast galjootscheepje vervaardigde, van 9 voet lengte, met alle
toebehooren en in juiste evenredigheid, zóó zelfs, dat er twee man meê
te water konden gaan. Als liefhebber van muzyk en zang maakte hij voor
huiselijk gebruik een klavier en daarna een kabinetorgel, waarvan hij
de inrigting had gadegeslagen bij gelegenheid der herstelling van het
kerkorgel van Dronryp, waarover hij als Kerkvoogd het opzigt had. Doch
inzonderheid hielden zij zich bezig met het berekenen en zamenstellen
van zonnewijzers, in onderscheidene en soms zonderlinge vormen,
waarvan vele in den omtrek aan de huizen en als tuinsieraden werden
geplaatst. Eene door Jelte mede vervaardigde kunst-draaibank, van
bijzondere vinding, bewees bij al deze werkzaamheden groote diensten.
De jongste der broeders, Ane, vertrok eerlang naar Franeker, waar hij
Waagmeester en Ontvanger of Collecteur van het Gemaal, den Turf enz. is
geworden. Jelte bleef bestendig te Dronryp wonen, als wolkammer, en
trad in het huwelijk met Hittje Steffens, van het naburige dorp Winsum,
bij wie hij twee zonen en twee dochters verwekte. De jongste dezer
zonen heette Stephanus Jeltes, waarbij hij later den naam van Eijsinga
aannam. Hij werd geboren den 24 Maart 1755 en onderscheidde zich, even
als zijn oudere broeder Eise, spoedig door een zeldzamen aanleg voor de
Wis- en Sterrekunde, welke door het dagelijks onderwijs van den vader
werd ontwikkeld en gevoed. De vrucht van zijne ijverige oefeningen
bragt hij in 1776 bijeen in een groot boek (van 257 bladz.), hetwelk
hij tot titel gaf: Grondbeginselen der Astronomie of Sterreloopkunde,
op eene theoretische wijze verhandeld, waarin hij met keurig schrift
en nette teekeningen en berekeningen de gronden dezer wetenschap
ontvouwde. In het volgende jaar voegde hij daar achter een kunstwerk,
hetwelk hij noemde: Gnomonica of Sonnewijzers, Alle door passer en
lijnjaal afgepast op de noorderbreedte van Dronryp. Dit bevat in
170 bladz. de afbeeldingen en beschrijvingen van 86 verschillende
soorten van zonnewijzers, welke evenzeer van zijne nette manier
van werken als van zijnen vindingrijken geest getuigen [8]. Ook na
den dood zijns vaders, die den 24 October 1785, oud ruim 69 jaren
overleed [9], bleef hij in het ouderlijk huis en bedrijf werkzaam,
en zijne snipperuren gedurig besteden zoowel aan de Sterre-, Reken- en
Werktuigkunde, als aan de muzyk en het vervaardigen van fraai teeken-
en schrijfwerk. Hij overleed den 27 Januarij 1814. Als vader viel ook
hem het geluk te beurt, den lust en aanleg voor genoemde vakken te
ontwikkelen en aan te kweeken in zijn oudsten zoon Jelte, die eerlang
blijken gaf van groote verwachting. Want reeds op zijn zeventiende
jaar vervaardigde deze, bij wijze van uitspanning, een beweegbaar
astronomisch kunststuk, in den vorm van een staand uurwerk, waarop de
vaste sterren met de zon op- en ondergingen, met aanwijzing van den
waren en middelbaren tijd, van den ouderdom en de schijngestalten
der maan enz. Doch die vadervreugde werd eerlang vadersmart, toen
deze jongeling in de Fransche conscriptie viel, naar Rusland trok,
en, na de groote vermoeienissen van dien veldtogt, in 1812, in een
hospitaal te Kauno in Polen stierf, door zijne familie diep betreurd.
Uit zulk een geslacht, dat het voorregt bezat van het leven van
den geest, met liefde voor kunst en wetenschap, in hooge mate te
genieten, is Eise Jeltes of, zoo als hij zich later schreef, Eise
Eisinga voortgesproten. Den 21 Februarij 1744 te Dronrijp in het
huis No. 131 in de Kerkeburen geboren, werd hij door zijn vader
van jongs af opgeleid zoowel in het bedrijf van wolkammer als in
die wetenschappen, kunsten en liefhebberijen, welke zijnen geest
bestendig vervulden en zijne rusturen veraangenaamden. Dat die zoon
lust, aanleg en geschiktheid daarvoor betoonde en zich beijverde,
den vader behulpzaam te zijn in al zijne verrigtingen, was dezen
een onbegrijpelijk genot en eene sterke aansporing, om alles toe te
brengen, wat zijne kennis en bekwaamheid kon vermeerderen. Nog zeer
jong begaf hij zich nu en dan naar het naburige Franeker, ten einde van
een burgerman Willem Wytses eenig onderwijs te ontvangen in het rekenen
en de gronden der wiskunde. Hij doorliep bij dezen de zes eerste en
de 11e en 12e boeken van Euclides en erlangde eenige opleiding in de
klootsche driehoeksmeting, de kennis van het hemelstelsel, het gebruik
van de astronomische tafelen en het berekenen van de eklipsen. Hoe
onvolkomen dit onderwijs ook ware, mede wegens gemis aan geschikte
leerboeken,--zijn ongemeene aanleg en vernuft hadden genoeg aan enkele
vingerwijzingen, om het gehoorde te bewerken, uit te breiden en toe
te passen, en alzoo voort te streven langs een eigen pad.
Op den ouderdom van 17 jaren had hij het geluk, in kennis te geraken
met boven vermelden Wytse Foppes Dongjuma, zeer geacht Wiskundige en
Instrumentmaker te Leeuwarden. Toen de aandacht der sterrekundigen
bijzonder was gevestigd op het merkwaardige verschijnsel, dat de
planeet Venus op den 6 Junij 1761 voorbij de schijf der Zon zou
gaan, had deze instrumenten ontworpen tot het doen van naauwkeurige
waarnemingen. Zelfs de lands regering trok zich deze zaak aan,
en stond hem toe, deze werktuigen op staats kosten te vervaardigen
en daarmede waarnemingen te doen op het destijds onbewoonde oude
kasteel Camminghaburg bij Leeuwarden. Toen deze observatiën gelukkig
uitvielen en Wytse Foppes daarvan in twee werkjes aan de geleerde
wereld mededeeling deed [10], behaagde het Gedeputeerde Staten hem
bovendien een jaargeld van 100 Daalders te vereeren, welke som daarna
met nog 48 Gld. verhoogd werd.
Het mogt den jeugdigen Eisinga gebeuren deze waarnemingen bij te wonen,
en aan den gunstigen en eervollen uitslag daarvan sterke aansporing
te ontleenen, om zich met ijver op zijne lievelings-studiën toe te
leggen. Hij deed dit werkelijk, en als de vrucht dezer oefeningen
is nog lang bewaard een folio geschrift, bevattende teekeningen
en berekeningen van zonnewijzers, en een dergelijke band van ruim
100 bladz., bevattende naauwkeurige berekeningen van alle Zons- en
Maanverduisteringen, welke er van 1763 tot 1800 zouden plaats hebben,
vergezeld van teekeningen dergene, welke te Franeker zouden zigtbaar
zijn. Deze arbeid van een achttienjarig jongeling, gevoegd bij zijne
berekeningen van de standplaatsen der planeten, waarvan hij bij het
begin van elk jaar tafels voor elke maand vervaardigde, ten einde
dienst te bewijzen bij het doen van waarnemingen, mogten later de
bewondering van groote geleerden wegdragen; aangezien hij dien arbeid
had volbragt, geheel onbekend met het bestaan zelfs van sterrekundige
jaarboeken en tafels, waarin de vooraf berekende standplaatsen der
voornaamste hemelligchamen worden opgegeven.
