XIV.

--"En ge zijt dus vast besloten, jonker, uw hoofd in den strik te

steken? Want dat is het en anders niet! Als iemand u herkent, dan

ligt het zwaard van Meester Harmen, den beul van Brussel, voor u

klaar! En er zijn valsche vrienden en verraders genoeg, die gaarne

bij den Spanjool een plasdank zouden verdienen, al was 't maar om

hun eigen lei schoon te vegen."

--"Ik weet het wel, de Welle. Ik weet, dat ik mijn leven waag. Maar

dat is de eerste keer niet! En ik moèt naar Brussel!"

--"En de jonker wil mij niet zeggen, waaròm? Zeker heeft die Brabander

het een of ander verteld, dat den jonker drijft. Ik wilde, dat de

wereldsche sadduceeër met zijn fijnen tabbaard in de Schelde was

gebleven! Nu naar Brussel, nu die Ducdalf, als ze hem noemen, zijn

handen slaat aan Gods volk en alles vlucht, wat vluchten mag! Beraad

u er op, jonker, en toef nog een poos!"

't Gesprek werd gevoerd in een woeste duinvallei, ver van de

legerplaats der Boschgeuzen. Den dag na het vertrek van jonker van

der Noot had Jacob Martens zijn ouden makker verbaasd en ontsteld

door de mededeeling, dat hij belangrijke tijding had ontvangen, dat

zijne ouders te Brussel waren en dat hij hen zien moest. Te vergeefs

had Pieter de Welle op een nadere verklaring aangedrongen. Het strakke

gelaat van zijn welbeminden jonker zeide hem niets: alleen was er een

harde trek om den mond, die getuigde van een koppige vastberadenheid

en stroever dan anders had Jacob Martens zijn vroegeren onderhoorige

te verstaan gegeven, dat hij zich door niemand zou laten weerhouden,

zijn plan ten uitvoer te brengen.

Dat plan in de legerplaats te bespreken, in de tegenwoordigheid hunner

makkers, zou dwaasheid geweest zijn. Als het uitvoerbaar was, dan

moest het in het diepste geheim geschieden. De Wilde Geuzen stonden

nog in betrekking met hunne geloofsgenooten in West-Vlaanderen, en een

gerucht, dat een van de aanvoerders der bende een gevaarvollen tocht

ging ondernemen, zou snel genoeg verspreid zijn, om in die dagen van

angst en vreeze zulk een tocht tot een roekeloos waagstuk te maken. Het

was, zooals de Welle had gezegd: vele valsche broeders, velen zelfs,

die aan den beeldenstorm hadden deelgenomen, poogden in die dagen hun

verleden te doen vergeten en zich met de Regeering te verzoenen door

het verraad van hunne vroegere geloofsgenooten en medestanders.

En daarom had de Welle Jacob Martens bezworen, zijn besluit nog eens

te overwegen, en hem medegenomen naar de eenzame duinpan, om de zaak

nog eens ernstig met hem te bespreken.

Het bleek den ouden koddebeier echter weldra, dat hij die moeite had

kunnen sparen. Jacob Martens was vast besloten, het kostte wat het

wilde, de reis naar Brussel te ondernemen. Dat dit plan in verband

stond met het bezoek van jonker Jan van der Noot, begreep de Welle

zeer goed, al wist hij het rechte niet. Hij verwenschte den luchtigen

Brabander in den grond van zijn hart en in termen, die zijne meer

"precise" geloofsgenooten zeker niet weinig zouden hebben geërgerd.

--"Wanneer het den jonker alleen te doen is om betrouwbare kondschap

van zijn familie of om een boodschap van belang, kon hij mij

zenden!" vischte hij.

--"Alsof het voor jou niet even gevaarlijk was als voor mij!" zeide

Jacob. "Men kent je te goed, de Welle, en er zijn er genoeg, die je

gaarne in pijn en banden zagen. Men zou je de tortuur niet sparen,

om je van onze schuilplaatsen te laten klappen."

--"O ho, wat dat betreft, mij vangen ze zoo spoedig niet!" zei de

Welle. "En 't is den Spanjool ook niet om klein wild te doen. Hij

wil de groote heeren treffen en niet de kleine luyden. Laat mij gaan,

jonker; binnen een week breng ik u bescheid."

Jacob schudde het hoofd.

--"Ik moet er zelf heen, de Welle," zei hij kort. "Houd mij niet op."

--"Dan ga ik met u, jonker. Alleen laat ik u niet in den strik

loopen. Ik zie, dat ge er uw hart op gesteld hebt. Welnu, twee zien

meer dan één en men kan geen oud hoofd op jonge schouders verwachten."

--"Ik moet gaan, de Welle. Maar jij, waarom zou je je in gevaar

begeven? Je waagt je leven en de tortuur..."

--"Mijn leven is in Gods hand en voor de tortuur ben ik niet

bang. Meent ge dan, jonker, dat het leven voor den ouden man nog

zooveel waarde heeft, sinds dien avond, toen Mieke..."

De Welle wendde zich af en staarde voor zich uit.

