XIII.

Op een van de hoogste toppen aan de landzijde van het breede en

woeste duin tusschen Nieuwpoort en Duinkerken stond op een fraaien

Septembermorgen Jacob Martens, op zijn vuurroer geleund, en liet

zijn oogen weiden over het schoone landschap van West-Vlaanderen,

dat hij van zijn hooge standplaats uren in de rondte kon overzien.

Hij stond daar als schildwacht. In een duinpan, aan den voet van

den top, waar hij post had gevat, zat een kleine troep gewapenden

om de glimmende kolen van het houtvuur, waarbij zij den nacht

hadden doorgebracht. 't Was een wachtpost der Wilde Geuzen,

die hier was geplaatst om de wegen in 't oog te houden, die van

Yperen en Rousselaere naar het duin en dan langs de zandsporen naar

Nieuwpoort en Duinkerken voerden. Sinds eenigen tijd hield de groote

bende der Boschgeuzen zich op in de woeste duinstreek, waar zij een

toevluchtsoord hadden moeten zoeken, toen zij door de troepen der

Regeering uit hunne schuilhoeken in de bosschen en moerassen bij Yperen

verdreven waren. De naderende komst van Alva had de bevelhebbers van

de vendels der Landvoogdes tot nieuwe werkzaamheid geprikkeld. De

geduchte en gestrenge aanvoerder zou zeker rekenschap vorderen van

hen, die niet hadden gedaan wat zij konden, om het land van de pest

der plunderende Geuzenbenden te verlossen. Troepen waren aangerukt

uit Yperen en Gent en hadden de vluchtelingen in hunne schuilhoeken

opgezocht. Verbitterd hadden de ballingen gevochten, maar de overmacht

was te groot. Zij hadden moeten wijken. Sommigen waren naar Frankrijk

gevlucht, maar de meesten hadden zich verborgen in het woeste duin,

waar zij veilig waren. Velen van hen waren uit die streken; zij kenden

de verborgen paden, de diepe valleien, de verborgen duinpannen. Er zou

een betrekkelijk groote macht noodig zijn geweest, om hen daar op te

zoeken en uiteen te jagen, en werd die op hen afgezonden, dan konden

zij gemakkelijk vluchten voor een vijand, die het terrein niet kende.

Ondertusschen wisten de hoofden der Boschgeuzen maar al te wel, dat

zij streden voor een verloren zaak, en dat zij zich niet lang meer

in hun laatste schuilhoeken veilig konden achten.

Zij ontvingen geregeld berichten door hunne broeders en

geloofsgenooten, van wat er omging in den lande. Zij wisten, dat de

meeste edelen, die nog voor korten tijd zoo stout tegen Granvelle en de

Regeering waren opgetreden, de zaak der vrijheid ontrouw waren geworden

en zich met den Koning hadden trachten te verzoenen. Zij wisten, dat

de Prins van Oranje naar Duitschland was uitgeweken en dat vele mannen

van naam dat voorbeeld hadden gevolgd. Zij hadden vernomen, dat Alva

aan het hoofd van zijn klein, maar uitstekend leger de Nederlanden

was binnen gerukt, dat hij te Brussel was aangekomen--en nu, weinige

dagen geleden, was heel Vlaanderen opgeschrikt door de tijding, dat de

graven van Egmond en Hoorne te Brussel waren gevangen genomen. Vooral

dat dit lot Egmond had getroffen, wekte overal ontsteltenis, ook

bij de Hervormden. Wel was Egmond na den beeldenstorm meedoogenloos

opgetreden tegen hen, die in zijn stadhouderschap aan die beweging

hadden deelgenomen, maar hij was en bleef voor den kleinen man de

held van St. Quentin en Grevelingen, de dappere krijgsman, tot wien

men opzag, van wien men hulp verwachtte.

En nu had de nieuwe landvoogd het gewaagd, de hand te slaan aan de

grooten des lands, aan de Vliesridders, die men onschendbaar had

gewaand! Wel moest de man, die dat dorst bestaan, zeker zijn van

zijn overmacht!

En de denkende hoofden onder de Geuzen lieten zich niet door de

hartstochtelijke predikaties van Jan Machielsz en andere predikers

in de woestijn misleiden. Oranje, zijn broeder Lodewijk van Nassau,

de Hames, Culemborg, ze waren allen gevloden. Zij, die de wapens tegen

de Regeering hadden opgevat, hadden geen genade te hopen. Weldra zou

Alva zijn vendels zenden, om hen op te zoeken en te verdelgen. Zij

moesten vechten tot het bittere einde of trachten te ontkomen naar

Engeland. En de weg over zee was niet gemakkelijk. Men moest in een der

kustplaatsen een visscher vinden, die het wagen dorst, de ballingen

te helpen, die hen over zou willen zetten naar een der Engelsche

havens. Wie dat deed, waagde zijn leven, want als hij ontdekt werd,

wachtte hem de strop. Dat deed niemand, zonder de hoop op een goede

belooning en de ballingen waren arm.