Zonder eenige aanspraak op lof en eere had Eisinga dit alles te
Dronrijp in het ouderlijk huis verrigt, geheel in stilte, als
uitspanning na volbragte dagtaak, en zonder eenig opzien te baren;
zelfs zonder eenig uitzigt, dat deze studiën hem voor de toekomst van
eenig ander nut en voordeel zouden zijn, dan dat zij hem bevrediging
van weetlust aanboden. Hij volgde eene natuurlijke aandrift en was
verder zich zelven genoeg.
Dat ouderlijk huis kon evenwel zijne bestemming niet zijn. In
vier-en-twintig-jarigen ouderdom trad hij in het huwelijk met
Pietje Jacobs, van Hilaard, en vestigde zich in 1768 als Wolkammer
te Franeker in het huis de Ooijevaar, tegenover het Stadshuis. De
wolkammerij toch bloeide daar toenmaals ongemeen, en waren er 21
saaijet-fabrijken in werking, welke honderden handen werk gaven en
tonnen gouds in omloop bragten [11]. Als een stil burger, die zich
met geene andere zaken dan met zijn beroep scheen bezig te houden,
en die enkel jaarlijks voor zijn wolhandel eene reis naar Leiden deed,
leefde hij, zonder veel verkeering met anderen en zonder door anderen
opgemerkt te worden. Dit was ook een gevolg van zijn aard en karakter,
dat geheel den rustigen Fries vertoonde, die, in stille ingetogenheid,
bij eene afgetrokkene of geslotene geestgesteldheid, geene behoefte had
aan hulp of lof van anderen. Zelfs had hij geen verkeer met personen,
die de zelfde vakken beoefenden, waaraan hij zijne rusturen bestendig
bleef toewijden. Niemand kon dus in hem een vernuft vermoeden, dat
tot de stoutste onderneming zou opklimmen.
Hoe talrijk destijds ook de beminnaren van de Sterrekunde in
Friesland waren--het gros der bevolking nogtans voedde omtrent den
loop der hemelligchamen nog zulke bekrompene en zonderlinge begrippen,
dat ongemeene verschijnselen dikwijls aanleiding gaven tot groote
bewegingen. Kerkelijke naauwgezetheid voedde dan de kleingeestige
vrees voor schrikkelijke gevolgen, als zoo vele oordeelen Gods
wegens de zonden der menschen. Dit bleek ook ten jare 1774, toen het
merkwaardig verschijnsel verwacht werd, dat de planeten Jupiter, Mars,
Venus en Mercurius, gelijk ook de Maan, zich op den 8 Mei te gelijk in
het zelfde hemelteeken de Ram zouden bevinden. Een vroom godgeleerde,
die zich een "liefhebber der waarheid" noemde, vond daarin aanleiding
tot het schrijven van een werkje, getiteld: Philosophische Bedenkingen
over de Conjunctie van de planeten Jupiter enz. Hij betoogde hierin
op een gemoedelijken toon, dat deze conjunctie een verderfelijken
invloed zou kunnen hebben niet alleen op onzen aardbol, maar ook op
het geheele zonnestelsel, ja zelfs, dat dit eene voorbereiding of
begin zou kunnen worden van de slooping van het heelal, zoodat de
nadering van den jongsten dag als waarschijnlijk werd gesteld [12].
Hoe zouden de gemoederen van onkundigen, die van elke bevolking de
meerderheid uitmaken, door zulk eene voorspelling niet verontrust zijn
geworden? De algemeene vrees, waarmede de 8 Mei werd te gemoet gezien,
werd gevoed door drukkers en liedjeszangers, die op openbare straten
de goede gemeente tot boete en berouw vermaanden. Het liep eindelijk
zóó hoog, dat de overheid er zich meê bemoeide. Na de liedjes bij
de drukkers te hebben laten ophalen en de zangers vastzetten, liet
de Regering door een deskundige een berigt in de Leeuwarder Courant
plaatsen, dat er op dien dag niets anders zou gebeuren, dan dat men
vóór Zons-opgang, bij helder weder, de vier gemelde planeten en de
maan in genoemd hemelteeken zou zien, en dat dit verschijnsel, even
als de reeds voorgevallene conjunctiën van Mercurius en Mars, en van
de eerste en de Zon, geheel geen invloed op de aarde zou hebben [13].
Dit had de gewenschte uitwerking: want de dag, met zoo veel angst te
gemoet gezien, ging rustig voorbij, en beschaamde alzoo elke dwaze
voorspelling en alle kleingeestige vrees.
Deze volksbeweging was echter niet geheel nutteloos
geweest. Integendeel, zij had een belangrijk gevolg: want te midden der
algemeene onrust bleef Eisinga bedaard; hij vreesde niets, terwijl de
door hem vervaardigde tafelen den juisten stand der planeten aanwezen,
gelijk bij de waarneming van het verschijnsel bleek. Hij betreurde
alleen de onkunde der menigte, die blijkbaar geen begrip had van den
stand en loop der hemelligchamen; terwijl hij met verwondering had
ontwaard, hoe algemeen nog de voorstelling was ingeworteld, dat de
aarde in het middenpunt des hemelstelsels geplaatst zou zijn, en dat
de zon en de planeten zich rondom haar zouden bewegen.
Dat Eisinga dit stelsel van Ptolemaeus en Tycho Brahé verwierp, en
dat van den miskenden Copernicus aankleefde, was natuurlijk na zoo
vele jaren van onderzoek en oefening. De wensch, om ook anderen
daarvan te overtuigen; de inval, hoe aangenaam het zou zijn,
een werktuig te bezitten, waardoor men te allen tijde den waren
stand der hemelligchamen zou kunnen gewaar worden en aantoonen;
de mogelijkheid, om dit op eene eenvoudige wijze ten uitvoer te
brengen--dit alles vervulde zijnen geest. Na ernstige overpeinzingen,
mat hij zijne krachten, en--de inval werd een voornemen en dit een vast
besluit, om zelf handen aan het werk te slaan, ten einde, tot eigen
gemak en genoegen en bij gelegenheid tot voorlichting van anderen,
aan den zolder zijner woonkamer een geregeld bewegend werktuig te
vervaardigen, hetwelk hem den stand des hemels, de ware plaats en den
geregelden gang van zon, maan en dwaalsterren bestendig voor oogen zou
stellen. Behalve het genoegen, dat zulk eene huiselijke werkzaamheid
in zijn liefhebberijvak hem scheen aan te bieden, meende hij door zulk
eene aanschouwelijke voorstelling bij den zamenstand of conjunctie
der planeten ook de ongegrondheid te zullen kunnen aantoonen van de
vrees voor nadeelige gevolgen daarvan voor onze aarde.