--"Kijk, jonker," ging hij na eenige oogenblikken met heesche stem

voort, "de jonker is 't eenige, wat mij nog aan het leven hecht. Als

ik den jonker nog eens als hopman of luitenant aan het hoofd van

zijn vendel tegen de Spanjolen mag zien vechten,--hoe eer dan een

Spaansche piek... En God zij mijn ziel dan genadig!"

Jacob keek den ouden man in het gerimpelde gelaat.

--"Laat het dan zoo zijn, de Welle," zei hij aangedaan. "Wij zullen

't samen bestaan, en als 't moet zullen wij samen vallen. Vivent

les Gueux!"

--"Maar," ging hij bedaarder voort, "wanneer je met mij naar Brussel

wilt, dan heb je ook het recht te weten, wat mij er heen voert. Zie, de

Welle, toen ik vluchtte uit Gent, liet ik er veel achter, mijn ouders,

mijn zuster, en dan.... je hebt bij ons de joffer de Bette gezien?"

De Welle knikte toestemmend. Zijn staalblauwe oogen keken den jongen

man onderzoekend aan. Jacob Martens' door weer en wind gebruind

gelaat kleurde.

--"Ik had de joffer de Bette lief, de Welle," zei hij eenvoudig,

"en--ik rekende op haar trouw. Ik hoopte,--ik wist zelf niet, wat

ik hoopte. Maar als de onzen overwonnen hadden, als ons goede land

van Vlaanderen vrij was, dan kon ik toch hopen... Maar dat is alles

nu voorbij!"

--"Ik had met dien Antwerpenaar naar Engeland kunnen vluchten," ging

hij voort. "Hij bood het mij aan. En als 't waar is, dat de Prins van

Oranje en zijn broeders troepen werven, om den Spanjool uit 't land

te jagen, dan had ik wel een kans gevonden om naar Duitschland over

te steken en ik had wel een brevet als luitenant gekregen en ook een

plaats voor jou, als je mij hadt willen vergezellen. Maar de jonker

van der Noot vertelde mij nog meer. Hij zei mij, dat Madeleine,--dat

de joffer de Bette verloofd was met Thierry de St. Foy..."

--"Met dien Paapschen Waal, die ons volgde naar Middelburg? Dien

vroegeren vriend van den jonker?" vraagde de Welle.

--"Ja, en als dat waar is, dan heeft men haar gedwongen!" riep Jacob

onstuimig. "En daarom kon ik niet naar Engeland! Daarom moet ik naar

Brussel, om haar te spreken en uit haar eigen mond te hooren, of zij

mij vergeten heeft. Want zij is te Brussel, omdat--je moet nu alles

weten, de Welle--omdat mijn vader een rechter is in die rechtbank

van Alva, waar de lieden met zooveel angst van spreken!"

De oude koddebeier schudde meewarig het hoofd.

--"God beproeft Zijn volk, jonker, en geeft het over in de hand zijner

vijanden. Zie toe, dat ge uzelf en uw vrienden niet in 't verderf

stort, omdat uw hart hangt aan die Paapsche joffer. Maar ik zie wel,

dat woorden niet baten! Jong bloed is heet! We zullen 't dan wagen,

maar ik wacht van dien tocht weinig goeds."

Nu moest aanstonds het plan voor de gevaarlijke reis beraamd. De naaste

weg leidde over Poperingen en Rousse, maar de naaste weg was in dit

geval tevens de onveiligste. In Yperen en Oudenaarden lag bezetting

en Noircarmes' soldaten patrouilleerden het land af, om allen, die

verdacht konden worden in verstandhouding te staan met de Boschgeuzen,

aan te houden. Te Rousse woedde de inquisiteur Titelman feller dan ooit

tegen de Gereformeerden, nu de vroedschappen en de baljuws, bevreesd

voor de Regeering te Brussel, zijne eischen niet durfden weerstaan,

terwijl hij, als 't noodig was, ook over de soldaten der bezetting

kon beschikken. 't Was zoo goed als onmogelijk, door Oost-Vlaanderen

of Henegouwen heen Brussel te bereiken.

De Welle sloeg een anderen weg voor. Zij zouden den duinkant houden,

door Veurner Ambacht en over het smalle riviertje de Yser,--toen nog

niet gekanaliseerd--tot in de buurt van Nieuwpoort en van daar langs

Gent naar Aalst. In de eerstgenoemde stad durfden geen van beiden

zich vertoonen, doch de Welle kende de streek nauwkeurig. Hij wist

alle wegen en zijpaden en hij nam aan, Jacob veilig tot Brussel te

brengen. Dan zou het gevaarlijkste deel van den tocht komen.

Hoe zij de stad zouden binnenkomen en haar vrij en ongehinderd weder

zouden verlaten, wisten zij zelf nog niet. Maar dat was van later zorg.

Dan was er een tweede punt, dat overweging vereischte. Er was weinig

discipline onder de ballingen. Ieder deed wat goed was in zijn

oogen en er hadden zich te veel vreemde elementen bij hen gevoegd,

om een strenge krijgstucht te kunnen handhaven. Maar er was toch een

zekere band, die hen verbond, en de besten onder hen, de strijders

bij Austruweel en de vluchtelingen uit Valenciennes en Doornik,

erkenden Jacob Martens en de Welle als aanvoerders van hunne bende,

een van de vele, die zich in de bosschen van West-Vlaanderen en

Henegouwen hadden genesteld. Zij konden hunne makkers niet aan hun

lot overlaten. Openlijk voor hun plan uitkomen, konden zij evenmin:

het moest geheim blijven ter wille van hunne veiligheid.