Zoo hadden zij zich verscholen in de duinen en hunne wachtposten

uitgezet, om het ten minste bijtijds te vernemen, als de vijand

naderde.

Van den top van den berg, waar hij post had gevat, kon Jacob

Martens over den boschrand heenzien, die zich langs het breede duin

voortkronkelde. De herfstnevels trokken langzamerhand op voor de

stralen der morgenzon en de statige torens van Poperingen en van Yperen

kwamen te voorschijn met de vele torentjes der oude dorpskerken, die

boven het geboomte uitstaken. 't Werd een mooie, heldere Septemberdag

en het schoone land lag daar vredig onder den fijn blauwen herfstnevel,

alsof het nooit in zijn rust gestoord was door de zonde en het leed

der menschen.

Vele gedachten rezen op in den jongen man, terwijl hij droomerig voor

zich uit staarde. Wat was er in die weinige maanden, die daar sinds

zijn vlucht uit het Dominicaner-klooster verloopen waren, veel met hem

gebeurd. Was hij het wel, hij, Jacob Martens, de zoon van den president

van den Raad van Vlaanderen, nog voor korten tijd een vroolijke,

onbezorgde jonge man, geëerd en ontzien door de bevolking van de goede

stad Gent, de verloofde van Madeleine de Bette,--was hij het wel, de

arme balling, de Geus, op wiens hoofd een prijs was gesteld, die geen

andere toekomst had, dan te sneuvelen in een roemlooze schermutseling

of den dood op het schavot, door het zwaard van den beul.

Hoe zou het thans met Madeleine gaan? En met zijn ouders en met

Klaartje? Zou Madeleine hem trouw blijven? Zeker zou men haar tegen

hem hebben opgezet. Men zou hem een ketter hebben gescholden en een

rebel en misschien zou zij thans met afschuw aan hem denken. Waarom

had hij niet meer, niet ernstiger met haar gesproken over de nieuwe

dingen, die zijn hart vervulden, over zijn Verlosser en Zaligmaker,

tot wien hij kon gaan, zonder een priester van noode te hebben,

over zijn Bijbel, die hem zoo lief was geworden? En dan, over den

nood van zijn land, over het lijden van zijn geloofsgenooten? Maar

Madeleine was nog zoo jong en zoo onbezorgd en vroolijk en naar een

ernstig woord had zij nimmer willen luisteren. Hoe zou zij nu over

hem denken? En zijn strenge moeder? Zij zou hem voor een afvallige,

een verlorene houden. Hoe zou zij haar verdriet onder een nog strenger

en harder uiterlijk verbergen!

Dat het hun allen wel ging, wist hij door de ballingen uit Gent, die

zich bij de Boschgeuzen hadden gevoegd, maar hij had hun geen tijding

durven zenden. Hij kon vermoeden, hoe de zijnen over hem denken zouden,

en daarbij--het was gevaarlijk om in eenige betrekking te staan tot

een vluchteling van Austruweel. De Gentsche Magistraat en de Baljuw

waren strenger dan ooit. Hij wist hoe het te Gent was toegegaan. Was

de eenvoudige kerk der Hervormden, toch met verlof van den Graaf van

Egmond buiten de stadsmuren gebouwd, niet den 29sten Maart op bevel

der overheid gesloten? En was dat gebouw niet kort daarop afgebroken

en vernield?

Neen, er was een kloof tusschen hem en allen, die hij liefhad. Hij kon

niet tot hen terug keeren, en nu de zaak der vrijheid hopeloos stond,

nu de Spanjool weldra heer en meester zou zijn in de vrije Nederlanden

en de Inquisitie de gezuiverde leer overal zou komen vervolgen en

verstikken, nu was er wel geen kans, dat hij hen ooit zou weerzien.

En onwillekeurig rees in het hart van den jongen man de pijnlijke

vraag, de vraag, die zoo dikwijls heeft gezweefd op de lippen van hen,

die streefden naar een ideaal, maar die dat ideaal zagen ontwijd door

de zonden en zwakheden van hunne medestanders, van wie zij zich toch

niet los konden maken: was dat, waarvoor hij gestreden had, den prijs

wel waard? Den hoogen prijs, dien hij betaald had?

Wat gingen hem ten slotte de vrijheden des lands aan? Had hij God niet

kunnen liefhebben en dienen, al bleef hij voor de wereld de Roomsche

kerk getrouw? Hij kon zijn Bijbel lezen in 't geheim en Titelman

zou zich wel hebben gewacht, zich te vergrijpen aan den zoon van den

President van het Hof van Vlaanderen.