Na zijne huisvrouw het plan medegedeeld en den duur van den arbeid
op zeven jaren bepaald te hebben, werden de handen ijverig aan het
werk geslagen, echter zonder verwaarloozing van zijn beroep, dat
altijd hoofdzaak bleef. Het geheele zamenstel werd nu berekend en
overwogen, en vervolgens gewijzigd naar plaatselijke omstandigheden
en de bekrompene ruimte, waarover hij te beschikken had. Ten gevolge
daarvan deden er zich weldra bezwaren en moeijelijkheden op, welke hij
vooraf kwalijk kon voorzien en die toch door geduld of vernuft moesten
overwonnen worden. Wij noemen daarvan enkel de belemmering, welke de
bedstede veroorzaakte, waarop hij zijne nachtrust genoot. Deze kon
hij niet anders dan met vele moeite overwinnen door de verkorting
van den slinger, welke het gansche uurwerk in beweging moest
brengen, tot op 80 slagen in eene minuut, dewijl eene meerdere
lengte, voor 60 slagen, volgens zijn eerste plan, die bedstede
onbruikbaar gemaakt zou hebben. Ook de dikte der balken van het
gebouw, waarvan de plankenvloer verhoogd en aan welke een nieuwe
zolder, waarin het werk zich zou bewegen, verbonden moest worden,
veroorzaakte een bezwaar bij de plaatsing van al de raderen, zoodat
hij zich verpligt zag, drie assen in plaats van ééne te gebruiken. De
berekening van de vereischte tanden in een honderdtal raderen en
rondsels, bij zoo verschillende bewegingen, kostte hem mede groote
moeite en zorg, bijzonder, omdat hij vervolgens ook een hemelsplein
en maanwijzers daarmede in verbinding bragt. Alle krachten van geest
en ligchaam moesten daarbij ingespannen worden, dewijl hij zélf alles
verrigtte. Beurtelings toch was hij wolkammer en rekenaar, teekenaar
en werktuigkundige, timmerman en uurwerkmaker, draaijer en schilder
en wat dies meer zij, zonder ooit eenig Planetarium of plaat daarvan
gezien te hebben, zonder gebruik te maken van de vele hulpmiddelen
en geschriften, welke er destijds reeds bestonden, en zonder dat hij
van iemand eenige andere hulp genoot, dan dat hij de vier benoodigde
koperen raderen naar zijn voorschrift door een klokmaker liet bewerken,
en dat zijn vader, wien hij over het werk geraadpleegd had, eenige
schijven en assen op de door dezen vervaardigde kunstdraaibank heeft
gedraaid. Voor elks oog verborgen, verstoken van alle aanmoediging en
de minste vertooning of opspraak vermijdende, werkte hij rustig voort
en vorderde dagelijks in stilte. En dat hem bij dat alles een vrome
geest bezielde, vol van eerbied voor den grooten Schepper van het
bewonderenswaardig heelal, daarvan getuigt de nog op zijne werkplaats
aanwezige spreuk, die hij dagelijks voor oogen had: GEDENKT DAT GODT
BIJ U ALTIJD HIER TEGENWOORDIG IS [14].
Te midden van dezen ijverigen arbeid deden er zich echter onvoorziene
verhinderingen op, welke hem op het verlies van kostbaren tijd te staan
kwamen. Hij werd tot verscheidene onvermijdelijke lastposten geroepen,
als: tot Collectant voor de armen, tot Officier der Schutterij, tot
Vroedsman of lid der Stedelijke Regering en tot Armvoogd. Bovendien zag
hij zich aangesteld tot Collecteur of Ontvanger van 's Lands middelen
op den brandewijn en de havenspeciën. In deze betrekking vervaardigde
hij zeer naauwkeurige lijsten, waarop men den impost van allerhande
waren uitgerekend vond. Vermits deze ook voor kooplieden en andere
ontvangers zeer dienstig konden zijn, liet hij ze in 1778 drukken,
en maakte bij die gelegenheid eenige melding van het werktuig, dat
hij onder handen had. Dan, deze lijsten kwamen enkel onder de oogen
van hen, voor wie ze vervaardigd waren, en zijne mededeeling trok
dus geheel niet de aandacht van deskundigen [15].
Als blijken van onderscheiding en vertrouwen waren al die betrekkingen
hem wel aangenaam en nam hij ze met zorg waar, doch de uren van
werkzame uitspanning, welke hij zoo gaarne en met liefde aan zijn
planetarium besteedde, zag hij daardoor zeer inkrimpen. Met des te
meer geestkracht en vlijt werkte hij voort, en nog waren er in 1778
geene vier jaren verloopen, of het werktuig was reeds gangbaar en
het geheel in Februarij 1780 nagenoeg voltooid. Zie hier een overzigt
van het gansche zamenstel:
In het midden van de kamer had hij aan den zolder een stilstaande
Zon afgebeeld, uitschietende 24 stralen, waarvan om de andere eene
zwarte lijn voortkomt, strekkende tot aan den buitenrand, welke de
Ecliptica verbeeldt en deelende dezen cirkel in 12 vakken, welke de
hemelteekens of den dierenriem voorstellen. Tusschen dezen rand en
de zon had hij in het plafond zeven nagenoeg cirkelvormige sleuven
aangebragt, waarin de planeten (door hangende bolletjes voorgesteld)
hun bepaalden omloopstijd rondom de zon volbrengen; in beweging gebragt
door een uurwerk, waarvan de slinger zich boven de bedstede en de
raderen zich tusschen twee zolders (op en onder de balken) bevinden.
Het bolletje in de eerste sleuf verbeeldt de planeet Mercurius, die
in 88 dagen haar loop om de zon volbrengt;--dat in de tweede, Venus,
de morgen- en avondster, die 225 dagen daartoe noodig heeft;--de
derde cirkel is de weg, welke onze Aarde in 365 1/4 dagen om de zon
volbrengt, nevens wier bol eene kleinere de Maan verbeeldt, welke
in ruim 27 dagen om de Aarde en tevens om haar eigen as draait, en
met de aarde eens in 't jaar om de zon gevoerd wordt, waardoor dit
maan-bolletje (dat half verguld en half zwart is) altijd de vergulden
kant naar de zon gekeerd houdt;--de vierde bol is de planeet Mars, met
687 dagen omloopstijd;--de vijfde, Jupiter, met 4 kleinere bolletjes,
welke zijne wachters of manen voorstellen, loopt in 11 jaren en 315
1/3 dagen rond;--in de zesde sleuf stelt eene bol, met een platten
breeden ring omvangen en van 5 manen vergezeld, Saturnus voor, welke
in 29 jaren en 164 dagen zijn loop om de zon volbrengt;--de zevende
en uiterste sleuf verbeeldt den weg van de Zon, waarin een wijzer,
in 365 dagen ééns rond gaande, aan de binnenzijde de teekens en
graden van de lengte der zon op de ecliptica en aan de buitenzijde
de maanden en dagen van het jaar en de declinatie der zon aanwijst
[16].--Tot aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde had hij
verder aan den zolder twee en aan de bedschutting twee groote en vier
kleine cirkels met wijzers geplaatst; waar tusschen zich in het midden
gelijke aanwijzingen bevonden van den dag der week, het uur van den
dag en het jaartal, alsmede van de schijnbare beweging der zon en
vaste sterren. Dit laatste Hemelsplein en niet minder de Maanwijzers,
die de ongeregelde beweging der maan zeer naauwkeurig voorstellen,
veroorzaakten Eisinga bij de zamenstelling de meeste moeite en zorg.