Zoo besloten zij dan den predikant, Jan Machielsz, in het geheim te

nemen en hem, gedurende hunne afwezigheid, de zorg voor het kamp op

te dragen. De man was een dweper en in zijn wilde buien van haat en

wraakzucht was hij in staat tot onmenschelijke daden, maar hij was

volkomen betrouwbaar. Hij zou hen niet verraden. Zij moesten hem

slechts doen beloven, niets te ondernemen in hunne afwezigheid, en

indien zij binnen een bepaalden tijd niet terugkeerden, dan moest de

bende zich verstrooien. De gewapende mannen konden zich gemakkelijk

aansluiten bij een anderen troep Boschgeuzen, want de ballingen waren

talrijk genoeg.

Zij vonden den predikant in de eenvoudige duinhut, die de Geuzen

uit eerbied voor zijn ambt en met het oog op zijn tenger lichaam en

zijn zwakke gezondheid, voor hem hadden gebouwd. Toen de beide mannen

binnentraden, keek hij op van den bijbel, die voor hem lag op een ton,

die hem tot tafel diende.

--"Wat brengt gij, mannen broeders?" vraagde hij. "Zullen wij weder

optrekken tegen Amalek? Alzoo zegt de Heere: Gaat nu henen ende slaat

Amalek, ende verbant alles, wat hij heeft ende verschoont hem niet..."

--"Neen, Jan Machielsz, neen," zeide de Welle. "'t Geldt ditmaal geen

strooptocht. Wij hebben u wat te zeggen."

--"Wee u, zoo gij als Saul Agag wilt sparen, dien de Heere, de God

Israëls, heeft gevloekt!"--De zwarte oogen in het magere, bleeke

gelaat begonnen te fonkelen en de kreupele prediker hief de hand

dreigend op. Toen wees hij op zijn bijbel.

--"Ik heb een openbaring ontvangen," fluisterde hij heesch. "Ik was

biddende voor het aangezicht des Heeren en zeer weeklagende over

de breuke van Gods volk. En ik hoorde een stem, die tot mij zeide:

Neem het Boek en lees het woord, dat ik u zeggen zal! En ik nam het

Boek en ik las..."

Hij wees naar zijn bijbel en legde den vinger op de bladzijde.

--"Hoort het gezicht van Obadja," ging hij voort, "waarin de Heere

Heere tot mij gesproken heeft: Alzoo zegt de Heere Heere van Edom:

Wij hebben een gerucht gehoord van den Heere en hun is een gezant

gezonden onder de Heidenen. Staat op en laat ons opstaan tegen hen

ten strijde..."

--"Zoo las ik en mijn oogen werden verlicht," ging de dweper voort. "Is

niet de gezant, die gezonden is tot Edom, onder de Heidenen, deze

trotsche Spaansche hertog, dien zij Duc d'Alve noemen? Is deze

profetie niet in onze ooren vervuld? En zullen wij niet opstaan,

tegen hen ten strijde? Al zegt Edom in zijn harte: Wie zou mij ter

aarde nederstooten?--alzoo spreekt de Heere: Al verhieft gij u gelijk

de arend ende al steldet gij uw nest tusschen de sterren--zoo zal ik

u van daar nederstooten..."

--"Er zal nog genoeg te strijden vallen tegen Edom, Jan Machielsz,"

zeide Jacob somber. "Maar nu niet! Ge moet wachten tot wij

terugkomen. Wij moeten een reize ondernemen, en..."

Met fonkelende oogen staarde de predikant hem aan.

--"Gij wilt een reize ondernemen?" riep hij wild. "Gij wilt Gods volk

verlaten, als zij omkomen in de woestijn? Israël zal optrekken ten

strijde en gij zult rusten aan de beken van Ruben? Maar de Heere zal

bezoeking doen over hen, die vlieden ten dage des strijds en over hen,

die daar roepen: Vrede, vrede! en ziet, daar is geen vrede!"

--"Wij willen u en onze mannen niet in den steek laten," zei Jacob

wrevelig. "Ik zeg u, dat wij een reis moeten ondernemen, om redenen,

die ons alleen aangaan, en wij willen u verzoeken, om, zoolang als

wij weg zijn, het bevel op u te nemen en den vrede onder de mannen

te bewaren."

Jan Machielsz zag hem aan met een vreemden blik.

--"Gij wilt van hier gaan--om redenen, die u alleen raken," zeide hij

langzaam. "Hoor toe, jonker, want mijn hart kleeft u aan, omdat gij

alles verlaten hebt om smaadheid te lijden met Gods volk. Hoor toe,

en ik zal u te kennen geven, wat de Heere dezen nacht tot mij heeft

gesproken."

--"Uw hart hangt nog aan de Midianietische, aan de Paapsche jonkvrouw,

die u te Gent heeft omstrikt. Ik zegge u, laat af van haar, want

zij zal u worden ten verderve.--Gij kleurt en gij ziet mij toornig

aan? Toch zal ik u Gods woord doen hooren."