En wat waren ten slotte die mannen, in wier gelederen hij streed, die

Boschgeuzen, waartoe hij gerekend werd? Waren zij, de kerkschenners

en plunderaars, de roffianen, die weerlooze priesters mishandelden,

de strijders voor de gezuiverde religie? Dat waren geen mannen als

Jan van Thoulouse en jonker Blois van Treslong...

Zóó mijmerde Jacob Martens. En er waren oogenblikken, dat hij had

kunnen wenschen, dat alles, wat hij in de laatste maanden doorleefd

had, een booze droom zou blijken, een droom, waaruit hij straks

zou ontwaken in de deftige heerenhuizinge te Gent, in zijn rustige,

veilige kamer...

In de verte klepte het klokje van een dorpskerk. Het was acht uren

zeker. Het dunne, schrille geluid kwam met den morgenwind over de

velden aangezweefd, nu eens duidelijk, dan weer nauwelijks hoorbaar.

Jacob Martens schrikte op uit zijn mijmering. Zijn gezicht

veranderde. Het schrille klokje riep iets wakker in zijn geest, het

tooneel, dat hij had gezien op een morgen, nu bijna twee jaren geleden,

daarginds bij de stadskraan te Gent. Hij zag weer het bleeke gelaat

der veroordeelde Doopersche, hij zag den blik, waarmede zij haar kind

aanzag; hij hoorde weer de plechtige woorden: "Sijt getrouwe tot in

den doet, ende ick zal u geven die crone des levens."

Getrouw tot in den dood,--zoo was die arme, eenvoudige vrouw gestorven

voor het geloof, dat zij niet wilde verzaken.

Krachtig richtte de jonge man zich op. Ja, het was het waard! Het

onvervalschte Evangelie, de kracht Gods tot zaligheid, de vrije

verkondiging van dat Evangelie, zonder geloofsdwang, ze waren de offers

waard, die hij en zoo velen met hem hadden gebracht. En de vrijheid

des lands was het waard! Moest hij zijn makkers, de onwetenden, de

wanhopigen, zoo hard vallen om hun wilde wraakzucht, die woedde tegen

hen, die, naar hun meening, heulden met hunne onderdrukkers? Als

men die woestelingen in de gelegenheid stelde, in een eerlijken

strijd te kampen voor de goede zaak, dan zou het blijken, dat het

geen wraakzucht alleen was, die hen bezielde, dan zouden zij moedig

strijden en sterven als het wezen moest, voor vrijheid van geweten,

voor de vrijheid van hun volk.

De goede zaak? Was het dan geen verloren zaak? Zou Jan Machielsz

gelijk hebben, als hij in zijn wilde, vurige predikaties sprak van

den God der wrake, die zou opstaan tegen de Heidenen, die Zijn volk

verdrukten, die uitkomst zou geven, als de nood 't hoogst was?

En zeker, Hij, de Almachtige, kòn uitkomst geven!

Vaster omklemde Jacob den loop van zijn handbus, terwijl hij, uit

zijne mijmering ontwaakt, den omtrek afspiedde, dien hij, als een

goed schildwacht, in het oog moest houden.

Hij had reeds eenige oogenblikken op het smalle zandspoor, dat uit de

richting van Poperingen duinwaarts leidde, iets ongewoons bespeurd,

maar hij was zoo in zijne gedachten verdiept geweest, dat hij er geen

aandacht aan had geschonken.

Boos op zichzelf, om zijn gebrek aan waakzaamheid, keek hij thans

scherper. Weldra onderscheidde hij de witte huif van een kar, zooals

die overal in Vlaanderen werden gebruikt. Het voertuig kwam nader. 't

Was een gewone boerenkar op twee wielen, door een enkel paard langzaam

en met moeite door het mulle zand getrokken. De voerman liep er naast.

Er was geen gevaar! Maar wat voerde die kar hierheen, naar de woeste

duinen, die zoo zorgvuldig gemeden werden door de Roomsche bewoners

der streek, sinds men wist, dat de Geuzen er huisden?

Jacob blies op het metalen fluitje, dat naast zijn Geuzenpenning

aan een koord om zijn hals hing, en maakte met den linkerarm een

afgesproken teeken. 't Was geen alarmsein, maar het moest de mannen

in de duinpan waarschuwen, dat hun schildwacht iets bijzonders had

opgemerkt. Weldra stond de Welle naast Jacob. Een paar der Geuzen lagen

voorover op den grond en allen tuurden met aandacht naar de naderende

kar. Het forsche paard stapte rustig, met zwaren, zekeren tred

voorwaarts. Reeds hoorde men het rinkelen der bellen aan de haam en

de kreten van den voerman, die het dier tot meerderen spoed aanzette.