Zoo verre was het werktuig voltooid, hoewel nog niet opgeschilderd,
toen zich op den 22 Februarij 1780 onverwacht drie Franeker
Hoogleeraren bij Eisinga aanmeldden, hem te kennen gevende, vernomen
te hebben, dat hij een aardig werktuigje had vervaardigd, hetwelk
zij gaarne eens zouden willen zien. Het waren de Proff. J. H. van
Swinden, G. Coopmans en E. Wigeri. Met de hem eigene bescheidenheid
en nederigheid antwoordde Eisinga, dat hij niet wist of zijn
werktuig de belangstelling der Heeren wel verdiende; dat het nog
lang niet geheel voltooid was, waartoe hem de tijd had ontbroken,
doch dat hij evenwel bereid was het hun te laten zien. Men trad de
burger-woonkamer binnen, hief de oogen op, en vroeg nu en dan eenige
verklaring van den maker. Wat de twee laatstgenoemde Hoogleeraren
dachten en gevoelden, is ons onbekend gebleven; maar Prof. van Swinden,
die elders "onderscheidene Planetaria had gezien; die dikwijls over
dergelijke werktuigen had nagedacht, ja, die zelf eens eene schets
van een eenvoudig Planetarium had ontworpen",--zoodra had deze het
geheel niet overzien en begrepen, of hij werd "door eene wezenlijke
verrukking over de fraaiheid van dit kunststuk vervoerd," en, ofschoon
hij twee volle uren aan de bezigtiging besteedde, twijfelde hij nog,
of hij, "door de verwondering als overstelpt, alles wel volkomen had
ingezien en nagegaan." Te huis gekomen, ging hij alles na, teekende
het voornaamste op, overwoog de vereischten van zulk een werktuig, las
verscheidene schrijvers, om zich van de waarde van dit Planetarium te
overtuigen, en stelde eenige gedachten en vragen tot nader onderzoek
op het papier. Den 13 Maart bezocht hij Eisinga op nieuw in gezelschap
van Prof. Schrader, Prof. Garcin, Baron van Aylva, Do. P. Stinstra
en anderen. Bij een onderzoek van eenige uren bleek hem nu, dat de
eerste reis veel zijner aandacht ontglipt was, en dat het kunststuk
meerdere voortreffelijkheden bezat, dan hij verwacht had. En na eene
derde bezigtiging en veelvuldige inlichtingen van den vervaardiger,
was "zijne verwondering, wel verre van door den tijd te slijten,
bij eene naauwkeurige kennis van het geheel, nog grooter dan zij in
den beginne was." "Verrukkend was het hem, gewaar te worden, hoe de
grootste zwarigheden voor een groot vernuft als kaf verdwijnen, en hoe
men, door de eenvoudigste middelen, wanneer men een daartoe geschikten
geest bezit, de meest zamengestelde stukken kan vervaardigen. Naarmate
hij ieder stuk in deszelfs wezenlijke waarde leerde kennen, voelde
hij zijne achting voor den vervaardiger groeijen en zijne blijdschap
vermeerderen, van door diens onderrigtingen vorderingen te maken in
sommige deelen der werktuigkunde."
Prof. van Swinden gaf zijne ingenomenheid met dit voortreffelijke
kunststuk het eerst lucht, door het ontwerpen van eene korte schets
daarvan, welke hij toezond aan zijnen broeder den Advokaat S. P. van
Swinden te 's Hage, alsmede aan de Akademie der Wetenschappen te
Brussel, aan den Prins Van Gallitzin, aan de beroemde geleerden
De Luc, destijds te Londen, Cotte te Montmorenci en Gaussen te
Montpellier; en alleen gebrek aan tijd verhinderde hem vooreerst
gelijke mededeeling te doen aan zijne correspondenten te Parijs,
te Petersburg en in Duitschland, Zwitserland en Italië. Doch
ook als burger en geleerde besefte hij zijne verpligting jegens
zijn vaderland, om de verdiensten van een voortreffelijk burger en
stadgenoot algemeen bekend te maken. "Wegens vindingrijk vernuft en
bijzondere vermogens voor de werktuigkunde mogten toch de Friezen zich
evenzeer op Eisinga beroemen als de Engelschen op Harrison en Ferguson,
aan wie uitstekende belooningen ten deel vielen. Dáárom en om ieder
voor te lichten, die het Planetarium voortaan zou willen beschouwen
en in zijne waarde leeren kennen, doch vooral, om geringschatting
en verkeerde beoordeeling te vermijden,--besloot Van Swinden eene
uitvoerige beschrijving van het gansche Planetarium in het licht te
geven. Hij deed dit in Junij 1780 en dus nog vóór het schilderen en
vergulden van het vertrek en van de voorwerpen, waarmede Eisinga van
Augustus 1780 tot Mei 1781 is bezig geweest, waardoor het geheel een
veel fraaijer en meer sprekend voorkomen bekwam. Hij deed dit met eene
vlijt en studie, welke geëvenredigd waren aan de waarde, welke hij aan
het kunststuk hechtte, en "werd daarbij veel uitvoeriger dan hij zich
voorstelde, uit hoofde van het genoegen, hetwelk hem het opstellen
verschafte." Hij droeg het werkje, waarmede hij groote eer behaalde,
op aan zijnen broeder bovengenoemd, die na verloop van weinige weken
in persoon overkwam, om met eigen oogen het Planetarium te zien en
in de bewondering zijns broeders te deelen.
Naauwelijks toch was deze beschrijving in het licht verschenen, en was
het algemeen op de hooge waarde van het Planetarium oplettend gemaakt,
of de stille woning van Eisinga werd bijna dagelijks door een aantal
personen bezocht, dat, uit nieuwsgierigheid of belangstelling, de
bezigtiging kwam verzoeken. Van den 22 Februarij tot den 4 Junij was de
beschouwing slechts aan een twintigtal personen, meest Hoogleeraren en
Doopsgezinde Predikanten, veelal onder geleide van Prof. van Swinden,
vergund geworden. Doch pas was de beschrijving in het licht, of het
getal groeide dermate aan, dat van den 22 Junij tot den 31 Julij het
getal bezoekers, waaronder vele aanzienlijke personen en geleerden,
ruim honderd bedroeg. Hoe aangenaam deze blijken van belangstelling
Eisinga ook waren, zij hinderden hem, omdat het werktuig zich
zeer onaanzienlijk voordeed, en nog afgewerkt en geschilderd moest
worden. Hij moest dus den toegang weldra een tijdlang weigeren, om zich
daarmede bezig te houden. In dien tusschentijd liet hij slechts enkele
personen toe. Na de voltooijing, in het laatst van Mei 1781, werd de
bezigtiging weder opengesteld, en groot was van nu af aan de toeloop
van beschouwers, uit alle oorden des lands. Gansche gezelschappen
maakten eene afzonderlijke reis naar Franeker, om een kunststuk te
zien, dat sedert als de meest bezienswaardige bijzonderheid dezer stad
werd vereerd. Algemeen was de bewondering en groot de lof, welke den
eenvoudigen maker daarover (vaak al te uitbundig) werd toegezwaaid,
zoodat deze eerbewijzen hem dikwijls meer hinderlijk dan aangenaam
waren. Vroeger had hij de namen der bezoekers aangeteekend, doch nu
voerde hij het gebruik in, dat ieder bezoeker zijne handteekening
zette in een eenvoudig boekje of album, hetwelk hij als herinnering
bewaarde [17].
Een kunstwerk, dat dermate de algemeene bewondering opwekte, moest ook
wel de aandacht trekken der Staten van Friesland, die weleer door zoo
vele eervolle gunstbewijzen de beoefening van wetenschap en kunst in
dit gewest hebben aangemoedigd [18]. Op den Landsdag van den 18 Julij
1783 werd namelijk voorgedragen, "dat door den Vroedsman Eisinga te
Franeker uitgevonden en met grooten arbeid en kosten vervaardigd was
een uitmuntend "Hemisphærium," hetwelk meer wereldkundig was geworden
door de beschrijving, welke Prof. van Swinden daarvan in het licht
had gegeven, waardoor het de verwondering en aandacht der geleerden,
zoo binnen- als buitenlands had tot zich getrokken, en hetwelk wel
verdiende de zigtbare blijken van goedkeuring en deelneming der Hooge
Overheid te ontvangen, opdat ook 's Lands Universiteit aldaar in het
toekomende daarvan nut en eere mogt hebben." Voorloopig werd hierop,
vooral wegens het laatst aangevoerde, besloten, daarop de consideratiën
te verzoeken van de Heeren Curatoren der Hoogeschool te Franeker.