--"Ik was dezen nacht biddende en ik dacht aan de breuke des volks,

want de slaap was van mij geweken. Toen zag ik een gezicht, en ik zag

u, jonker Martens, en gij stondt op een tweesprong. En ge waart niet

alleen, maar naast u stond een vrouw, en zij droeg de versierselen

van de dochteren der Filistijnen. En ik zag u op den tweesprong,

waar de weg zich splitste en de eene weg voerde naar het Oosten,

waar de zon doorbrak en de andere leidde in nacht en nevelen. En uw

aangezicht was gekeerd naar het Oosten, maar de vreemde legde haar

hand op uw hand, en zij legde haar arm om uw schouders en strengelde

hare lokken om uw hals en ik wist, dat zij u wilde medelokken op

den weg, die voerde in de duisternis. En ik hoorde eene stem, die

sprak: Zeg tot den jongeling, die uw ziel liefheeft: Waak en bid,

opdat gij niet in verzoeking komt! Want daar is een zware beproeving

voor hem aanstaande, en de Heere God zal zijne ziele ziften, als

de dorscher de tarwe zift!--En de stem zweeg en het gezicht werd

van mij weggenomen. En ik zeg u, jonker, hoed u, want op den weg,

dien gij gaan wilt, wacht u zware beproeving en zondige bekoring,

en zoo uw ziel bezwijkt, uw deel zal zijn met de afvalligen en gij

zult een verworpene zijn voor het aangezicht des Heeren!"

Niet zonder ontroering hadden Jacob en de Welle naar de woorden van

den bleeken man geluisterd. Jan Machielsz was, terwijl hij sprak,

opgestaan van zijn zitbank; zijn onaanzienlijke gestalte scheen te

wassen en met opgeheven hand en vlammende oogen slingerde hij als

't ware Jacob zijne bedreiging in 't aangezicht. Daar kwam nog bij,

dat de Geuzen, mannen van een licht bewogen ras, veel waarde hechtten

aan de visioenen en de profetische woorden van hun prediker in de

woestijn, van wien allen wisten, dat hij veel had geleden om des

Evangelies wil, en zij beiden maakten daarop geen uitzondering. De

drie mannen zwegen eenige oogenblikken.

--"Als het gezicht, dat gij gezien hebt, van God is, Jan Machielsz,"

zeide Jacob eindelijk, "dan mag het mij een waarschuwing zijn op

mijn weg! Maar gij hebt niet gezien, dat ik mij liet afleiden en

verlokken, en gij moogt mij niet van ontrouw en verraad beschuldigen

zonder reden. Ik moet thans gaan, waar mijn hart mij roept, en de

Welle wil meegaan, omdat hij mijn vriend is. Als wij kunnen, zullen

wij binnen tien dagen tot u en onze mannen terugkeeren, ofschoon God

weet, wat het einde van dit alles moet zijn. Misschien keeren wij

niet terug. Dan zijn wij gevangen genomen of gevallen. Maar ontrouw

worden aan de goede zaak zullen wij niet."

De predikant staarde hem strak aan. Toen ontspanden zijn harde trekken

zich, en zijn stem klonk zachter.

--"Ik geloof u, jonker Martens," zei hij langzaam. "Ge zijt als

Nathanaël, een Israëliet zonder bedrog. Zoo ga dan, als gij meent,

dat de Heere u den weg zal banen. Gij zult komen in groot gevaar naar

het vleesch en in groote bekoring,--maar ik zal voor u bidden, dat

de Heere met u zij en uwe ziel beware! En nu, spreekt, gij beiden,

mannen broeders, wat wilt gij van mij?"

Het onderhoud duurde thans maar kort. Wanneer Jan Machielsz niet

door een van zijn vlagen van sombere dweperij was aangetast, dan

toonde hij zich een man van een helder verstand en een kloek leider

en aanvoerder. Hij zou gedurende de afwezigheid van Jacob en de Welle

de leiding van de ballingen op zich nemen en hen, zoo mogelijk, terug

houden van gewaagde strooptochten. Hij zou goed wacht laten houden en,

werden de Geuzen door de troepen van Noircarmes aangevallen, dan zouden

zij terugtrekken en zich verspreiden in het woeste en uitgestrekte

duin. En van hun plannen zou hij tegen niemand een woord reppen.

Toen deed hij een kort gebed en met een handdruk namen de mannen

afscheid van elkander.

Voor het aanbreken van den dag begaven Jacob Martens en de Welle zich

op weg. Zij waren gekleed als gewone Vlaamsche boeren, in wijde linnen

kielen, met kappen, die bij ongunstig weer tot hoofddeksel dienen

moesten. Om geen argwaan te wekken, droegen zij geen zichtbare wapenen,

dan stevige stokken, met ijzeren punten, zooals de veedrijvers ze

wel gebruikten. Onder hun kiel droegen beiden echter een lang, scherp

mes in lederen scheede, een zoogenaamden "opsteker": een gevaarlijk

wapen in de hand van een krachtig en moedig man, en daarbij nog een

geladen pistool.