Op de voorbank van de kar zat een man, schijnbaar verdiept in een

boek, dat op zijne knieën lag. Voor zoover de Geuzen zien konden,

was hij alleen.

De Welle wisselde een paar woorden met de andere mannen.

Dat men de kar zou aanhouden, stond vast, al was het alleen maar

om berichten in te winnen, om, als 't kon, nieuws te hooren uit

Brussel. Maar wie kon de man zijn, die zich daar zoo rustig in

hunne handen kwam leveren? Een spion van de Spanjolen en de

Inquisitie? Maar wie zou zóó met zijn leven spelen? Toch was

voorzichtigheid noodzakelijk.

De mannen verdwenen van den heuveltop. Daar, waar het spoor het duin

bereikte, waren de hellingen begroeid met laag hout. Daar kon men

zich in hinderlaag leggen.

Toen de kar zich in den hollen weg tusschen de eerste duinen bevond,

zag de voerman tot zijn schrik wilde gedaanten uit het kreupelhout

oprijzen. Een barsche stem beval hem, stil te houden. Forsche handen

grepen het paard bij den teugel en de kar was in een oogenblik door

gewapende mannen omringd.

De man in de kar was opgesprongen. Hij was nog jong, slechts een

vijftal jaren ouder, naar 't scheen, dan Jacob Martens, en hij droeg

de kleeding van een deftig burger. Zijn bleek gelaat teekende schrik

en verwarring. Toen viel zijn oog op de Geuzenpenningen en de napjes,

die zijn aanranders om den hals droegen. Hij slaakte een zucht van

verlichting.

--"Geuzen?" zei hij, terwijl hij zich het zweet van het voorhoofd

wischte. "Goddank! Ik dacht, dat jelui soldaten van Noircarmes

waart. Vivent les Gueux!"

Haastig greep hij naar zijn fluweelen bonnet, die naast hem op de

bank lag, en haalde uit de voering een fraaien zilveren geuzenpenning

aan een smal zwart lint te voorschijn, dien hij triomfantelijk aan

de om hem heen staande mannen toonde. Dezen wisselden blikken van

verstandhouding.

--"Dat is nu alles mooi en wel," zei Pieter de Welle wantrouwend, "maar

een Geuzenpenning kan ieder dragen, en dat bewijst nog niets. Jonker,

spreek eens met dien gast! 't Is er een van je eigen stiek. Vraag

hem eens, wie hij is en wat hij hier in het duin te zoeken heeft."

Jacob Martens kwam naderbij en keek den vreemdeling onderzoekend

aan. 't Was hem, of hij dat fijn besneden gezicht met de van vernuft

tintelende donkere oogen en den ietwat zwakken, zinnelijken mond meer

gezien had. Het was... ja, het was te Antwerpen geweest. Nu herkende

hij den man!

--"Jonker Jan van der Noot!" zei hij, beleefd groetend. "Wat voert

u hier? Ik dacht u veilig en wel te Antwerpen."

De Antwerpenaar keek verrast op.

--"Ge kent mij?" zei hij verbaasd. "Maar--ik heb u ook meer gezien. Ik

heb u gezien bij een vendel van Thoulouse."

Jacob noemde zijn naam. De Brabander knikte levendig.

--"Ik ben er trotsch op, een van de helden van Austruweel de hand

te mogen drukken," zei hij een weinig theatraal. "Die arme Jan van

Thoulouse!"

--"Als die van Antwerpen mee hadden gevochten voor de goede zaak,

zou de Heer van Thoulouse misschien nog leven!" riep Pieter de Welle

grimmig.

--"Wij hebben het gewild!" verzekerde de Antwerpenaar gejaagd. "Wij

hebben de Roode Poort open willen breken. Wij, Gereformeerden, waren op

de Meere en wij hebben de Vroedschap willen dwingen. Maar de Prince van

Orange heeft het ons belet. Hij was bang voor de troepen van Lannoy..."

--"Al genoeg!" zei de Welle wrevelig. "Wat gebeurd is, is gebeurd en

misschien had de Prins geen ongelijk. Je kent hem dus, jonker. Maar

wat doet hij hier?"

--"Jonker van der Noot was in de Vroedschap van Antwerpen," zei Jacob,

"en hij is van de Gereformeerde religie, maar hoe komt ge nu eigenlijk

hier, Mijnheer van der Noot?"

De Antwerpenaar wierp een schuwen blik om zich heen.