Gelukkig, dat deze daarin raad en voorlichting vroegen van den man,
die het meest bevoegd was, over de zaak te oordeelen. Zij vroegen
de consideratiën van Prof. van Swinden en deze voldeed zeer gaarne
aan hun verzoek. Bij eene uitvoerige missive (groot 17 bladz. [19])
beantwoordde hij den 7 September 1783 de twee vragen: "of het kunststuk
de zigtbare blijken der goedkeuring en deelneming van de Regering
verdiende, en of die blijken ook zoodanig zouden kunnen worden gegeven,
dat ook de Universiteit er nut en eere van hebbe." Hij stemt de eerste
vraag toe, ten eersten, omdat dit Planetarium in zich zelf uitnemend en
zonder weêrga is, dewijl er geen ander kunststuk bekend was, waarop de
schikking, bewegingen en verschijnselen der hemelligchamen zóó talrijk,
zóó zigtbaar en zóó naauwkeurig vertoond worden, gelijk bleek uit de
vergelijking met andere werktuigen, en ook uit den hoogen lof, door
buitenlandsche geleerden van den eersten rang, zelfs door Engelsche
Journalisten, na het uitgeven van zijne Beschrijving hieraan toegekend.
Ten tweeden, omdat de uitvinder eene schranderheid van geest, een
vernuft en verbeeldingskracht had aan den dag gelegd, welke de meeste
bewondering verdienden in eene zaak, die den oppervlakkigen beschouwer
het minst in het oog valt, namelijk: de kunstige zamenstelling van het
Raderwerk, dat alle en zeer ongelijke bewegingen op de eenvoudigste
wijze te weeg brengt, en daardoor de meest moeijelijke bezwaren
der mechanica overwonnen heeft. Ja, Van Swinden betuigt, dat hij
meermalen verstomd had gestaan bij het beschouwen van het geheele
zamenstel der raderen, hoe zich in een man als Eisinga (zonder eenig
onderwijs in de werktuigkunde genoten te hebben, zonder iemand of eenig
boek te raadplegen, zonder te weten, dat er soortgelijke werktuigen
bestonden, ja die vroeger nimmer op werktuigen had nagedacht) zich op
eens een ongemeene mechanische geest heeft ontwikkeld, waarvan deze
zich zelven niet bewust was. "Waarlijk," dus besluit hij dit punt,
"hoe meer ik het kunststuk beschouw, hoe meer ik de eenvoudigheid van
het raderwerk en van het geheele zamenstel bewonder, en deskundigen
zijn er met mij over verwonderd geweest."--Vandaar, dat hij ten
derden uitvoerig betoogt, hoe eervol het voor de Staten zoowel als
voor Eisinga zou zijn, als hem (in navolging van Frankrijk, Engeland
enz. die uitstekende bekwaamheden erkenden en vereerden) door de
Hooge Overheid ter belooning, ter aanmoediging en ter vergoeding
der zware onkosten en onbegrijpelijke moeite, eene som gelds wierd
toegekend, waardoor zijne verdiensten en eere als met het zegel van
den Souverein bestempeld zouden worden, tot geene geringe aansporing
van vele andere Friezen, ten einde al hunne krachten en vermogens in
te spannen, om den lande, de kunsten en de wetenschappen nuttig te
zijn, en den roem en de eere der Friezen uit te breiden.
Maar nog grooter blijk van zijne hooge ingenomenheid met het kunststuk
gaf Prof. van Swinden, toen hij, ter beantwoording van de tweede vraag,
niets minder voorstelde, dan om Heeren Staten te bewegen, Eisinga uit
te noodigen en in staat te stellen, om, tot roem en sieraad van de
Akademie en van de stad Franeker en tot groot nut van de studenten, op
Lands kosten in het Akademiegebouw een geheel nieuw en meer volmaakt
Planetarium te vervaardigen dan dat, hetwelk hij naar de bekrompene
ruimte van zijne woning had moeten schikken en niet wel verplaatst
kon worden; alsmede, dat daarvan eene uitvoerige en met goede platen
verrijkte Beschrijving op Lands kosten mogt worden uitgegeven;
waardoor het nut daarvan voor de studerende jeugd bevorderd en de
roem der Akademie, zoo als ook de milddadigheid en prijzenswaardige
ijver der Hooge Overheid tot het aankweeken van nuttige kunsten en
wetenschappen algemeen ruchtbaar en verspreid zouden worden.
Zulk een advies van den meest bevoegden beoordeelaar was voor Eisinga
zeker veel meer vereerend dan het Staatsbesluit, dat dien ten gevolge
den 6 Maart 1784 werd genomen. Ondanks de hooge ingenomenheid van
Prof. van Swinden met het kunststuk en de krachtigste bewoordingen,
om deszelfs uitstekende verdiensten aan te duiden, werd zijn laatste
voorstel daarin voorbijgegaan, en, op vroeger vermelde gronden, alleen
besloten: "de kundigheid en ijver van Eisinga allezins te lauderen,
en hem, ten teeken van het genoegen der Staten in zijn arbeid, aan
te bieden een stuk gewerkt zilvers ter zijner keuze, ter waarde van
ten hoogste honderd zilveren Dukatons" (f 315).
Zeker steekt het bedrag van dit geschenk "als blijk der goedkeuring
en deelneming van de hooge Overheid," sterk af bij de schatting van
Prof. Van Swinden, en zou Eisinga dáárin en in de wijze, waarop het
door hem gekozene zilverwerk (bestaande in eene koffijkan en theepot)
hem, zonder eenige opdragt, toeëigening of geleide, door den knecht
van een zilversmid aan hem werd bezorgd, redenen van kleinachting
gevonden hebben,--indien hij mindere zelfgenoegzaamheid had bezeten,
en als hij in de gansche behandeling van deze zaak niet reeds de
blijken van den bekrompen geest van den toenmaals reeds smeulenden
staatstwist had gemeend te bemerken, welke hem zoo zeer bedroefden,
en later op zoo vele tranen kwamen te staan.
Het was er verre af, dat Eisinga met de voltooijing van zijn werktuig,
in Mei 1781, zijn arbeid als geëindigd beschouwd zou hebben. Neen,
bestendig bleef hij aan de verbetering en volmaking van het geheel
werkzaam. Spoedig kwam het hem beter voor, de wijzers, welke de
lichtgestalten der Maan voorstellen (onder op de pilasters van de
bedschutting geplaatst), nog tegen den zolder te brengen, waar meer
ruimte was om de zaak naauwkeurig voor te stellen [20]. Daar eene
verplaatsing en verschikking van het geheele raderwerk dezer beweging
hieraan verbonden was, volbragt hij deze verbetering met zeer veel
moeite. Doch hij zette de kroon op zijn werk, door de zamenstelling
van een geschrift, dat de duurzame waarde van zijn kunststuk, ook
voor het nageslacht, zou verhoogen.