Zij verlieten het kamp, zonder door iemand te worden opgemerkt,

langs de hun welbekende duinpaden, en richtten zich dadelijk

noordwaarts. Zoolang zij in de streek bleven, die door de Boschgeuzen

onveilig werd gemaakt, hadden zij geen gevaar te vreezen. Kwamen zij

echter noordelijker, dan konden zij, licht op een patrouille krijgsvolk

stuiten, want zij wisten, dat de stadhouders der verschillende gewesten

begonnen waren kleine afdeelingen soldaten uit te zenden, om jacht

te maken op de rondzwervende Geuzen, vluchtelingen van Austruweel

en Watrelos. Zij zouden zich in een dergelijk geval uitgeven voor

veekoopers, die op weg waren naar de veemarkt te Antwerpen. Maar

als men hen niet geloofde, als men hen aanhield en hen naar Gent of

Antwerpen voerde, dan zouden zij spoedig herkend worden en hun lot

zou weldra beslist zijn: voor Jacob Martens het zwaard; voor zijn

metgezel de strop.

Zij hielden daarom zooveel mogelijk den boschrijken duinrand, waar

zoo vroeg in den ochtend slechts een enkele strooper rondzwierf en

waar men, in geval van nood, spoedig een schuilplaats kon zoeken. 't

Was een mooie herfstmorgen; de grijsblauwe nevels hingen over de

bosschen en duinweiden en over de akkers in de verte. Merels en

lijsters scharrelden in het kreupelhout en soms vloog een Vlaamsche

gaai krijschend op, even met azuurblauwen wiekslag heenwippend over

de donkere eikestruiken. Maar de koning van het landschap was de

vink. Van alle kanten klonk de forsche slag van den vroolijken vogel,

en toen de zon opging, zag men overal zijn fraai rood borstschild als

warme tint tusschen het gelend beukeblad. Groote zwermen trekvinken

trokken luid roepend over hen heen. Vlugge konijntjes wipten over

het pad. De geheele duinstreek was vol leven en beweging.

Ondanks de omstandigheden, waarin hij verkeerde, en de gevaren, die

hem bedreigden, genoot Jacob Martens van den schoonen morgen en hij

kon zelfs soms voor een oogenblik alle bezwaren vergeten. Anders was

het met de Welle. Zijne kleine, blauwe oogen spiedden overal rond,

en peilden elk boschje, dat zij langs trokken. Van tijd tot tijd

beklom hij een duintop en spiedde naar alle kanten. Nadat hij dit

een paar malen herhaald had, keerde hij met een verdrietig gezicht

naar Jacob terug.

--"Wij worden gevolgd, jonker!" zei hij. "Wij zijn niet alleen in

't duin!"

--"Gevolgd? Wie zou ons volgen?" vraagde Jacob. "Niemand wist immers

van onze plannen dan Jan Machielsz. En die is trouw!"

--"Ik hoop het. Maar wij worden gevolgd, door vriend of vijand. Ik

heb het al lang gedacht. En zoo meteen zal ik het u bewijzen."

Het pad slingerde langs een begroeide duinhelling naar boven en leidde

over een heuvelkling, van waar men een gedeelte van den afgelegden

weg kon overzien. De Welle liep rustig door, tot hij en zijn metgezel

achter het duin verdwenen waren. Toen bleef hij staan.

--"Kruip nu naar dien berkestruik, jonker," zei hij, "en kijk langs

den stronk. Hij moet niet vermoeden, dat wij hem in de gaten hebben,

anders blijft hij staan."

Jacob deed, wat hem gezegd werd, maar hij zag niets. Rustig en kalm

lag het duinlandschap in de stralen der morgenzon.

--"Kijk nu naar dat boschje eikenhakhout," zei de Welle. "Ziet ge wel,

hoe die vogels telkens opvliegen en weer neerstrijken?"

--"De trekvinken vliegen overal!" zei Jacob ongeloovig.

--"Ja, maar deze vluchten vliegen naar 't noorden, evenals de vogels,

die wij zelf opschrikken, kijk hier!"

Een groote vogel was opgevlogen, en streek laag bij den grond, met

een glijdende, geruischlooze vlucht over hen heen.

--"Een uil!" zei de Welle. "Als hij niet was opgejaagd, zou hij in

zijn boomtronk zijn blijven zitten. Ik zeg u, wij worden gevolgd,

jonker, en 't is de vraag door wien. Is 't een vriend, dan moeten

wij hem duidelijk maken, dat wij zijn gezelschap ditmaal niet van

doen hebben. Is 't een vijand,--dan kunnen wij de kans niet loopen,

ons leven op 't schavot te verliezen voor een papistischen spion."

En met een harden trek om den mond tastte de koddebeier naar het heft

van zijn opsteker onder zijn kiel.

Met vorschende blikken nam hij het landschap op.

--"Een kwartier verder komen wij aan een breede duinpan," zei

hij. "Ik had er eerst om heen willen trekken, want wij behoeven niet

meer gezien te worden dan noodig is. Maar wij moeten weten, wie die

compaan is. Niet omzien, jonker! Wij moeten den indruk maken van twee

onbezorgde reizigers. Dan volgt hij ons misschien en dan kunnen wij

hem zien."