--"Ik ben gevlucht!" zei hij met gesmoorde stem. "Hebt ge gehoord,

hoe de Duc d'Albe gedaan heeft met de graven van Egmond en Hoorne?"

Jacob Martens knikte toestemmend.

--"Als Judas Iskarioth. Hij heeft ze bij zich genoodigd en na het maal

heeft hij zijne gasten laten vangen. En van Stralen, en Bakkerzeele--en

nog zooveel anderen. Allen van de religie, en allen, die 't Compromis

hebben geteekend of ter preeke zijn geweest--wij zullen allen als

hoogverraders worden vervolgd. Ik ben 't nog ontkomen. Ik wil naar

Engeland oversteken..."

Hij wierp een onrustigen blik op den weg, dien hij zooeven had

afgelegd, als vreesde hij, de vervolgers te zien opdagen.

--"Naar Engeland? Dat is niet zoo gemakkelijk in deze dagen,"

zei Jacob.

--"'t Doet er niet toe! Ik wil 't beproeven. Een visscher zal wel te

vinden zijn, die 't voor goed loon wagen wil. Ik heb geld..."

Hij keek schuw om zich heen. Blijkbaar had hij zich versproken. De

wilde gestalten, die hem omringden, boezemden hem weinig vertrouwen in.

--"Je kunt gerust rammelen met je Filipsdaalders," zei de Welle, die

zijn aarzeling opmerkte, norsch. "Wij zijn geen boeven of roovers en

wij zullen een van de religie niet bestelen. De jonker staat voor

je in, dat is ons genoeg! Maar wat moet er nu met die kar en den

voerman gebeuren?"

De laatste stond bij zijn groot paard en staarde met open mond en

oogen het tooneel aan. Blijkbaar was hij weinig op zijn gemak. Hij

keek met verschrikte blikken naar de gewapende mannen, de Wilde Geuzen,

van wie men in den lande zooveel vreeselijks vertelde.

--"Kan hij mij niet naar de kust brengen?" vraagde de Antwerpenaar.

De Geuzen morden en mompelden onder elkander.

--"Wij willen geen spionnen in 't duin!" zei er één barsch.

--"Wat weten wij van den kerel?" vraagde een ander. "Hij kan ons best

aan de soldaten verraden. 't Veiligst zou zijn..."

Hij maakte een veelbeteekenende beweging en keek tegelijk naar den

laagsten tak van een naburigen eik.

Eén oogenblik zag het er voor den armen voerman hachelijk uit, maar

Jonker van der Noot kwam tusschenbeide. Hij verzekerde de Geuzen,

dat de man goed Gereformeerd was, al was 't in het verborgen. Het

Consistorie te Antwerpen had hem brieven medegegeven voor de broeders

in Poperingen, die hem hadden voortgeholpen. Deze man had zijn eigen

hals in gevaar gebracht, om hem, een balling, te helpen vluchten. Hij

had dan ook te voet de stad verlaten en had op een eenzame plaats de

huifkar gevonden, die hem volgens afspraak daar wachtte.

Nog waren sommige Geuzen niet gerust gesteld. Een verward gemompel

ging er op uit den hoop.

--"We zullen het spoedig weten," zei Pieter de Welle opeens. "Waar

is Gheleijn de Rosse?"

Een reusachtige West-Vlaming, met ros haar en een sproeterig gezicht,

trad uit den hoop naar voren.

--"Jij bent uit Poperingen," zei de Welle. "Als die kerel tot de

religie behoort, moet hij de broeders kennen. Vraag hem, wie in het

Consistorie zitten."

De Geuzen begonnen te grinniken.

--"Juist iets voor den Rosse!" spotte één van de mannen.

--"Vraag hem liever, hoeveel taveernen er in Poperingen zijn! Dat

weet hij beter!" beweerde een ander.

Maar Gheleijn liet zich niet in de war brengen. Hij was een trouw

bezoeker van de taveernen geweest, maar in den tijd, nog zoo kort

geleden, dat hij een rustig burger van Poperingen was, was hij mee

ter preek gegaan in den nu afgebroken "tempel" der Gereformeerden

en er had een straal van licht geschenen in zijn donker gemoed. En

wat hij daar ontvangen had, was genoeg geweest om hem de zijde der

vervolgden te doen kiezen, zoodat hij thans een balling was.

Hij stoorde zich niet aan het lachen zijner makkers, maar hij stelde

den voerman eenige vragen, die deze, hoewel sidderend van angst,

toch vrij nauwkeurig beantwoordde. Gheleijn de Rosse verklaarde zich

voldaan en de man kreeg verlof, om terug te keeren, want men wilde

hem niet toestaan, zijn reis voort te zetten. De Geuzen zouden zelf

den Antwerpschen jonker langs de hun bekende duinpaden naar de kust

geleiden.