In November 1784 vervaardigde hij namelijk eene Naauwkeurige
Beschrijving en Afteekeningen van de uitwendige vertooning en de
inwendige zamenstelling van het gansche Planetarium. Dit met zorg
bewerkte geschrift (groot 100 folio bladzijden) bestemde hij voor zijne
zonen, aan wie hij het opdroeg, opdat zij en hunne nakomelingen na
zijn overlijden in staat mogten zijn het werktuig in orde en gangbaar
te houden. In zeven hoofdstukken beschreef hij, met bijvoeging van
afbeeldingen, de uitwendige vertooning en de inwendige beweging van
ieder ring, rad, rondsel of as, met het getal tanden, staven en bonkels
en den tijd van hunnen omloop, waartoe hij elk stuk met een nommer had
voorzien; hij wees hun aan, hoe alles uit elkander genomen, hersteld en
ineengezet moest worden, en onderrigtte hen omtrent het vermogen van
den slinger, de kracht der gewigten, en hoe sommige gedeelten van de
beweging afgesloten en het geheel door het ronddraaijen van een kruk
naar verkiezing bewogen kon worden enz. Met eene bewonderenswaardige
naauwkeurigheid en duidelijkheid legde hij hierin het gansche zamenstel
bloot en gaf hij rekenschap wáárom hij alles zóódanig had ingerigt
[21]. Naar deze aanwijzingen onderhouden, vleide hij zich, dat het
werktuig met zeer weinig moeite en kosten gangbaar kon blijven tot
eene lengte van jaren, ja van geslachte tot geslachte.
Zóó waande de brave en verdienstelijke man, die nu alles meende
verrigt te hebben wat in zijne magt stond, om den onafgebroken gang van
zijn geliefkoosd en beroemd kunstwerk te verzekeren. Maar spoediger
dan hij kon vermoeden, ja nog bij zijn leven, zou het stilstaan,
om jaren aaneen als in vergetelheid weg te kwijnen. De vrede en
rust, welke Nederland bij het genot van welvaart en eensgezindheid
zoo lang had genoten, waren sedert 1780 verstoord door staatkundige
geschillen en burgerlijke verdeeldheden. Ten jare 1787 hadden deze
het toppunt bereikt. Franeker werd het middelpunt der beroerten,
waarin de gewapende misnoegden tegen het stadhouderlijk gezag zich
vereenigd hadden, en Eisinga, de stille, rustige burger, bevond zich
aan het hoofd der stedelijke burgermagt, dewijl hem door Magistraat
en Vroedschap, bij de jaarlijksche verdeeling van de commissiën,
in dát jaar de last was op gedragen van toezigt over de zaken der
Schutterij. Weldra herstelde de overmagt der Pruissische troepen het
stadhouderlijk gezag; het lang versterkte Franeker werd hernomen,
en--honderden Friezen vonden het geraden, huis, have en vaderland te
verlaten, om alzoo door de vlugt nog grootere bezwaren te ontgaan.
Ook Eisinga deelde in dit lot. Hoezeer zijner onschuld en goede
bedoelingen bewust, moest ook hij gade en kinderen verlaten, en,
van zijn geliefd Planetarium verwijderd, doelloos in den vreemde
rondzwerven. Daar moest hij na verloop van weinige maanden den
dood zijner beminde huisvrouw beweenen, zonder dat het hem vergund
was geweest haar in de laatste ure bij te staan. De opvoeding van
zijne zonen moest hij aan bloedverwanten overlaten. Zijn huis werd
verhuurd, zijne meubelen verkocht, en niemand sloeg acht op het
stilstaande kunststuk, om welks vervaardiging hij nog kort geleden
met zoo veel lof en eere gekroond was. Een tijdlang hield hij zich
te Steinfort en te Gronau op, gebogen onder diepe smart. Te Enschedé
verzachtte de vriendschap van den bekwamen Lambertus Nieuwenhuis,
even als hij beoefenaar van de natuur- en wiskundige wetenschappen,
in wiens familie hij gastvrij werd opgenomen, eenigen tijd zijn bijna
onduldbaar lijden. In April 1790 waagde hij het, Gronau te verlaten,
en over Koevorden en Assen naar Groningen te wandelen, waar hij
wilde rondzien naar eene gelegenheid, om zich ergens als wolkammer
te vestigen. Hij meende die te Visvliet, aan de Friesche grenzen,
gevonden te hebben, en mogt daar bijna een jaar lang veilig wonen
en zijn beroep hervatten. Doch de vijand, waarvoor hij gevlugt was,
sliep niet. In het begin van April 1791 werd hij daar namens het Hof
van Friesland gevat, naar het Blokhuis te Leeuwarden gevoerd, en,
na een breedvoerig proces, op de beschuldiging, van als lid van het
defensiewezen deelgenomen te hebben aan de oproerige bewegingen te
Franeker in 1787, eerst den 27 April 1792 veroordeeld, om voor vijf
jaren uit deze provincie te worden gebannen. Hij begaf zich toen weder
naar Visvliet, en mogt daar vele bewijzen van ondersteunende hulp
ontvangen en ook eene tweede gade vinden in Trijntje Eelkes Sickema,
die vervolgens de steun en vreugde van zijn leven bleef en bij welke
hij twee dochters verwekte.
De omwenteling van 1795 maakte een einde aan zijne ballingschap. Hij
kwam te Franeker terug, doch vond zijn huis verhuurd aan vreemden,
zoodat hij voorloopig eene andere woning moest betrekken. Eerst in
het volgende jaar keerde hij in zijn huis terug, hervatte hij zijn
vorig bedrijf en werd zijn Planetarium, na een stilstand en gemis aan
toevoorzigt van negen jaren, weder het groote voorwerp zijner zorgen
in de uren van verpoozing. Met vernieuwden lust werd het hersteld
en gangbaar gemaakt, zoodat het eerlang weder ter bezigtiging van
het algemeen werd opengesteld, en op nieuw, als vroeger, talrijke
belangstellende bezoekers vond [22].
Onder het genot van huiselijk geluk en de welverdiende hoogachting
zijner medeburgers, sleet Eisinga nu vele rustige en gelukkige
jaren. Door het algemeen vertrouwen zag hij zich met de waarneming
van verschillende betrekkingen vereerd. In 1797 werd hij zelfs benoemd
tot Curator van 's lands Akademie te Franeker, en werkte hij ijverig
mede tot herstel van deze beroemde Hoogeschool uit haren deerlijk
vervallen toestand. Bestendig hield hij zich als uitspanning met
sterrekundige berekeningen en werktuigen bezig. Hiervan getuigt nog
een in zijne familie bewaard: Stereographisch ontwerp der Sterrenhemel,
van de Noorderpool tot de 35 graden zuider-afwijking, van J. E. Bode,
voor het gebruik gemakkelijk gemaakt. Hiertoe had hij deze kaart op
eene draaijende schijf geplakt en van een rand voorzien, waarop de
maanden en dagen uitgedrukt zijn. Daar vóór is een glas, waarop de
horizont, de hoogte, de cirkels en 16 kompasstreken zijn getrokken;
alles zeer geschikt, om op een bepaald tijdpunt den stand der vaste
sterren te kunnen voorstellen [23].
Het laatste stuk, door hem uitgedacht en geteekend, was een klein
Planetarium, waarop de loopbanen van Mercurius, Venus, de Aarde met de
Maan, Mars, Jupiter en Saturnus waren geplaatst in hare betrekkelijke
afstanden van de Zon, waarvan de bijzonderheden in het Aanhangsel
tot de Beschrijving zijn medegedeeld.