De witte zandvlakte was weldra bereikt en overgestoken. Rustig

beklommen zij de tegenover liggende duinhelling en verdwenen achter

den rand. Toen wierpen de beide mannen zich voorover en, loerend door

de dichte helm, wachtten zij op de dingen, die komen zouden.

Zij behoefden niet lang te wachten. Op den duinrand tegenover hen

verscheen een donker voorwerp, een hoofd, dat rondspiedde en de geheele

omgeving nauwkeurig opnam. Na eenige oogenblikken verdween het weder

en een man verscheen op het duin. Hij keek nog even onderzoekend rond

en daalde toen langzaam de helling af. De stalen boog van een armborst,

dien hij op den schouder droeg, flikkerde in de morgenzon.

--"'t Is Daniël!" riep Jacob verrast. "Wat wil hij van ons?"

Hij sprong op en wenkte den man vriendschappelijk toe, want hij

dacht niet anders, of Jan Machielsz had hem om dringende redenen hun

achterna gezonden. Maar de strooper beantwoordde zijn groet niet. Hij

bleef staan, aarzelde nog een oogenblik, keerde zich toen haastig om

en verdween achter het duin.

--"Dat hadt ge niet moeten doen, jonker," zei de Welle. "De jongen

is in den laatsten tijd al schuwer en vreemder geworden. Wie weet,

wat er in zijn kranke hersens omgaat en waarom hij ons volgt. Als wij

hem hier hadden afgewacht, hadden wij met hem kunnen spreken en hem

misschien kunnen bewegen, rustig naar 't kamp terug te keeren. Nu

is hij gewaarschuwd en wij zullen hem niet terugvinden. En wie zal

zeggen, wat hij in 't schild voert?"

En inderdaad had de oude boschwachter goed gezien. Hoewel zij terstond

op hunne schreden terugkeerden en zelfs een hoogen duintop beklommen,

was er van den strooper niets meer te ontdekken.

--"We kunnen ons niet langer ophouden," zeide de Welle. "Misschien

keert hij uit zichzelf wel terug. Wij zijn nog lang niet aan Sint

Marie ter Duin, en dan duurt 't nog wel een paar uur, voor wij

aan dien landweg naar Gentbrugge zijn, waarover ik met den jonker

gesproken heb."

Sint Marie ter Duin was de naam van een duindorp, dat in de geheele

streek een zekere vermaardheid genoot. Te midden der waterlooze

zandwoestijn van de Nieuwpoortsche duinen, was daar een zeer diepe,

gemetselde put, die ook in de heetste zomers niet opdroogde, maar

altijd in zijn donkere diepte heerlijk koel water bevatte. De put

lag in een eikenboschje, aan den voet van 't hooge duin. Vlak er bij

bevond zich, geklemd tusschen twee oude boomen, een steenen nis, en

daarin stond een oud verweerd beeld, dat volgens de bewoners van de

duinstreek, de maagd Maria voorstelde. Wel had eens,--naar 't gerucht

vermeldde--een verwaand retrosijn, die de streek bezocht, beweerd, dat

het beeld uit overoude tijden dagteekende, toen niemand in Vlaanderen

nog van de maagd Maria en Jezus Christus, haren Zoon, had gehoord,

dat daar aan den duinvoet een Romeinsche villa had gelegen, en dat

het verweerde beeld het afbeeldsel was van een heidensche duivelinne,

een bronnimf of najade, maar aan zulke kettersche beweringen stoorde

zich niemand. Was men niet, sinds menschenheugenis, tweemaal 's jaars,

in de lente en in den herfst, in plechtige processie naar 't oude

kapelleke getogen, om de Heilige Maagd te bidden, het schoone, koele

water, een zegen voor de streek, niet weg te nemen, maar altijd even

rijkelijk te laten vloeien? Wat ongodisterij en verwaande betweterij

was het dan, om te beweren, dat het oude beeld in het verweerde,

steenen kapelleke van heidenschen oorsprong zou zijn.

Toch, een duister besef, dat 't oude beeld in het boschje bij

den welput een andere Moeder Gods was, dan de talrijke beelden,

die men in de kerken en kapellen in den omtrek vereerde, leefde

er wel in het volk. Terwijl men over 't algemeen vertrouwelijk

omging met het heilige en zich in de bont versierde dorpskerken

en kapellen thuis gevoelde, had men voor de eenzame duinkapel een

zekere bijgeloovige vrees. Niemand, die des avonds laat gaarne het

eikenboschje zou bezoeken. Onze Lieve Vrouw in 't duin hield van de

eenzaamheid. En zonderling, de beeldstorm had het oude beeld gespaard

en de Boschgeuzen, die geen Roomsch heiligdom ontzagen, hadden het

tot nog toe evenzeer met rust gelaten.

Het duinpad, dat Jacob Martens en de Welle volgden, voerde langs het

eikenboschje bij den welput. Zij wilden er rusten en zich verfrisschen

met het koele water, voor zij hun tocht voortzetten. De putboom met

den ijzeren ketting en den emmer hing er, voor ieder, die putten wilde.