Nadat de voerman van jonker van der Noot een ruime belooning had

ontvangen, liet hij het groote paard keeren en de huifkar keerde

langzaam terug langs den zandweg.

Gheleijn de Rosse liep een eindweegs mede. Hij was blij, weer iets

van Poperingen te hooren.

De Boschgeuzen namen hun gast mede naar de duinpan, waar zich hun

kamp bevond, en gaven hem het voedsel, dat zij hem konden voorzetten:

grof tarwebrood, spek en bier. Toen hij zijn maaltijd geëindigd had,

verzocht Jacob Martens den Antwerpenaar, hun iets mede te deelen over

den toestand te Brussel. De anderen schikten zich haastig om hem heen,

om te luisteren.

't Was een eigenaardig gezicht, de Brabantsche edelman te midden

der woeste gezellen, die, op hun wapens om hem en hun aanvoerders

heen stonden, om te luisteren naar wat hij zou mededeelen over den

Spaanschen hertog, den vijand van Gods volk, die daarginds te Brussel

zich opmaakte om de vrijheid en de religie te onderdrukken, voorgoed.

Op den top van 't hooge duin waakte alleen de schildwacht, die Jacob

Martens had afgelost.

En de Brabantsche edelman begon te vertellen, eerst stootend en

zenuwachtig, blijkbaar onder den indruk van zijn omgeving en nog

altijd min of meer bevreesd voor zijn ruwe gastheeren, maar weldra,

toen hij hunne belangstelling bemerkte, druk, levendig en boeiend. Hij

verhaalde van Alva's intocht in Brussel, van de uitrusting en de

krijgstucht zijner Spaansche en Italiaansche vendels, van de lange,

Spaansche musketten, wijder geboord en verder dragend dan de handbussen

en haaksen der Walen en Duitschers, geduchte wapens, die men in deze

landen nog nimmer had gezien.

Hij sprak over het verraad te Brussel, over de gevangenneming van

Egmond en Hoorne, van Bakkerzeele en van Stralen en van zooveel

Nederlandsche edelen, die zich door den sluwen hertog in de val hadden

laten lokken. Hij vertelde van de nieuwe rechtbank, die Alva had

ingesteld, en die, met verkrachting van alle rechten en privilegiën, de

zaken zou berechten van hen, die in de laatste jaren hadden gehandeld

tegen de plakkaten of deelgenomen hadden aan het verzet tegen Granvelle

en de Regeering, en dat met voorbijgaan van de Hoven der Gewesten en

de schepenbanken der steden. De hertog zelf zou voorzitter zijn van

die rechtbank, die nu weldra met haar bloedig werk zou beginnen. Twee

Spanjaarden, Vargas en del Rio, zouden de voornaamste bijzitters zijn,

en verscheidene Nederlandsche rechtsgeleerden, leden van de Hoven der

verschillende gewesten, waren geroepen, om mede zitting te nemen in

dien Raad van Beroerten, zooals Alva zijn nieuwe schepping had gedoopt.

Het trof Jacob Martens, dat de Antwerpenaar, terwijl hij dit alles

verhaalde, hem meer dan eens aanzag met een vreemden, onderzoekenden

blik. Eens viel hij zich zelf in de rede met de vraag, of dit alles

jonker Martens inderdaad onbekend was.

Dichter drongen de Geuzen om den spreker, met ernstige, sombere

gezichten. Zij gevoelden allen wel, wat dat beteekende. 't Scheen

gedaan met hunne zaak en met die der vrijheid.

En van der Noot verhaalde, hoe ieder, die te Antwerpen ter preek was

geweest, of een Geuzenpenning had gedragen of deel had genomen aan

de oproerige beweging tegen de Magistraat, onder allerlei vermomming

de stad trachtte te verlaten, om te vluchten naar Duitschland of

Engeland. Er liepen allerlei geruchten. Men zei, dat de Prins van

Oranje en zijne broeders troepen aanwierven om de Spanjolen te

verdrijven.

En dan koesterde men groote verwachtingen van de hulp der Huguenoten

in Frankrijk. Wat de ballingen reeds bij geruchte hadden vernomen,

kon hun gast thans bevestigen. Condé en de Coligny, de trouweloosheid

van de Koningin-Moeder, Catharina de Medicis, moede, zonnen op een

stouten aanslag. Zij verzamelden hunne aanhangers. Weldra zou men van

hen hooren! Maar,--hun, die thans in Alva's handen vielen, zou dit

alles niet veel baten. Wie kon, moest vluchten, om in den vreemde te

werken voor de vrijheid en de gezuiverde religie.

Zoo sprak jonker van der Noot, en het scheen wel, alsof hij zijn

vlucht bij de Geuzen wilde verontschuldigen.

Zwijgend hadden de mannen zijn verhaal aangehoord. Toen hij zweeg,

voegden de meesten zich bij elkander en begonnen op gedempten toon

een gesprek. De Antwerpenaar maakte van de gelegenheid gebruik en

wenkte Jacob ter zijde.

--"Hebt ge in den laatsten tijd niets van uwe familie vernomen,

jonker Martens?" vraagde hij, op schijnbaar onverschilligen toon,

maar met denzelfden onderzoekenden blik van straks.

--"Al sinds maanden niet!" antwoordde Jacob. "Gent is ver en maar

zelden waagt het iemand, op kondschap uit te gaan."

--"Naar Gent? Maar weet ge dan niet, dat ze te Brussel zijn?" vraagde

de ander verrast. "En dat uw vader..."

--"Mijn vader, zegt ge? Wat is er met hem?"

--"Lid is van die rechtbank van Alva? Van zijn Raad van Beroerten?"

--"Trek het u zoo niet aan, man!" vervolgde de Antwerpenaar, toen

hij zag, dat Jacob ontstelde en onwillekeurig verbleekte. "'t Is

alles het werk van Viglius. Hij zelf is buiten schot gebleven, de

sluwe vos! Hij verontschuldigde zich op grond van zijn leeftijd en

zijn nieuwbakken geestelijke waardigheid. Maar hij heeft aangeraden,

Nederlandsche rechters in den Raad te nemen, om de inbreuk op de

rechten en privilegiën zooveel mogelijk te verbergen. Ook de president

van Artois heeft zitting moeten nemen..."

Somber staarde Jacob voor zich uit. Zijn vader lid van Alva's raad,

in dienst van den Spaanschen dwingeland; hij, de zoon, een Geus, een

balling, wiens hoofd op 't schavot zou vallen, indien 't den Spanjaard

of de knechten van Noircarmes immer mocht gelukken hem te grijpen..."

--"'t Spijt me verbazend, jonker Martens, dat ge dit booze nieuws

juist uit mijn mond moest hooren," zei van der Noot hartelijk. "Maar,

nietwaar, lang was 't u niet verborgen gebleven. En hoe kon ik ook

weten, dat ge zóó weinig van uwe familie hadt vernomen? Ge weet dan

ook niet, dat uw zuster en de vorstelijk schoone joffer Madeleine

twee nieuwe starren zijn aan den hemel van 't Hof te Brussel? O de

zoete maagdekens! Ik ben goed Geus, jonker Martens, maar bijlo,

om die fiere godinnen zou het mij kunnen smarten, dat ik balling

's lands moet worden, zij het dan om den wille van de religie. Vóór

ik heenging, schreef ik voor de goddelijke Madeleine een liedeke,

naar den nieuwen trant, dien wij geleerd hebben van de excellente

Latijnsche poëten en van "le divin Ronsard." Ha, ge kent haar, jonker;

ge moet het hooren, vóór ik u verlaat."

En de beweeglijke Brabander haalde uit de leeren tasch, die aan zijn

gordel hing, een schrijfboekje in perkamenten omslag te voorschijn,

opende het haastig en begon te declameeren:

Ghelijck den dagheraet

Hem lustich openbaert

Des morgens in den oosten,

En compt vrij onvervaert

Die 't snachts waren beswaert,

Deur sijn clarighheyt troosten.

Alsoo word mijnen geest

Oock verfraijt aldermeest

Deur u reijn minlijck wezen:

En u bruijn oochskens claer

En u schoon gitswart haer

Cunnen mijn pijn ghenesen.

Ghelijck den suijden wint

Die Flora seer bemint

Int suetste van den Meye,

De bloemkens groeyen doet,

Die men siet overvloet,

In bosch, berch en valleye.

Alsoo can uwen sanck

En u schoon aanschijn blanck

Mijn swarichheyt verdrijven,

En doen mij met ioleyt

In desen sueten tijt

U gratien beschrijven.

De dichter zag zijn metgezel vragend aan, als verwachtte hij de

toejuiching, waarop hij recht meende te hebben. Jacob boog hoffelijk en

sprak een paar woorden van beleefde waardeering, al kon hij een gevoel

van jaloezie niet onderdrukken. Maar 't was immers zijne Madeleine,

die hier werd gehuldigd, zijne Madeleine, die hem zeker trouw zou

blijven, ook in dezen boozen tijd, die om hem treurde misschien...

En mijmerend over zijn jonge liefde, dacht hij er niet aan, hoe weinig

het liedeke eigenlijk paste in deze omgeving en op dit oogenblik. Een

"zoete tijd": 't Was een tijd vol jammer, die ging aanbreken, die

reeds aangebroken was...

De stem van jonker van der Noot schrikte hem op uit zijn gepeins.

--"Als 't geen indiscretie was, jonker Martens," snapte hij voort,

"zou ik durven zeggen, dat 't mij verwondert, dat la divine Madeleine u

niet heeft kunnen boeien. Daarbij--une riche héritière,--nietwaar? Al

de Spaansche officieren maken haar het hof. Maar men zegt, dat zij

verloofd is aan een Waalsch edelman, den jonker de St. Foy..."

--"Thierry de St. Foy?" vraagde Jacob. Zijn stem beefde en slechts

met moeite bedwong hij zijn aandoening, maar de ander bemerkte het

niet. Hij was te zeer verdiept in de herinnering aan die hofkringen,

waarvan hij zoo noode had moeten scheiden.

--"Kent gij hem?" vraagde hij eenigszins verrast. "'t Is een arme

bloedverwant van de Croys. Hij was page van den hertog van Aerschot,

maar is nu vaandrig bij de troepen van Noircarmes. Hij zal wel spoedig

een luitenantsplaats krijgen, en dan een compagnie, want hij heeft

machtige beschermers. En, zooals ik zeide, hij is onafscheidelijk van

de schoone Madeleine. Men meent, dat de president en uwe moeder hem

wèl genegen zijn en zijne werving begunstigen. 't Is inderdaad jammer,

dat... Maar ik wil niet indiscreet zijn," voegde hij er eenigszins

verlegen bij, toen hij het strakke gezicht van zijn metgezel eindelijk

opmerkte en begon te begrijpen, dat zijn gesnap weinig op zijn

plaats was.

--"Weet ge wat ge doen moest, jonker?" ging hij met ongeveinsde

hartelijkheid voort. "Ga met mij naar Engeland. De Koningin is die

van de religie genegen. Ge vindt licht een plaats bij de lijfwacht

als cadet. Ik help u met uw uitrusting, als ge mij de eere wilt doen

het noodige van mij te leenen. Of als 't waar is, dat de Prins van

Oranje en zijne broeders een aanslag willen wagen,--te Londen vindt

ge licht gelegenheid om naar Embden te komen, en ge kunt u bij hen

aansluiten. Een officier, die bij Austruweel gevochten heeft, zal hun

welkom zijn. Hier--en hij keek voorzichtig rond, of geen der Geuzen

hem beluisterde--hier bij deze boeven en briganten is uw plaats toch

niet. En als de vendels van den hertog hen komen opzoeken, zal het

spoedig met hen gedaan zijn."

Jacob betuigde hoffelijk zijn dank voor het heusche aanbod, maar

hij weigerde vastberaden, zijn makkers, met wie hij lief en leed

gedeeld had en die op hem vertrouwden als een van hunne aanvoerders,

te verlaten. Alleen verzocht hij jonker van der Noot, hem te zeggen,

waar zijn ouders te Brussel woonden, als hij dat wist.

Daartoe was de Antwerpenaar gaarne bereid. De President had met

zijne familie de huizinge betrokken van een der gevluchte edelen,

niet ver van het paleis van den hertog van Aremberg. De goederen van

de ballingen waren verbeurd verklaard en de hertog gebruikte hunne

huizen voor den dienst des Konings. Maar jonker Martens zou toch zoo

dwaas niet zijn, zelf zijn hoofd aan den beul te gaan leveren? En

nogmaals drong hij er op aan, dat Jacob hem zou vergezellen, indien

hij er in slaagde te vluchten en hij zweeg eerst, toen zijn aanbod

kort en beslist werd geweigerd.

Tegen den middag kwamen twee Geuzen terug, die op kondschap waren

uitgezonden. Zij brachten goede tijding. Ze hadden een visscher

gevonden, die voor een groote belooning het wilde wagen, den

vluchteling naar Engeland te brengen. Tegen den avond zou hij op een

eenzaam gedeelte van de kust den Antwerpenaar in zijn boot opnemen. Een

paar van de Boschgeuzen, die het zwervend leven moede waren, wilden

van de gelegenheid, hun thans geboden, gebruik maken. Zij wisten,

dat zij daarginds werk en brood zouden vinden.

In den laten namiddag nam jonker Jan van der Noot afscheid van

zijne ruwe gastheeren en van Jacob, wien hij als een gedachtenis

het in perkament gebonden schrijfboekje met het kostbare minnedicht

vereerde. Hij begon zijn avontuurlijke zwerftochten, die zouden

eindigen met zijn terugkeer tot de Moederkerk en zijn aannemen van de

amnestie der Regeering. Voor een martelaar was de dichter-magistraat

niet in de wieg gelegd!

Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw · 第 18 / 25 题