Zijne bestendige zucht, om het Planetarium van tijd tot tijd te
verbeteren, werd gevoed door een heimelijken wensch, welke steeds zijn
geest vervulde en scherpte. Het was de hoop, dat het hem in de kracht
zijns levens mogt gebeuren, zich in de gelegenheid gesteld te zien, om
(zoo als Prof. van Swinden het eerst had voorgesteld) ergens elders
op grootere schaal een veel volmaakter Planetarium zamen te stellen,
waartoe hij al de vereischte berekeningen gemaakt en de ontwerpen
gereed had. Hij had dien wensch meermalen te kennen gegeven, en zelfs
eenmaal, als balling, zich tot de uitvoering daarvan aangeboden,
slechts tot den prijs van vrij en veilig in zijn vaderlijk gewest te
mogen wederkeeren; maar te vergeefs [24].
Die hoop werd verlevendigd, toen de voortreffelijke Gerrit Hesselink,
Hoogleeraar bij de Doopsgezinden te Amsterdam, het Planetarium in
Augustus 1800 met zóó veel belangstelling en bewondering bezigtigde,
dat hij zich opgewekt vond, in de maatschappij: Felix Meritis daarover
eene verhandeling voor te dragen. Deze had ten doel, om genoegzame
belangstelling te verwekken, dat Eisinga uitgenoodigd zou worden, om,
op kosten en in het gebouw dier Maatschappij, zulk een kunstwerk
met alle gewenschte verbeteringen te vervaardigen. Die wensch
werd ondersteund door den achtenswaardigen kunstminnaar J. d'Amour
van Amsterdam, die, in dezelfde maand Eisinga bezoekende, hem diep
getroffen zijne bewondering en dank betuigde, en eene som van duizend
guldens aanbood, indien men kon besluiten Eisinga uit te noodigen,
in Amsterdam een dergelijk Planetarium te vervaardigen. Doch ook deze
zaak had geen gevolg.
Nog krachtiger werd die hoop verlevendigd, toen Eisinga in 1808 een
bezoek ontving van den Admiraal de Winter, Marschalk van Holland, zoo
als hij zich in het album betitelde. Na met zijn gevolg het kunststuk
met ongemeene deelneming bezigtigd te hebben, was hij voornemens, om
Koning Lodewijk, bij zijne voorgenomene reis naar Friesland, de zaak
met zoo veel aandrang voor te dragen, dat de Vorst overgehaald wierde,
om het vervaardigen van een vollediger Planetarium en Hemisphærium,
in het gebouw der Franeker Akademie of elders, aan Eisinga op te
dragen. Mogt hij hierin niet slagen, dan hoopte hij dit plan door
vereenigde krachten van vele beminnaars der wetenschappen en het
vaderland te verwezenlijken. Doch weder te vergeefs: de reis des
Konings had geen voortgang, en latere gebeurtenissen bragten dit
plan in vergetelheid. Dáárom is het bijzonder vreemd, dat bij al de
bemoeijingen van het toenmalig bewind, om verdiensten en talenten op te
sporen en aan te moedigen, waaraan Arjen Roelofs, Sieds Johannes Rienks
and Bauke Eisma van der Bildt eereblijken en onderscheidingen te danken
hadden, Eisinga werd voorbijgegaan, en dat hij zelfs niet genoemd werd
in het bekende verslag van den Heer J. Meerman, Directeur-Generaal
der Wetenschappen en Kunsten, van Zomermaand 1810 [25].
Welverre dat dit Eisinga, die in zedige nederigheid en
zelfgenoegzaamheid zijne grootheid zich zelven bijna onbewust was, zou
gekrenkt hebben. Maar aangenaam was het hem nogtans, na de heugelijke
herstelling des vaderlands, in Februarij 1816 vereerd te worden met
de benoeming tot Broeder der orde van den Nederlandschen Leeuw en
in dat zelfde jaar tot Lid van den Stedelijken Raad;--dat Koning
Willem I, die hem eerstgenoemde onderscheiding toekende, met Prins
Frederik der Nederlanden den 30 Junij 1818 zijn Planetarium met een
bezoek vereerde, en zich alles tot in de minste bijzonderheden liet
aanwijzen, waarbij beide vorsten de moeite niet schroomden, om in
de enge ruimte van het raderwerk te kruipen, vooral om de ongelijke
bewegingen der maanwijzers te bezigtigen;--dat ook de Kroonprins, later
Willem II, hem den 29 Julij 1820 met gelijke belangstelling bezocht,
en dat Mr. Jacobus Scheltema in 1818 zijne verdiensten openlijk in
het licht stelde door de uitgave van zijne Levensbeschrijving [26].
Niet minder verblijdend was het voor Eisinga, in 1824 een herdruk van
van Swinden's Beschrijving van zijn Planetarium te beleven. De geleerde
en smaakvolle Jan Brouwer, rustend leeraar bij de Doopsgezinden te
Leeuwarden, leidde deze nieuwe uitgave bij het publiek in met eene
uitvoerige Voorrede, welke sommige levensbijzonderheden vermeldde en
van zijne warme ingenomenheid zoowel met Eisinga en Van Swinden als
met beider arbeid getuigde. De belangrijkheid van dezen druk werd
verhoogd, eensdeels door de bijvoeging van drie groote platen, het
vertrek, de zoldering en de bedschutting voorstellende, door Eisinga
en zijnen vriend, den schranderen Klaas Johannes Sannes, in 1820
geteekend en nu in het koper gebragt; en anderdeels door Bijvoegsels
van Eisinga zelven, bevattende eene opgave van de veranderingen
en verbeteringen, welke het kunststuk sedert 1780 had ondergaan,
benevens eene beschrijving van de platen. Hij voegde daar achter
nog een Aanhangsel betrekkelijk het kleine Planetarium, door hem
uitgedacht en geteekend, en door Willem Jans Jansen, landbouwer te
Dongjum, in hout vervaardigd. Bovendien werd deze uitgave versierd
met het welgelijkend afbeeldsel van den eerbiedwaardigen grijsaard,
door gemelden K. J. Sannes, graanhandelaar te Franeker, geteekend en
door Do. J. Brouwer met een gepast bijschrift voorzien.
Was het getal bezoekers van het Planetarium in de laatst voorgaande
jaren reeds aanmerkelijk toegenomen, nog meer was dit het geval, nu
de herdruk van Van Swinden's Beschrijving (waarop ruim 200 personen
hadden ingeteekend) in veler handen was gekomen en de algemeene
aandacht op nieuw op het kunststuk had gevestigd. Streelend was het
den waardigen man, bij voortduring en als bij toeneming zoo vele
blijken van belangstelling te ontvangen. Deze waren ook inderdaad
een opmerkelijk verschijnsel. Het tijdstip der uitvinding was ter
bevordering van den bijval zeer gunstig geweest. Immers, in het midden
der 18e eeuw had de beoefening van de natuurkundige wetenschappen, in
het algemeen en in vergelijking van andere tijdvakken, in een staat
van kwijning verkeerd. 't Was toen de gouden eeuw van natuurkundige
aardigheden, der physique amusante. Maar die wetenschappen, en met
name de sterrekunde, herleefden op het laatst dier eeuw met nieuwe
kracht. De mécanique céleste werd beoefend en gaf aan de sterrekunde
eene nieuwe rigting en hoogere vlugt. De eischen der wetenschap
waren strenger, de kunst van waar te nemen was eene moeijelijke taak
geworden, naarmate het veld der beschouwing zich meer uitbreidde. Want
belangrijke en talrijke ontdekkingen volgden elkander op. Deze vingen
aan met den jare 1781 en hielden sedert niet op, zoodat er in de
jongst verloopene 70 jaren alleen 13 nieuwe planeten zijn ontdekt
geworden. Het jaar 1780, waarin Van Swinden schreef en den naam
van volledig Planetarium aan Eisinga's kunstwerk gaf, was alzoo
het laatste jaar, waarop dit van eenig dergelijk werktuig gezegd
kon worden. 't Was vervolgens toch bijna niet mogelijk, den zoo ver
verwijderden nieuweling Uranus op behoorlijken afstand in het gelid
der oude planeten te brengen, en nog minder de in het begin dezer eeuw
ontdekte vier nieuwe planeten, wier loopbanen elkander doorkruisen en
omslingeren. Toen hielden alle nabootsingen van het planetenstelsel,
zouden ze den naam van volledig dragen, voor altijd op, en waren de
bestaande planetaria zeer onvolledig geworden. Ook om die reden was
hunne waarde in het oog van kenners zeer gedaald, en die zelfde reden
was eene hinderpaal te meer geweest, om Eisinga tot de vervaardiging
van een Planetarium op grootere schaal in staat te stellen.