Reeds zagen zij bij een wending van het pad het donkere loof van de

lage knoestige eiken vlak voor zich, toen hun oor werd getroffen door

het geluid van schrille, zingende kinderstemmen. Van den kant van het

duindorp, waarvan men den toren in de verte boven het geboomte uit

zag steken, naderde een bonte stoet. Voorop ging een vaandeldrager,

die een hoog gekleurde banier statig voor zich uit droeg, zeker

het vendel van het schuttersgild, waarvan de leden, met handboog en

pijlkoker, hem op den voet volgden. Dan kwam een priester in misgewaad,

vergezeld van twee koorknapen met rookende wierookvaten. Vier andere

koorknapen droegen onder een baldakijn een houten beeld, een Moeder

Gods met het kind Jezus in de armen. Daarachter volgden een aantal

zingende kinderen en jonge meisjes, die met schelle, hooge stemmen

een loflied aanhieven ter eere van de Heilige Maagd, en de stoet

werd besloten door vier ruiters, krijgslieden in volle wapenrusting,

wier stormkappen en kurassen flikkerden in de stralen der ochtendzon.

't Was de jaarlijksche processie. Het Mariabeeld uit de dorpskerk

bracht Sinte Marie ter Duin een bezoek. Zoo beschouwde het 't naïeve

volksgeloof en men hield het eeuwenoude gebruik in eere.

Met grimmige blikken zagen de beide Geuzen den stoet naderen. Voor

hen was wat zij daar zagen, verfoeilijke afgoderij!

--"Die ruiters zijn knechten van Noircarmes, die meerijden om de

processie te beschermen," zeide Jacob.

--"Of 't is hun om een potteke Leuvensch bier te doen, dat de paap

na afloop wel ten beste zal geven," bromde de Welle. "Maar wat is dat?"

Op 't gele zandpad, dat naar den put leidde, een vijftigtal passen vóór

den stoet, was plotseling een man verschenen, die de processie den weg

scheen te willen versperren. Hij had een stalen kruisboog in de hand.

--"Daniël!" riep Jacob met gesmoorde stem. "Wat wil hij hier?"

't Zou spoedig blijken. Met een ruk bracht de waanzinnige den

armborst aan den schouder. De stalen boog klonk en dwars door het

voorhoofd geschoten, zonk de priester in het duinzand neer. Met een

woesten schreeuw zijn wapen zwaaiend, rende de Geus het pad op naar

de kapel. Er volgde een tooneel van wilde verwarring. De verschrikte

kinderen vluchtten gillend naar het dorp. De ruiters zetten hun paarden

aan en reden, door de dapperste schutters gevolgd en voorafgegaan,

den moordenaar achterna, terwijl anderen, met de koorknapen, zich

met den stervenden priester bezig hielden.

--"'t Duin in, jonker!" siste de Welle. "Zij komen dezen kant niet uit

en zij zoeken Daniël. Wij kunnen hem niet helpen. Maar die knechten

zullen den geheelen omtrek afzoeken, 't zij ze hem vangen of niet."

Zij verlieten het pad en trokken snel het duin dieper in, terwijl

zij zorgvuldig vermeden zich op een top of kam te vertoonen. Achter

hen klonk het geschreeuw van de vervolgers van Daniël, dat echter

flauwer en flauwer werd en zich weldra in het duin verloor.

--"Zou hij 't ontkomen?" vroeg Jacob.

--"Als hij goed bij zijn verstand was, misschien! Maar hij is gek

en hij zal willen vechten! Dan hebben zij hem gauw omsingeld. Hoe

't zij, helpen kunnen wij hem niet."

Ruim een uur trokken zij door 't woeste duin, voor zij zich in

veiligheid achtten. Toen beklommen zij een hoogen top en tuurden en

luisterden naar alle kanten. 't Was toch mogelijk, dat de soldaten

en gewapende boeren het duin zouden doorzoeken. Over den moord

op den priester spraken zij niet. Jacob Martens had, sinds hij

zich bij de Boschgeuzen bevond, veel moeten aanzien, wat hij niet

kon verhinderen, al verfoeide hij het als laffe wreedheid. Den

moord en de mishandeling van weerlooze geestelijken had hij nimmer

goedgekeurd. Maar hij wist, dat 't vruchteloos was, daar met de Welle

over te praten. Deze beschouwde, met Jan Machielsz en al hun makkers,

de Roomsche geestelijken als Baälpriesters, die uitgeroeid moesten

worden, waar men ze vond en zij waren onverzettelijk in hun starren

geloofsijver. Hij wist zeer wel, dat de Welle Daniëls daad niet

afkeurde en alleen de roekeloosheid betreurde, die hem waarschijnlijk

in de handen van zijn vijanden had doen vallen.

Tegen het vallen van den nacht slopen de beide Geuzen naar het boschje,

waarin de oude put en het kapelletje van St. Marie ter Duin verborgen

lagen. Ze hadden den geheelen dag in de duinen doorgebracht. Zonder

moeite zouden zij hun tocht met een omweg hebben kunnen voortzetten,

maar zij wilden de plaats niet verlaten, zonder te onderzoeken,

wat er van hun krijgsmakker geworden was. De vervolging was ras

geëindigd en dat deed hun vermoeden, dat Daniël al spoedig in de

handen zijner vijanden was gevallen. Was hij ontkomen, dan zouden

zeker gewapende benden het duin hebben doorkruist, om den vermetelen

heiligschenner en moordenaar te zoeken, maar zij hadden niets verdachts

bespeurd. Waarschijnlijk was Daniël dus dood of gevangen.

Zij hadden den top van den hoogen zandheuvel bereikt, aan den voet

waarvan het eikenboschje lag en luisterden in de vallende duisternis,

of eenig gerucht de aanwezigheid van hun vijanden verried. Het weer

was tegen den avond veranderd. De lucht was betrokken en er woei een

gure Noordwestenwind. Van tijd tot tijd brak de maan door de zware

regenwolken, maar in de zwarte massa aan den voet van 't duin was

niets te onderscheiden.

De uren kropen om. Niet voor de nacht geheel was gevallen, dorsten

de Welle en Jacob Martens het duin afdalen. Zij wilden eerst het

boschje onderzoeken en dan naar het dorp sluipen. Natuurlijk wist

ieder der bewoners, wat er dien dag gebeurd en wat er van Daniël

geworden was. Zij zouden desnoods onder een of ander voorwendsel aan

een der meer afgelegen woningen aankloppen en de bewoners uithooren.

Het was rustig en stil in het dorp en in de omgeving. Van tijd tot

tijd hoorde men het blaffen van een werfhond in de verte, in de

struiken op de duinhelling ratelde een "geitenmelker", maar verder

hoorden zij niets dan het gieren van den wind over het eenzame duin.

Eindelijk was het donker genoeg. Als de maan schuil ging, kon men

de eiken daar beneden niet onderscheiden. De twee mannen daalden

voorzichtig het duin af. Bij het boschje gekomen, luisterden zij

nogmaals, maar zij hoorden niets, dan de wind in het eikenloof en

het knarsend piepen van den putboom.

Zij overtuigden zich, dat hunne kruismessen los en gemakkelijk in de

scheede staken en drongen toen voorzichtig het boschje binnen. 't

Was er stikdonker, maar als straks de maan even doorbrak, zou men

op de open plek bij den put en het kapelletje althans iets kunnen

onderscheiden en als het boschje, zooals zij hoopten, niet bewaakt

werd, zouden zij althans hun brandenden dorst kunnen lesschen.

Voorzichtig slopen zij door het hout, zich telkens bukkende, om de

laag neerhangende takken te ontwijken, met de handen tastende in de

dichte duisternis. Plotseling uitte Jacob een gesmoorden kreet. Hij

had de open plek bereikt en tastte naar den putrand, want hij hoorde

het knarsen van den putboom in zijn onmiddellijke nabijheid, maar zijn

uitgestoken handen ontmoetten iets zachts, iets, dat voor hem week,

dat meegaf...

--"De Welle, wat is dat?" fluisterde hij heesch.

In een oogenblik was de oude boschwachter bij hem.

--"Wat, wat is er, jonker?" zei hij haastig.

Op dit oogenblik verscheen de maan even tusschen de jagende wolken

en de Geuzen zagen nu spoedig genoeg, wat het geheimzinnige voorwerp

was. Aan den putboom bengelde het lijk van den ongelukkigen Daniël. De

knechten van Noircarmes hadden kort recht gedaan en de putboom,

door een houten wig in het spil omhoog gehouden, had als galg gediend.

Bij het knarsend piepen van het hout zwaaide het lichaam in den

nachtwind heen en weer.

--"Uit den weg, jonker!" zei de Welle kortaf. Hij rukte de wig uit

de opening van het spil en het lijk plofte op den grond.

Zij sneden den gehangene af. Toen, nadat zij haastig gedronken hadden

van het koele putwater, keerden zij terug. Jacob nam zijn halsdoek

en bedekte het blauwe, vertrokken gezicht van het slachtoffer.

Eenige oogenblikken stonden de beide mannen besluiteloos. Toen,

alsof zij elkander zonder woorden begrepen, namen zij het lijk op

en droegen het een eind verder, naar den voet van het duin, waar zij

het met het mulle zand bedekten. Zij hadden noch den tijd, noch het

noodige gereedschap om hun krijgsmakker te begraven.

--"Hij heeft Mieke op de papen gewroken," mompelde de Welle. "Hij

was een losbol en na Mieke's dood was zijn verstand gekrenkt. Toch,

wie weet... misschien zal God zijn ziel genadig zijn!"

--"Amen!" zei Jacob. Hij dacht aan dien nacht op den weg naar

Poperingen; hij zag het bleeke, angstige gezicht van Mieke, in

het roode schijnsel van den brandenden houtstapel en de verwrongen

trekken van Daniël, toen hij den armborst aanlegde--en hij vergaf den

armen verdwaasde zijn woeste wreedheid, zijn woede tegen onschuldige

geestelijken, bij de gedachte aan dat vreeselijke oogenblik.

Toen trokken de beide mannen Noordwaarts, want de streek was voor hen

onveilig en de morgen moest hen ver vinden van die noodlottige plek,

het kapelleke van Sinte Marie ter Duin.

Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw · 第 19 / 25 题