De blijken van duurzame belangstelling, welke het Planetarium
van Eisinga, in weerwil van dat alles, mogt ondervinden, waren
eensdeels gegrond op den roem, dien het eens bij zijne voltooijing
had verworven, en anderdeels op het mechanisme van den toestel, dat
altijd belangstelling en bewondering zal verdienen. Doch het is alsof
het algemeen, boven de hulde van eerbied voor zulk een kunstgewrocht
van menschelijke kennis en bekwaamheid, dit Planetarium nog eene
schatting van dankbaarheid toebrengt voor de diensten, welke het eens
der volksverlichting heeft bewezen. Door dit middel van astronomische
verzinnelijking toch heeft het stelsel van Copernicus bij het publiek
gereeder ingang gevonden, is het een volksgeloof geworden en heeft
het wanbegrippen verdrongen. En thans, nu het vroegere bijgeloof
aangaande de betrekking der aarde tot zon en planeten geweken is, zijn
de aanwijzingen van het Planetarium in volkomene overeenstemming met
hetgene ieder geleerd heeft en ieder gelooft; thans is de vatbaarheid
van het algemeen meer dan vroeger geschikt om de voorstelling te
begrijpen, en de hooge waarde van het kunstwerk op prijs te stellen.
De kalme tevredenheid van Eisinga werd echter soms verstoord door
eene grievende gedachte. Het was de vrees voor het lot van zijn
geliefd kunstwerk na zijn verscheiden. Dat zijn huis dan verkocht en
door vreemden bewoond zou worden, die, minder achting voedende voor
kunst en wetenschap, een stuk van zooveel waarde, door stilstand
en roest, zouden laten bederven, en, eenmaal verwaarloosd zijnde,
eens zouden kunnen sloopen,--dit was eene mogelijkheid, waaromtrent
hij, blijkens de ervaring gedurende zijne verbanning, de zekere
verwachting moest voeden. Vele bezoekers deelden in die vrees, en
gaven hun verlangen te kennen, dat het op eenige wijze voor kunst
en wetenschap bewaard en in stand gehouden mogt worden. In genoemde
voorrede had Do. Brouwer op zulk een gevreesd verlies, dat tot oneer
en schande van Friesland en Nederland zou strekken, gewezen en de
hoop gevoed, dat de grootmoedige belangstelling van den Koning het
behoud van het kunststuk ten algemeenen nutte mogt verzekeren.
Die wenk ging niet verloren. Jhr. Idsert Aebinga van Humalda, zelf
smaakvol beoefenaar en nog grooter beschermer van kunst en wetenschap,
was destijds Gouverneur van Vriesland. Door zijne bemiddeling
behaagde het Koning Willem I, bij besluit van den 28 December 1825,
het Planetarium voor het Rijk aan te koopen. Groot was de vreugde
van den waardigen grijsaard over deze eervolle beschikking. Op den
4 October 1826 begaf de Gouverneur met een Notaris en twee getuigen
zich naar de woning van Eisinga, en werd daar de acte van transport
geteekend, waarbij hij zijn Huis en Planetarium voor de som van tien
duizend gulden aan het Rijk overdroeg, met bepaling, dat hem daarin
vrije woning en 200 Gld. 's jaars voor het toezigt werd toegekend, al
hetwelk vervolgens op zijnen zoon Jacobus Eisinga zou overgaan. Daarbij
werd het oppertoezigt aan den tijdelijken Hoogleeraar in de Astronomie
aan 's Rijks Athenæum te Franeker opgedragen. Niet lang daarna heeft
Eisinga, de vader, een naburig huis betrokken, en de zoon het huis
van het Planetarium.
Zóó was dan de langgevoede vrees geweken en het voortdurend bestaan
van het kunststuk ten algemeenen nutte verzekerd. Zóó waren dan bijna
al de wenschen van Eisinga vervuld, en kon de 81jarige man de ure der
ontbinding met gerustheid tegengaan. Hij had nu geene wenschen meer,
daar hij deze koninklijke gunst als de hoogste hulde beschouwde,
welke hem en zijn kunstgewrocht bij zijn leven kon worden toegebragt.
Niet alzoo oordeelden zijne stadgenooten, wier Regering reeds
lang gepeinsd had op het meest gepaste middel, om den grijsaard,
nog bij zijn leven, een blijk te geven van hunne hoogachting en
vereering. Mr. J. Scheltema had daartoe in 1818 reeds een wenk gegeven,
en gewenscht, dat men zulk een bewijs van belangstelling, deze hulde
van dankbaarheid en eerbied, niet zou verschuiven tot na 's mans
overlijden, maar hem zelven nog mogt toebrengen, ten einde ook daardoor
den stillen avond van den welbesteden dag des levens te veraangenamen
en te verhelderen. Het geviel dan, dat de Burgemeester van Franeker,
namens den Stedelijken Raad, daarover kwam spreken met den Gouverneur,
Jhr. Aebinga van Humalda. Deze vernam dit oogmerk met veel genoegen,
en keurde het niet alleen volkomen goed, maar trachtte het bezwaar,
omtrent het vinden der kosten, in eens op te heffen, door te bepalen,
dat de hulde aan Eisinga zou toegebragt worden door de stad Franeker,
doch dat hij, als oudste vriend, dorpsgenoot en schoolmakker en niet
minder als vereerder van den grijsaard, verzocht of aanbood, om uit
zijne eigene fondsen de kosten daarvan te dragen [27].
Volgaarne werd dit aanbod aangenomen, en bepaald, dat het blijk
van vereering zou bestaan in de vervaardiging van een afbeeldsel
van Eisinga, hetwelk geplaatst zou worden in de Raadzaal van het
Stadshuis te Franeker. De uitvoering daarvan werd opgedragen aan den
beroemden schilder Willem Bartel van der Kooi, den veeljarigen vriend
en vereerder van Eisinga, die nu al de kracht van zijn uitstekend
kunsttalent scheen te ontwikkelen, om de waarde van dit gedenkstuk te
verhoogen. In een levensgroot kniestuk stelde hij den grijzen denker
voor, gezeten in een leuningstoel aan eene tafel, waarop de door hem
vervaardigde teekening ligt van de groote zon-eklips van den 7den
September 1820; terwijl het kleine Planetarium ter linkerzijde nevens
hem staat en de achtergrond de afbeelding bevat van de kamer, waarin
zich het groote Planetarium bevindt, welks stand juist die is van den
10den April 1827. Dit uitvoerig en meesterlijk behandelde tafereel
werd gevat in een eenvoudig schoone lijst, waarboven de smaakvolle
schenker de volgende kernachtige woorden van Horatius liet plaatsen: