Op een neveligen herfstmorgen, acht dagen later, gingen de deuren
van de oude Halpoort te Brussel knarsend open.
Een aantal karren had al op het openen der poort staan wachten,
met talrijke voetgangers, boeren en boerinnen uit den omtrek, met
pakken en manden beladen, want het was Dinsdagmarkt heden en zoo de
komst van Alva en zijne troepen ook schrik en ontzetting bracht in
de erflanden van Philips, te Brussel bracht zij nering en vertier,
want er was veel noodig voor den hertog en zijn gevolg, voor het
sterke garnizoen van Brussel en voor de edelen, die de partij van den
Koning waren trouw gebleven of die, na de zegepraal der Regeering,
nog bijtijds hunne onderwerping hadden aangeboden en die nu naar de
hofstad waren getogen, om er de feesten bij te wonen, die Alva gaf
om den adel om zich te vereenigen en nauwer aan zich te binden.
En de boeren uit den omtrek voeren er wel bij, want de waren, die
zij ter markt brachten, werden gretig gekocht en goed betaald en de
marktdagen te Brussel waren levendig en druk.
Toen nu, in de grauwe ochtendschemering, de zware poortdeuren langzaam
opengingen, klonken de luide stemmen der voerlieden, die hunne zware,
sterke paarden aanzetten, met het geklets hunner lange zweepen, en de
rij witgehuifde karren verdween langzaam in de donkere poortopening,
met de voetgangers, die naast en tusschen de wagens doordrongen, om
het eerst ter markt te zijn en een goede plaats te verkrijgen. Achter
de karren kwamen kudden runderen en schapen, die door hun geleiders
langzaam werden voortgedreven. Met onverschillige blikken stonden
de beide Spaansche soldaten, die de wacht hadden aan de poort, het
schouwspel aan te zien, dat zich elke week herhaalde, en niemand
lette op twee mannen, een ouderen en een jonkman, die, onder de
andere veedrijvers gemengd, ijverig hun zweepsnoer lieten knallen om
de loome koebeesten door de poortengte te drijven.
Na weinige minuten hadden Jacob en de Welle het doel van hun tocht
bereikt. Zij waren in Brussel!
Na het noodlottig avontuur te St. Marie ter Duin was hun tocht tot
nog toe zonder bijzondere lotgevallen verloopen. Ze hadden Gentbrugge
bereikt en hadden een veilig verblijf gevonden bij een van de vele
Gereformeerden, die zich, vooral op het platteland, schuil hielden en
minder de aandacht trokken, dan hunne geloofsbroeders in de Vlaamsche
en Brabantsche steden. Ze hadden er de bijzonderheden gehoord van de
verwoesting der pas gestichte kerk te Gent, die den 9en April van dat
benauwde jaar 1567 door een compagnie Roomsche burgers, onder bevel van
kapitein Bousse, was vernield en afgebroken, van Artus Bousse, die zelf
aan den beeldenstorm had deelgenomen, en die nu tegen zijn vroegere
geloofsgenooten woedde, om zijn euveldaden te doen vergeten. [5]
Zij hadden gehoord, hoe geheel Vlaanderen verslagen was over de
gevangenneming van Egmond en Bakkerzeele, op wie men, niettegenstaande
hunne gestrengheid tegen de beeldstormers, toch nog min of meer had
gerekend; hoe alle verzet tegen de Regeering voorgoed gebroken scheen
door den ijzeren Spaanschen hertog, en hoe men slechts fluisterend
elkander moed insprak, als men elkander de geruchten vertelde, dat de
Prins van Oranje troepen wierf om de verdrukte landen te verlossen,
dat de predikanten in 't geheim gelden inzamelden, om hem te steunen,
en dat men hoopte op hulp van de Huguenoten, de broeders in Frankrijk.
Zoo hoopte men op hulp van buiten. Maar binnen de grenzen waren 't
alleen de gewapende benden in 't Zuiden, de Boschgeuzen, die zich
nog tegen den overweldiger verzetten.
Zij waren niet lang te Gentbrugge gebleven. Zij mochten hunne
geloofsgenooten niet blootstellen aan het gevaar, dat hun boven het
hoofd hing, als men ontdekte, dat zij twee ballingen herbergden.
Zij waren de stad omgetrokken, want te Gent durfden zij zich niet
vertoonen. Toen begaven zij zich, langs weinig bezochte landwegen,
die de Welle koos, langs Aalst naar Brussel. In de bosschen aan de
Zuidzijde der stad hadden zij zich eenige dagen schuil gehouden in een
verlaten en vervallen hut in het hout, om het terrein te verkennen
en een plan te maken. 't Was Jacob, die den voorslag deed, zich op
een marktdag als veedrijvers aan een boer te verhuren en met het
andere marktvolk de stad binnen te trekken. Eene vermomming hadden
zij niet noodig. Hunne kleeding was die der Vlaamsche en Brabantsche
boeren. Waren zij eenmaal binnen de stad, dan moesten zij op hun
geluk vertrouwen en hopen, dat zij niet herkend werden door een der
spionnen der Regeering. En de kans daarop was niet gering. Zij hadden
beiden een rol gespeeld in de gebeurtenissen van 1566 en duizenden
hadden hen bij het Geuzenleger gezien. Werden zij ontdekt, dan zou
niets hen kunnen redden. Tevergeefs trachtte Jacob Martens de Welle
te bewegen, hem thans te verlaten en naar de legerplaats der Geuzen
terug te keeren. De oude boschwachter weigerde halsstarrig, zich van
zijn jonker te scheiden.
Te Brussel hoopten zij hulp te vinden bij een der geloofsgenooten,
wier namen en woonplaatsen hun door de broeders te Gentbrugge waren
toevertrouwd. Want ook te Brussel, Alva's hoofdkwartier, hielden zich
nog Geuzen verborgen. Ging niet onder de Gereformeerden in Vlaanderen
en Brabant het verhaal, dat de eerwaarde Franciscus Junius het Woord
Gods had gepredikt op de markt, terwijl door de vensters der kamer,
waar de geloovigen bijeen waren, de vlammen van den mutsaard te zien
waren, waarop een hunner broeders den marteldood stierf?
Toen het plan eenmaal was ontworpen, was het zaak, het zoo spoedig
mogelijk ten uitvoer te brengen. Elken Dinsdag werden kudden runderen
en schapen naar de stad gedreven en het kostte de beide mannen niet
veel moeite, een veekooper te bewegen, hen voor een paar stuivers
als drijvers aan te nemen. Ze kozen een handelaar uit Artois, die
er licht niet zoo spoedig toe komen zou, onbescheiden vragen te doen
als een Vlaming of een Brabander.
Nu waren ze in de nauwe straten en, om argwaan te voorkomen, moesten ze
het vee van den man, die hen gehuurd had, naar de markt helpen drijven
en met hem afrekenen. Toen zij hun loon ontvangen hadden, slenterden
zij schijnbaar onverschillig door het drukke marktgewoel, terwijl
zij zich, waar over een koop werd onderhandeld, als belangstellende
toeschouwers onder de menigte mengden. Koop en verkoop, en al het
gewone marktgedoe gingen hun gang. Toch was er op de groote Markt
een gedrukte stemming onder het volk. De gebeurtenissen der laatste
weken hadden een diepen indruk gemaakt en men vraagde zich angstig
af wat er verder gebeuren zou.
Men had de beide Geuzen gewaarschuwd voor de spionnen der Regeering,
de "sevenstuyverlieden" of verklikkers, die zich overal bevonden,
waar veel menschen bijeen waren, en de gesprekken afluisterden, om
hen, die uiting gaven aan oproerige gevoelens of hun ontevredenheid
te kennen gaven over het Spaansche bewind, aan te klagen. Maar zij
bespeurden niets verdachts. Niemand lette op hen en langzamerhand
onttrokken zij zich aan de marktdrukte, om in een kleine herberg een
kroes Leuvensch bier te drinken en het brood en het spek te eten,
dat de kloeke bazinne hun voorzette. Zij moesten wachten tot den noen,
vóór zij met de uitvoering van hun plannen konden beginnen.
Tegen het middaguur daalden zij de steile straten af, die naar de
bovenstad voerden, om zich naar de benedenstad te begeven, waar de man
woonde, dien zij zochten, en voor wien de Eerwaarde Carpentier, een
der predikanten van de Gereformeerden te Gent, die zich te Gentbrugge
schuil hield, hun een brief had meegegeven.
Vreemd zag de eerzame brouwersknecht Tiest Stoffelsz op, toen hij
bij zijn noenmaal van krachtige biersoep, plotseling werd gestoord
door twee mannen, die zijn woning binnentraden en hem verlangden te
spreken. Niet weinig verschrikt was hij, toen de vreemde bezoekers
hem hun geuzenpenningen toonden, hem aanspraken als een broeder in
den geloove en zeer wel bleken te weten, dat hij meer dan eens "ter
groene preeke" geweest was.
Nu was Tiest Stoffelsz in zijn hart de "nye leere" oprecht toegedaan en
hij had ter preeke woorden gehoord, die hij nimmer zou vergeten, maar
hij had weinig aanleg voor het martelaarschap. Hij en zijn huisvrouw
hadden het beeldeke der Heilige Maagd met het kindeke Jezus niet uit
hun huisje verwijderd. 't Was immers zoo'n schoon beeldeke en het deed
niemand kwaad! En sinds men zeide, dat de Geuzen moesten onderleggen,
waren zij al eens ter misse gegaan, om hunnen pastoor almee te vriend
te houden.
En nu--dit bezoek! De goede Baptist en zijne Katelijne keken elkaar met
bleeke gezichten en verschrikte oogen aan. Ze kenden de plakkaten. Was
het niet op lijfstraf verboden, de ballingen te huisvesten en te
herbergen? Tiest zag in zijn verbeelding al den nieuwen galgeput buiten
de poort en zichzelf als hoofdpersoon, in een sombere processie, met
Meester Jacob Spelle, de Roode roe, voorop, en met Meester Harmen, den
beul van Brussel, en zijn knechts als geleide, op zijn laatsten tocht.
Maar die mannen brachten een brief van den Eerwaarden Carpentier
en Tiest Stoffelsz dacht terug aan wat er gebeurd was, nu twee
jaren geleden. Toen was hij zwaar ziek geweest, zoo ziek, dat de
barbier-heelmeester hem al had opgegeven en de buurwijven er bij
Katelijne op aandrongen om toch den pastoor te laten halen en haar man
niet zonder biecht en heilig sacrament de eeuwigheid in te laten gaan.
Maar wat Tiest daarbuiten in "de groene preek" had gehoord, werkte
na in zijn ziel, en al was het nog heel duister en verward, hij wist
toch wel, dat hij wat anders noodig had, dan biecht en sacrament, en
hij was onrustig en gejaagd. Toen was, in de stilte van den nacht, de
jonge leeraar tot hem gekomen, die zich te Brussel verborgen hield,
en hij had met Tiest gebeden en met hem gesproken en het was den
zieke toen, voor het eerst, heel duidelijk geworden: "Het bloed van
Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden!"
Tiest Stoffelsz was weer beter geworden, en--ach, er was sinds zooveel
gebeurd, dat hem het hoofd deed duizelen. Wat hij dien nacht vernomen,
en ja, ook geloofd had, klonk nog na in zijn ziel, soms wel heel
flauw, maar hij had het toch niet vergeten. Maar hij had al meer dan
een van zijn stoutmoedige geloofsgenooten de noodlottige ladder zien
beklimmen, hij had, na de komst van den hertog, op de Paardenmarkt
twee Geuzenpredikanten zien sterven, "geëxecuteerd metten viere",
één met "de groote vlam", één, die tot den beeldenstorm had aangezet,
"met klein vuur"--en dat was een vreeselijk schouwspel geweest!
"So wie volherden sal totten eynde, die sal salig worden!" had een
eenvoudig werkman, een wever, de omstanders toegeroepen, toen hij
ter strafplaats ging. Maar het geloof en de moed van Tiest waren niet
groot genoeg, om hem te doen "volherden totten eynde", en hij wilde
zich liever stil houden en zich doen vergeten.
Toch, al had de voorzichtige Katelijne de beide Geuzen gaarne terstond
de deur gewezen, Tiest kon niet weigeren te luisteren naar den brief
van den predikant, die hem in zijne doodsbenauwdheid had bijgestaan,
en welken de jongste der beide mannen hem voorlas,--want hij kon
niet lezen.
En toen herademde Tiest. Wat die twee mannen van hem verlangden, was
zoo gevaarlijk niet. Hij behoefde geen ballingen te herbergen. De
Gentsche predikant, die Brussel goed kende, had gelijk. De kelders
van de brouwerij, waar hij werkte, kwamen uit in de Wolkammerstraat,
een stille achterstraat. Jawel, daar was een luikdeur, die toegang gaf
tot de kelders, waar de groote vaten bier lagen opgestapeld. Zeker,
die kelderdeur werd weinig gebruikt. Al wat van hem verlangd werd,
was, dien avond den boom weg te nemen, waarmee de luiken aan den
binnenkant werden gesloten. De beide Geuzen hadden geen kwaad in
den zin, dat verzekerden zij plechtig. Noch zijn meester, noch
het gilde zou schade lijden. Zij moesten slechts iemand spreken,
in het belang der goede zaak en hadden een schuilplaats noodig in
de Wolkammerstraat. En al werden zij ontdekt, wie kon aantoonen, dat
Baptist Stoffelsz er de hand in had gehad, om hen daar te verbergen?
--"En als zij eens werden gevat en ter paleie geleid?" vraagde de
bezorgde Katelijne. De tortuur zou hen wel doen klappen en dan zouden
zij en haar man voor hunne hulp duur moeten boeten.
Toen was er een harde trek gekomen op het gezicht van den jongsten
Geus.
--"Levend zullen zij ons niet vatten!" had hij gezegd en de oudere
had goedkeurend geknikt.
En met angst in het hart had de arme Tiest beloofd, dat dien avond
de boom van het kelderluik zou zijn. Waren zij eenmaal binnen, dan
moesten zij het luik sluiten en vooral geen gerucht maken. Vóór de
volgende week zou er geen bier worden vervoerd. En met die belofte
nam hij afscheid van zijn ongenoode gasten, die daarop bedaard en
zonder iemands aandacht te trekken, zijn huisje verlieten, nadat zij
hem beloofd hadden, den Eerwaarden Carpentier van hem te groeten en
den predikant te zeggen, dat Tiest Stoffelsz, al was dan misschien
de schijn tegen hem, een trouw en goed man was.
En den volgenden morgen, nog voor het aanbreken van den dag, liepen
twee mannen rustig door de eenzame Wolkammerstraat. Ze droegen
de kleeding van den kleinen burgerstand dier dagen. Het konden
werkgasten zijn, die zich reeds vroeg aan den arbeid begaven. Den
vorigen avond hadden Jacob Martens en Pieter de Welle het terrein
verkend. De Wolkammerstraat was een stille en weinig bezochte
weg. Aan de eene zijde vond men de hooge achtergevels van pakhuizen,
brouwerijen en wolkammerijen, langs den anderen kant liep de hooge
muur, die den prachtigen en uitgestrekten tuin naast het paleis
van den graaf van Aremberg van den verkeersweg afsloot. In dien
muur was een achterpoortje, dat blijkbaar weinig gebruikt werd en
slechts met een grendel was gesloten. Dat was de Welle gebleken,
toen hij er als bij toeval een oogenblik tegen had geleund. Niet ver
van die achterdeur was de kelder met het groote luik, die de beide
avonturiers tot schuilplaats zou moeten dienen. Het kwam er nu maar
op aan, of Tiest Stoffelsz woord had gehouden. De mogelijkheid bleef,
dat de man het stuk niet had durven bestaan, of, erger nog, hen aan
de Roode Roe en zijne rakkers had verraden.
Bij het achterpoortje gekomen, haalde de Welle een korte ijzeren staaf
voor den dag, waarvan hij zich den vorigen avond in een smidswinkel
had voorzien. Voorzichtig zagen de beide Geuzen om zich heen. De
straat was eenzaam en verlaten. De vensterluiken der omliggende
gebouwen waren gesloten.
Toen zette de Welle den als een breekijzer afgeslepen staaf tusschen
de reet van de deur en den muur, op de plaats waar de grendel in de in
den steen uitgeholde opening schoof en duwde met kracht. De grendel
boog en bezweek bij een tweeden duw. De deur kon gemakkelijk worden
geopend. Zij stond nu alleen op de klink.
Toen traden beide mannen naar het kelderluik en beproefden het op
te lichten. Het was los. Tiest had woord gehouden! Een steenen trap
voerde naar beneden. Zij doken in de donkere opening en schoven den
gereed staanden boom voor het luik. Zij waren voor het oogenblik in
veiligheid. Door de met ijzeren tralies voorziene gaten, die in het
hout waren aangebracht, viel een flauw licht. Zij konden hier rustig
wachten, tot het oogenblik was gekomen, waarop Jacob Martens het
gevaarlijk avontuur, waarop hij zijne zinnen had gezet, zou ondernemen.
't Werd een mooie Septembermorgen en 't beloofde een zomersche dag te
worden. Madeleine de Bette was na het ontbijt den hof in gewandeld om
van den schoonen nazomer te genieten en te werken aan hare tapisserie,
een prachtig altaarkleed, bestemd voor Sinte Gudula, de patronesse van
Brussel, want sedert Alva's komst wedijverden de vrouwen en dochters
der adellijke geslachten, die den Koning trouw waren gebleven, in het
maken van wijgeschenken voor de kerken der hofstad. En daarbij kwam,
dat Madeleine wel gaarne alleen wilde zijn, want zij had veel om
over te denken. In die paar jaren was zij nog mooier geworden. Het
tengere meisje, dat Jacob Martens had liefgehad, was een fiere,
statige schoonheid geworden en sedert president Martens door zijn
waardigheid als lid van den Raad van Beroerten verplicht was, te
Brussel te vertoeven, behoorde Madeleine de Bette, de rijke erfdochter
uit een der edele Vlaamsche geslachten, tot de meest gevierden van
het hof van den landvoogd. Op elk feest was zij omgeven door een
zwerm van jonge Spaansche en Nederlandsche edellieden, die haar om
strijd het hof maakten en heel Brussel wachtte in spanning op het
oogenblik, dat het zou blijken, wie de gelukkige was, die den door
allen begeerden prijs zou veroveren.
Madeleine begaf zich naar een bank onder de neerhangende takken van
een oude linde, waar zij van uit het huis niet kon worden gezien. Zij
begon aan haar naaldwerk en werkte een poos vlijtig door. Weldra echter
liet zij de naald rusten en staarde droomerig naar de zonnevlekjes
op het groen bemoste tuinpad.
Waar zij aan dacht? 't Waren blijkbaar geen ernstige of droevige
overpeinzingen, waar zij zich mede bezig hield, want soms speelde een
vroolijke glimlach om haar mond. Wat ging het ijdele en behaagzieke
meisje de ellende van haar land aan? De komst der Spaansche troepen en
van den ijzeren hertog hadden haar slechts voordeel aangebracht. Uit de
deftige, maar eenvoudige huizing van haar pleegouders was zij immers
overgeplaatst naar het vroolijke Brussel, waar zij kon genieten van
de bewondering en de hulde, die zij zoozeer waardeerde. En al die
troebelen in den lande, zij brak er zich het hoofd niet mede. Was
niet haar geheele omgeving er ten volle van overtuigd, dat de
oproerige Geuzen, die zich tegen den Koning hadden durven verzetten,
spoedig genoeg zouden worden onderworpen? Daarvoor was immers de
hertog overgekomen met zijne beproefde troepen, die nog nimmer waren
geslagen. Strengheid tegen de ketters, de beeldstormers, de Geuzen
was noodig, natuurlijk, maar spoedig zou de rust zijn hersteld en
dan zou het alles weer worden zooals vroeger.
--Alles? Toch wel niet!--En Madeleine dacht aan velen, die haar het
hof maakten en haar tot hun vrouw wenschten te maken. Het vroolijke,
onbezorgde leven kon niet altijd duren. Ze zou wel een keuze moeten
doen, en dan een goede keuze, die haar een schitterende positie
waarborgde, want zij wilde blijven schitteren in die vroolijke kringen,
die haar zoo aantrokken. Aan geen onbeduidend man zou zij haar hand
schenken. 't Moest iemand zijn, die een toekomst had, een groote
toekomst, die zij met hem kon deelen.
Thierry de St. Foy maakte haar ijverig het hof. Hij was nu luitenant
bij de Walen van Noircarmes. Hij was niet rijk, maar hij werd
beschermd door de Croy's en de hertog van Aerschot was thans een man
van beteekenis, die veel invloed had. Ieder meende, dat Thierry het
vèr zou brengen en hij was een schoon en bevallig cavalier, met wien
men voor den dag kon komen.
--Jacob Martens? Ach, dat was kinderspel geweest. Jacques was immers
nu een balling, een verworpene, een oproerling tegen zijn wettigen
landsheer, en daarbij een snoode ketter, wiens naam, volgens den
wil zijner moeder, de strenge Vrouwe Martens, in haar huis niet meer
mocht worden genoemd.
En toch was 't jammer! Jacques was toch wel een goede, edele jongen
en hij had haar wel innig liefgehad! Het waren toch wel goede en
mooie uren geweest, daarginds, in den hof van het oude huis te Gent.
--Maar als hij haar werkelijk lief had gehad, dan zou hij haar niet
hebben opgegeven voor zijn kettersche dolingen en zijn oproerige
vrienden. Waarom had hij zich zelf door zijn dwaasheid in het
ongeluk gestort voor tijd en eeuwigheid? Haar biechtvader had het
haar verzekerd. Hem wachtte het schavot, als hij ooit gegrepen
werd, en dan de pijnen der hel, en wanneer zij nog met liefde en
gehechtheid aan den ellendigen ketter dacht, dan verkeerde zij in
staat van doodzonde. En zij kon dan toch niet de verloofde zijn van
een zwervenden balling. Misschien leefde hij niet eens meer....
Het ritselde in de heesters achter de oude linde. Madeleine merkte
het niet op.
--Zou zij een van de Spaansche officieren nemen? Don Juan di Garcia
was zeker een bevallig caballero, veel aardiger in den omgang dan de
statige don Rodrigo d'Avila, die zeker al veertig jaar was. Maar don
Rodrigo bekleedde reeds een hoogen post en hij was van ouden adel
en verwant aan de beste Spaansche geslachten. Als zijn vrouw zou
zij dadelijk de positie innemen, waarnaar haar hart verlangde. En
de eerbiedige hoffelijkheid, waarmede haar Spaansche vereerders haar
naderden, streelde haar. Maar dan later naar Spanje te moeten gaan? Er
werd onder den Nederlandschen adel aan het Brusselsche hof zooveel
gesproken over de stijve, Spaansche zeden, over den dwang, waaronder
de Spaansche vrouwen leefden. Neen, dat was geen toekomst voor haar...
--En lief had zij hen niet! Geen van allen! Thierry beviel haar nog
het best, maar toch--wat zij voor Jacques gevoeld had, was toch heel
wat anders! Maar ach, dat was misschien maar kinderachtige dwaasheid,
een droom van haar meisjesjaren...
--Als iemand haar toch een raad kon geven! Zij wist zelve niet,
wat zij wilde!
Weer ritselde het in de heesters. Er viel een schaduw op het
pad. Verrast, half verschrikt, keek Madeleine om. Een man stond achter
haar en twee fonkelende oogen staarden haar aan.
't Ontbrak Madeleine de Bette niet aan moed. Zij wierp een snellen blik
in de richting van het huis. Te ver! De indringer zou haar terstond
inhalen, als zij vluchtte. Als hij kwade bedoelingen had, moest zij hem
in bedwang houden, tot er mogelijk hulp kwam. Zij stond op van de bank.
--"Wie zijt ge en wat doet ge hier?" vroeg zij hoog.
--"Madeleine!" fluisterde de man, met heesche stem.
Met een flauwen gil trad het meisje een pas terug. Wat was dat?
--"Madeleine, kent ge mij niet meer?"
De stem trilde van ontroering, maar Madeleine herkende ze. Zij zag
den vrager met verbaasde, verschrikte oogen aan.
--"Jacques? Hier?" fluisterde zij. "Hoe komt ge..."
Zij wist zelve niet of zij meer verheugd was dan ontsteld. Met wijd
geopende oogen staarde zij den onverwachten bezoeker aan. Ja, 't was
Jacob wel. Maar hoe veranderd! Wat leek de flinke, krachtige man, die
daar voor haar stond, weinig op den jongen Jacob Martens, dien zij voor
't laatst te Gent had gezien. Wat stonden hem de knevel en de korte
baard goed, bij het door wind en weer gebruinde gelaat. En het breede
litteeken op het voorhoofd ontsierde hem niet. Onwillekeurig legde zij
haar beide handen in die van Jacob, toen hij ze naar haar uitstrekte.
--"Ik moest u zien, u spreken, Madeleine!"--Jacobs stem trilde van
ingehouden hartstocht. "Ik heb er mijn leven voor gewaagd. Er werd
gezegd, dat ge verloofd waart,--met een ander, met Thierry! Zeg,
dat het niet waar is, Madeleine!"
Hij wilde haar naar zich toe trekken, zijn arm om haar leest slaan,
maar Madeleine had zich hersteld van haar eersten schrik. Zij maakte
hare handen uit die van Jacob los.
--"Dat is niet waar," zei ze koel, "maar als het eens waar was? Een
fraai bewijs van uw liefde, dat ge mij gegeven hebt! Weggevlucht zijt
ge van mij, van uw ouders en van uw vrienden, om u aan te sluiten
bij de ketters, bij de rebellen! Denkt ge, dat ik de verloofde zijn
wil van een ketter, een Geus?"
Ze deed een stap achteruit en een smadelijk lachje speelde om haar
lippen. Ze was thans niet bang meer.
--"Madeleine, het is niet waar! Die ketters willen alleen God dienen
naar de inspraak van hun hart en geweten en de rebellen zouden trouwe
onderdanen zijn van den Koning, als hij hen wilde laten leven als vrije
mannen. O, dat ik u de oogen kon openen! Ik moest, Madeleine! Ik zou
een lafaard zijn, als ik het arme, onderdrukte volk niet hielp! Maar
ik heb u nog altijd lief..."
Maar Madeleine de Bette luisterde niet. Ze was zichzelf thans volkomen
meester. Het streelde haar ijdelheid, dat die forsche, sterke man,
een van de gevreesde Geuzen nog wel, daar als smeekeling voor haar
stond. En hij had zijn leven gewaagd, om tot haar door te dringen. Als
hij gevat werd, wachtte hem de dood op het schavot...
Allerlei gedachten vlogen door haar koel, berekenend brein. Zij de
bruid van een balling, van een Geus,--onmogelijk!
Maar--als 't haar gelukte, hem terug te winnen voor de partij van
den Koning? Als hij zich onderwierp en zijn ketterij afzwoer? 't Was
waar, de Raad van Beroerte was streng voor de ballingen, die aan
den opstand hadden deelgenomen, maar Jacques was nog jong en zijn
vader had veel invloed en machtige vrienden. Er waren er meer, die
't eerst met Oranje en Brederode hadden gehouden, maar die de partij
van de Geuzen hadden verlaten en nu trouwe dienaars waren van de
Regeering. Welk een triomf, als 't haar gelukte!
Met afgewend gelaat had zij naar de hartstochtelijke woorden van
den jongen man geluisterd. Thans zag ze hem weer aan en er lag een
verleidelijke, lokkende uitdrukking in haar donkere oogen.
--"Is dat waar?" fluisterde zij.
--"Madeleine!"
Maar ze hield hem terug.
--"Toon het dan! Keer terug tot mij, tot uw ouders, tot de Heilige
Kerk. Wat bindt u aan de Geuzen, die boeven en rabauwen? Uw vader heeft
invloed bij den hertog. Hij zal een pardon voor u verkrijgen. Alles
kan nog goed worden."
Zij trad op Jacob toe, legde hem de handen op de schouders en zag
hem vleiend aan.
--"Wij kunnen nog zoo gelukkig zijn, Jacques," fluisterde zij.
Bleek en sidderend van inwendige ontroering staarde Jacob het schoone
meisje aan. 't Was waar, wat zij zeide: hij, de balling, de vogelvrij
verklaarde, hij kòn terug, als hij wilde. Een leven van eer en aanzien,
van geluk en liefde kon hem nog wachten,--als hij de zaak van zijn
volk, van zijn land verried, als hij zijn Heer ontrouw werd. Het waren
immers zijn eigen gedachten, die Madeleine daar uitsprak, gedachten,
die in hem waren opgerezen daar ginds in het woeste duin, die hem
gekweld hadden in menigen slapeloozen nacht, als de bloedige daden van
zijn woeste makkers hem er aan deden twijfelen, of hij streed voor
een rechtvaardige zaak. Hij kon nòg terug,--en dan, Jacob Martens,
de zoon van den president van den Raad van Vlaanderen, de echtgenoot
van Madeleine de Bette, zou hij nog niet veel voor zijn volk kunnen
doen? Meer dan de arme balling, die meevocht in den hopeloozen strijd
tegen de overmacht, wachtende op de hulp, die maar niet kwam opdagen...
Wat was die stem in zijn binnenste, die daar sprak van "getrouw te
zijn tot den dood"?
Madeleine zag zijn ontroering. Nu was het oogenblik daar, waarin zij
alles op het spel moest zetten, om over de laatste aarzeling van den
jongen man te triomfeeren, om hem terug te winnen voor zichzelve,
Jacques, van wien zij toch wel hield, voor zoover haar ijdel en
lichtvaardig gemoed daartoe in staat was.
Zij sloeg een arm om zijn hals en boog het hoofd aan zijn borst.
--"Om mijnentwil, Jacques," fluisterde zij week. "Laat mij spreken met
uw vader... Laten wij u redden! De Geuzen zullen worden uitgeroeid. De
hertog zendt troepen, om ze te verslaan. Ik weet het zeker! Thierry
sprak er van!"
--"Ik kan niet, ik mag niet, Madeleine!"
Het oogenblik van zwakheid was voorbij. Madeleine had, zonder dat
zij het wist of wilde, een beroep gedaan op het eergevoel van den
krijgsman. Hoe? Zijne makkers zouden worden aangevallen door de
troepen der Regeering en hij zou ze als een lafaard in den steek
laten in den hoogsten nood? Eerloos!...
En nu de verzoeking was weerstaan, vlogen hem bliksemsnel de gedachten
weder door het hoofd, die hem gesterkt hadden in donkere uren, om
te volharden tot het einde. Zoovelen, die gevallen waren voor de
goede zaak, de zaak der vrijheid, die eenvoudigen, de martelaars,
die geleden hadden aan de galg en op den mutsaard voor het gezuiverde
Evangelie! En weer zag hij het bleeke gelaat der martelaresse te Gent
en hoorde hij het "Wees getrouw tot in den dood". Dat was het! Trouw
zijn, trouw tot in den dood!
--"Ik mag niet!" herhaalde hij dof. "Maar o, ik heb u lief,
Madeleine! Blijf mij trouw! Er zullen betere dagen komen! Oranje en
de Coligny zullen ons helpen..."
Maar bij zijne eerste woorden had Madeleine hem losgelaten.
--"Een bewijs van uw liefde, zeker!" Met een smadelijk lachje wendde
zij zich af.
--"Ge kiest dan uw Geuzen en rebellen boven mij! Ga heen, Jacques
Martens, ik heb u niets meer te zeggen. Ga terug naar uw Geuzen,
vóór de Roode Roe en zijn rakkers u ontdekken en grijpen!"
Een lichte kreet achter hen deed beiden omzien. Het bemoste voetpad
van den ouden tuin had de voetstappen gedoofd van de twee, die
plotseling verschenen waren aan de kromming bij de oude linde en
thans verrast bleven staan: de statige Vrouwe Martens in haar zwart,
bijna kloosterachtig gewaad en witte huive, en Thierry de St. Foy, in
zwart fluweelen hofkleeding, aan de mouwen met geel satijn doorbroken,
den hoogen fluweelen hoed met een koord van gouddraad versierd en
opgetoomd. Vrouwe Martens was zeer bleek geworden, toen zij haar
zoon herkende; Thierry stond besluiteloos en draaide verlegen aan
zijn fijn zwart kneveltje.
--"Moeder!" Jacob wilde op haar toeijlen. De mondhoeken der trotsche
vrouw hadden even zenuwachtig getrild; toen werd haar blik koud en
hard. Met een gebiedend gebaar wees zij hem terug.
--"Een oproerling en een ketter is mijn zoon niet!" klonk het
hoog. "Wat doet gij hier!"
--"Een Geus en een vijand van den Koning!" Thierry had zijn
tegenwoordigheid van geest teruggekregen.
--"Geef u over, Jacob Martens!"--Hij trok den fijnen staatsiedegen
en trad op Jacob toe.
Een oogenblik had Jacob Martens roerloos zijn moeder aangestaard. Het
flikkerende staal in de hand van zijn mededinger en het besef van het
dreigend gevaar, waarin hij verkeerde, bracht hem tot zichzelf. Snel
trok hij den langen opsteker, dien hij onder zijn wambuis droeg, en
pareerde den stoot, dien Thierry hem wilde toebrengen. Met forsche
hand greep hij den pols van zijn tegenstander en ontwrong hem het
wapen, dat hij wegslingerde tusschen de heesters. Toen haalde hij
uit met het breede kruismes.
Madeleine gaf een gil en klemde zich aan Vrouwe Martens vast.
Een oogenblik aarzelde Jacob. Als daar zijn moeder niet stond...
Hij liet Thierry los en stiet hem van zich af.
--"Ga heen!" zei hij met heesche, trillende stem.
Thierry de St. Foy liet het zich geen tweemaal zeggen. Hij snelde het
pad op, dat naar de huizinge voerde, terwijl hij op een fluitje blies,
dat aan zijn halsketen hing.
Jacob stond een oogenblik besluiteloos.
--"Jonker! jonker!" klonk het dringend achter hem. Een donkere gedaante
stond tusschen de heesters, hem wenkend, zich te haasten.
Jacob wierp een blik op de beide vrouwen, die elkander nog altijd
vol ontzetting hielden omklemd, een laatsten blik. Toen snelde hij
met de Welle naar het achterpoortje in den hoogen tuinmuur. Achter
hen klonken stemmen in den tuin.
Thierry de St. Foy kwam terug met versterking. Een snellen blik
wierpen zij in de eenzame straat. Er was niemand te zien! De Welle
greep Jacob de muts van het hoofd en wierp die de straat in. Toen
doken beiden door het luik in den donkeren kelder en met een zucht
van verlichting schoven zij den zwaren boom er voor.
Voor het oogenblik waren zij in veiligheid, maar toch bonsde hun
hart, terwijl zij luisterden naar de voetstappen en de stemmen in
de straat. Als iemand hen had zien wegduiken in hun schuilplaats,
waren zij verloren. Hun vervolgers konden spoedig genoeg den ingang
van de groote brouwerij bereiken, waarbij de kelder behoorde, die
hun schuilplaats was, en werden zij ontdekt en gegrepen, dan was hun
lot beslist.
--"Ha, zie die muts! Dezen kant op, mannen!"
't Was de stem van Thierry. De krijgslist van de Welle was gelukt. De
stemmen en de haastige voetstappen verwijderden zich in de richting
van de stad. De vervolgers vermoedden niet, dat de Geuzen, die zij
zochten, zich in hun onmiddellijke nabijheid hadden bevonden.
En nu begon het wachten, het lange, pijnlijke wachten, dat tot den
avond moest duren, want eerst met het vallen van den nacht zouden de
beide Geuzen het durven wagen, hun schuilplaats te verlaten.
Zij zaten op de steenen trap van den donkeren kelder, slechts flauw
verlicht door de kleine openingen in het luik en luisterden naar
de geluiden, die van buiten tot hen doordrongen. Zij hoorden de
voetstappen der terugkeerende vervolgers, hun verwoede en opgewonden
uitroepen, terwijl ieder zijn meening wilde uiten, en raad wilde
geven. Toen werd het voor een poos stil in de straat, maar weldra
klonken er weer voetstappen en stemmen. Blijkbaar had het gerucht
van het gebeurde zich in de stad verspreid en er vormde zich een
kleine oploop van nieuwsgierigen voor de achterpoort in den muur. Zij
konden zelfs van tijd tot tijd de gesprekken der verschrikte burgers
verstaan, althans enkele woorden opvangen. Blijkbaar was de levendige
volksverbeelding reeds aan het werk: de Geuzen hadden een aanslag op
Brussel in den zin. Wilde Geuzen hadden een aanval gedaan op het paleis
van den graaf van Aremberg. Ze hadden de vrouwen willen ontvoeren. Hoe
sterk waren de aanvallers geweest? Tien! Neen, zeker twintig! Een
officier van Noircarmes had ze aan het hoofd van de wacht verdreven...
Maar na een poos werd het stil in de straat. De nieuwsgierigen
trokken af.
Tegen den vochtigen muur geleund, zaten de beide mannen zwijgend
tegenover elkander. Jacob Martens staarde somber voor zich uit,
vol van het gebeurde van dien morgen. Thans eerst was hij voorgoed,
was hij onherroepelijk van de zijnen gescheiden! Zijn moeder had
hem verstooten, Madeleine was voor hem verloren, zijn vader had
zitting in Alva's bloedigen raad. Hij zelf, hij was een balling, een
uitgestootene! Er waren oogenblikken, dat hij haast wenschte, dat men
hun schuilplaats ontdekte. Dan zou 't spoedig voorbij zijn! Een kort,
heet gevecht, een stoot met een piek of een dagge--en zijn strijd
was volstreden, voorgoed.
Maar zulk een oogenblik ging spoedig voorbij. Hij mocht niet in
moedeloosheid het hoofd verliezen. Hij moest leven, als 't zijn kon,
en strijden voor de goede zaak. En thans moest hij waken en zoeken
naar redding, ook ter wille van de Welle, die zich om zijnentwil en
met gevaar van zijn leven in Brussel had gewaagd.
Straks, als de avond was gevallen, zouden zij trachten te
ontsnappen. Natuurlijk zou de wacht aan de poorten der stad zijn
gewaarschuwd en er zou scherp worden gelet op allen, die Brussel
verlieten. En naar hun herberg terug keeren konden zij niet. Maar
zij hadden op de mogelijkheid van ontdekking gerekend, en hun plan
was gemaakt. Zij hadden den vorigen dag voorzichtig de omgeving
verkend. Zij moesten over den stadsmuur pogen te ontkomen.
Pieter de Welle stoorde zijne overpeinzingen niet. Hij begreep wel,
wat er in het hart van den jonker omging. Het gevaar, waarin hij
verkeerde, deerde hem niet en hij dacht er niet aan, Jacob Martens
iets te verwijten. De onderneming was dwaas en roekeloos geweest. Dat
had hij steeds geweten en toch was hij zijn jongen aanvoerder gevolgd,
den eenige, om wien hij nog aan het leven hechtte. Als hij straks aan
zijne zijde moest vallen, dan zou het goed zijn. God mocht zijn ziel
genadig wezen, en--eerst zou hij toch nog wel een paar Spanjolen of
Spanjolenvrienden neerleggen.
Van onder zijn kiel haalde hij een paar lange pistolen te voorschijn,
met een kruithoorn. Bij het flauwe licht, dat door de getraliede
openingen in het luik viel, schudde hij droog kruit op de pan en
liet het lontslot spelen. Straks, als zij den kelder verlieten,
zou hij de lonten aansteken.
En ondertusschen luisterde hij scherp naar wat er buiten voorviel.
Zoo verliepen de trage uren, terwijl de beide mannen nauwelijks een
woord wisselden. Eindelijk begon de avond te vallen. De Angelus-klok
van de Sinte Gudula werd geluid, weldra gevolgd door de klokken van
alle kerken en kloosters der stad. Weldra zou 't donker genoeg zijn,
om hun plan te volvoeren.
Plotseling schrikten de beide Geuzen op. Er klonken zware voetstappen
door de straat, marcheerende op de maat. Daar was wapengekletter en
een kort commando. Daar naderden soldaten! Zou men door eenig toeval
hun schuilplaats hebben ontdekt?
De voetstappen hielden stil. Weer een kort bevel en de troep
verwijderde zich, maar er klonken nog altijd zware schreden, langzaam
op en neer, blijkbaar van twee soldaten, die heen en weer liepen en
van tijd tot tijd hoorde men hen hun pieken neerzetten op de keien.
--"Een wacht!" fluisterde Jacob en de Welle knikte toestemmend.
Blijkbaar werd de achterpoort door gewapenden bewaakt.
De twee mannen verkeerden in een hachelijken toestand. Zij konden
den kelder niet verlaten, zonder door de schildwachten te worden
bemerkt. Toch restte hun nog één kans. Zij hadden met Tiest Stoffelsz
afgesproken, dat deze in den laten avond onder eenig voorwendsel naar
de brouwerij zou terug keeren, en, ter wille van zijn eigen veiligheid,
den boom weer voor het luik zou leggen, wanneer zij den kelder hadden
verlaten. Nu moesten zij op hem wachten. Hij moest hen door de donkere
kelders leiden en hen op straat brengen.
Het werd nacht. De soldaten daar buiten waren reeds eenmaal
afgelost. Eindelijk hoorde men zachte, schuifelende voetstappen en
in de verte blonk het flauwe schijnsel van een lantaarn.
Jacob begreep, dat een lichtstraal door de luchtgaten van het luik
hen zou kunnen verraden. Haastig tornde hij met zijn mes de voering
van zijn wambuis los en scheurde er een paar lappen af, waarmede de
openingen werden dicht gestopt.
Tiest Stoffelsz was niet weinig verrast en ontsteld, toen hij de
beide Geuzen nog in den kelder vond. De arme man beefde over al
zijn leden, wanneer hij weer dacht aan het gevaar, dat hem dreigde,
als zijn gevaarlijke gasten zouden worden ontdekt en het zou blijken,
dat hij hen geholpen had. Sidderend luisterde hij naar de voetstappen
der soldaten, die daar buiten de wacht hielden.
Jacob Martens slaagde er echter in, hem den toestand te doen begrijpen,
en hem duidelijk te maken, wat men van hem wenschte. Ja, zeker, hij
kon hen door de kelders leiden naar de brouwerij en hen zoo op straat
brengen. En de stadsmuren--ja, die waren dan wel spoedig te bereiken.
Een schichtige blik naar het gesloten luik en Tiest ging hen voor,
door den doolhof der diepe bierkelders, terwijl het flauwe licht
van zijn lantaarn de groote okshoofden verlichtte, waarin het bier
werd geklaard, voor het werd afgeleverd. Zij bereikten de brouwerij
en de open binnenplaats, waar groote stapels tonnen lagen en ledige
wagens op hun vracht stonden te wachten. Van een dier wagens nam de
Welle een lang, niet dik, maar sterk touw mede, dat gebruikt werd om
de tonnen vast te sjorren. Toen opende Tiest voorzichtig een kleine
deur in de poort en de vluchtelingen bevonden zich op straat.
Tiest Stoffelsz wees hun de richting, die zij te volgen hadden, en toen
namen zij met een woord van hartelijken dank afscheid van den braven
brouwersknecht, terwijl zij hem nogmaals verzekerden, hem nimmer te
zullen verraden. Tiest zag hen in de duisternis verdwijnen. 't Was
hem, of hij gedroomd had. Die beiden, met hun zinkroeren en lange
opstekers, dat waren nu twee van die Wilde Geuzen, waarvan men zooveel
schrikkelijks vertelde; dat waren de mannen, die men in de gansche
stad zocht en op wie men lette aan alle poorten.
En hij, hij had hen geholpen en verborgen! Daar stond de paleie op,
en de galg! Huiverend spoedde hij zich huiswaarts.
Ondertusschen slopen Jacob Martens en de Welle vlug en geruischloos
voort door de eenzame, donkere straat in de schaduw der hooge huizen,
brouwerijen, pakhuizen en dergelijke, die zich in dit deel der stad
bevonden. Tiest Stoffelsz had hen nauwkeurig den weg gewezen, dien
zij moesten volgen om den stadsmuur te bereiken. 't Was een donkere,
buiïge herfstnacht, juist een nacht, die hun vlucht mogelijk moest
maken. Zij zaten in Brussel opgesloten als in een val. Er zou naar
de stoutmoedige ballingen, die zich gewaagd hadden tot in de stad,
waar de hertog en zijne regeering verblijf hielden, overal gezocht
worden. Men kende hen thans bij name: vogelvrij verklaarde Geuzen, die
meegevochten hadden tegen de troepen van den Koning bij Austruweel,
hoofden van de benden, die het Zuid-Westen des lands onveilig
maakten. De poorten zouden worden bewaakt en zonder twijfel zou de
bevelhebber van het garnizoen patrouilles zenden, om de stad mede te
bewaken, met de gewone nachtwachten. Als zij gewapenden ontmoetten
en zij werden ontdekt, dan zou geen van beiden den ander in den steek
laten, maar zij zouden vechten tot zij vielen en werd een van beiden
gewond, dan zou de ander hem den laatsten dienst bewijzen door het
toebrengen van een genadestoot. Want zij wisten maar al te wel, wat het
voor hen zou beteekenen, levend in de handen der Spanjaarden te vallen.
Bij het omslaan van den hoek eener zijstraat, die naar hun doel moest
leiden, hoorden zij inderdaad zware voetstappen en het gerammel van
wapenen. Een lantaarn aan een stok wierp een rood, onzeker licht in de
straat. Het oogenblik was daar. Zij konden wel is waar teruggaan in de
richting, van welke zij waren gekomen, maar dat zou hun weinig baten,
want die weg voerde naar de aanzienlijke wijken der stad, waar in
deze dagen zelfs in den laten avond nog menschen op de been waren. De
Welle drukte Jacob een zijner beide zinkroeren in de hand. Hij had de
lonten aangestoken aan de lantaarn van Tiest Stoffelsz, maar droeg
de wapens onder zijn langen kiel, zoodat de glimmende vonken hen
niet konden verraden. Toen liepen zij de straat weder in tot aan een
groote inrijpoort, waar zij in de donkerte van het poortgewelf post
vatten. De twee mannen drukten elkander zwijgend de hand. Sloeg de
patrouille den weg rechts in, dan moesten zij worden ontdekt. Dan zou
het een kort gevecht worden tegen de overmacht en zij zouden vallen
in een ongelijken strijd, want zij zouden zich niet overgeven.
De spanning duurde eenige minuten. Toen sloeg de patrouille links
den hoek der straat om. Het gevaar was voor het oogenblik voorbij.
Met een zucht van verlichting luisterden de Geuzen naar de zich
verwijderende voetstappen. Als zij nu spoedig den muur konden bereiken,
hadden zij een goede kans, want het zou nu zeker eenigen tijd duren
voor er een volgende patrouille voorbij kwam.
Snel en geruischloos liepen zij voort en zie, daar teekende de hooge
stadsmuur zich donker af tegen de lucht. Zij hadden opgemerkt, dat
er hier en daar smalle steenen trappen voerden naar het banket, dat
langs de borstwering op de kruin van den muur liep. Een dier trappen
moesten zij vinden en dit gelukte hun vrij spoedig.
Nu stonden zij op den muur. De Welle ontrolde het touw, dat hij uit
de brouwerij had meegenomen en om zijn middel had gewikkeld. Het zou
zeker lang genoeg zijn.
De vluchtelingen begonnen zoo snel mogelijk knoopen in het dunne
touw te leggen, ongeveer vier voet van elkander. Zoo kregen zij een
stevige touwladder. De Welle haalde de aangescherpte ijzeren staaf
voor den dag, die hem als breekijzer had gediend bij het openen der
tuinpoort. Een groote veldkei had hij in de straat opgeraapt. Nu zocht
hij met tastende vingers naar een voeg tusschen de zware baksteenen,
waarvan de muur was opgemetseld en dreef met een paar forsche slagen
het ijzer er in. Luid klonken de slagen door den nacht. Angstig tuurden
de vluchtelingen naar den kant der stad. Neen, er was geen onraad; nog
niet! Nu werd het touw aan de staaf bevestigd en er ontstond een korte
strijd over de vraag, wie er het eerst gebruik van zou maken. Jacob
weigerde aanvankelijk zich vóór de Welle te redden, omdat deze zich om
zijnentwil in dit gevaar had begeven, maar de Welle beduidde hem, dat
het beter was voor hen beiden. Jacob was jong en slank en veel lichter
dan zijn metgezel. Hij zou gemakkelijk langs het loshangende touw
kunnen afdalen en het dan beneden vasthouden, om zijn makker te helpen.
't Was ondertusschen wat helderder geworden. Hier en daar flonkerden
de sterren aan den bewolkten hemel. De nachtwind floot over de kruin
van den muur.
--"Haast u, jonker!" fluisterde de Welle.
Jacob greep het touw en liet zich zakken. 't Was een moeilijke en
gevaarvolle afdaling, maar hij bereikte gelukkig den grond.
Hij stond nu aan den rand van de gracht.
Het geluk diende hem. Vlak bij hem was een paal, die zeker moest
dienen om er een boot aan vast te leggen. Hij sloeg er het touw om
en gaf het afgesproken teeken. De Welle daalde langs het nu strak
gespannen touw vrij gemakkelijk naar beneden.
Nu moest de gracht nog worden overgezwommen. Gelukkig stond het
water hoog en de beide Geuzen waren sterk en vlug. Zij konden zich
tegen den hoogen kant optrekken en waren nu voor het oogenblik in
veiligheid. Wel bevonden zij zich nog tusschen de buitenste bolwerken,
maar die waren thans niet bezet.
En nu moesten zij trachten zoo spoedig mogelijk het bosch van Soigny
te bereiken, dat ten Zuiden van de stad moest liggen. De sterren
wezen hun den weg, terwijl zij langs veldwegen en door weiden en
akkerlanden hun vlucht voortzetten, steeds zooveel mogelijk de hoeven
rondom de stad vermijdende, om niet door het aanslaan der werfhonden
te worden verraden.
Na een vermoeienden tocht van ruim een uur zagen zij eindelijk de
omtrekken van het zwaar geboomte tegen den bestarnden hemel afsteken
en weldra hadden zij het bosch bereikt. Zij drongen door den breeden
opslag van bleeke berken aan den boschrand, die spookachtig wuifden in
den nachtwind, tot zij het hooge geboomte hadden bereikt. Daar lieten
zij zich nedervallen op den dik bemosten grond. Beide mannen waren
uitgeput en zij hadden eenige uren rust noodig, voor zij hun tocht
konden voortzetten. Voor vervolging behoefden zij niet te vreezen,
althans niet voor het aanbreken van den dag. Dan was het mogelijk,
dat er patrouilles zouden worden uitgezonden, om den omtrek af te
zoeken naar de ontsnapte Geuzen, maar dan zouden zij reeds ver van
Brussel zijn.
Weldra hoorde Jacob Martens de diepe ademhaling van de Welle,
die rustig sliep op het zachte mosbed. Hijzelf kon eerst den slaap
niet vatten. Nog eenmaal doorleefde hij in gedachten den dag van
gisteren. Zoo lag dan nu zijn verleden onherroepelijk achter hem. Hij
had tot nu toe altijd nog gehoopt op een verre toekomst, wanneer--hoe,
wist hij niet en hij kon het zich ook niet indenken--alle ellende, alle
strijd tot het verledene zou behooren, en hij weer met de zijnen, met
Madeleine zou zijn vereenigd. Ja, hij was blijven hopen op Madeleine's
liefde, op haar trouw--door alles heen. En nu was de droom voorbij,
voor altijd! Hij was een balling, een vogelvrij verklaarde. Zijn vader
was lid van den Bloedraad, zijn moeder had hem verstooten, Madeleine
was de zijne niet meer, zijn vroegere vriend had hem willen overleveren
aan den beul. Hij was hun vijand,--hij, de verachte, de gehate Geus!
En bij dat alles klonk daar toch in zijn binnenste het woord,
leefde daar toch de gedachte, die hem staande hield: Getrouw zijn,
getrouw tot in den dood! Want zijn zaak was de zaak van zijn volk,
was de zaak Gods...
't Was al diep in den nacht, toen hij insluimerde, maar trots
zijn vermoeienis was zijn slaap onrustig. Telkens schrikte hij
wakker. Zoodra de morgen begon aan te breken, wekte hij zijn metgezel,
en de beide mannen zetten hun vlucht voort door het uitgestrekte
bosch van Soigny, naar Vlaanderen, om dan langs de hun welbekende
wegen hunne wilde makkers, de Boschgeuzen, weer te bereiken.
Nieuwsgierig keken de woeste gezellen naar hun twee aanvoerders,
die, dat wisten zij wel, zich diep in het door de Spanjolen bezette
land hadden gewaagd. De stoutmoedigsten trachtten de Welle uit te
hooren. Deze vertelde hun bereidwillig genoeg al het nieuws, dat
hij vernomen had over den toestand des lands, de vervolgingen en
de terechtstelling van allen, die op eenige wijze aan den opstand
hadden deelgenomen.
Maar over het doel van zijn tocht met den jonker liet hij zich niet
uit. De mannen zagen, dat jonker Martens ernstiger en stiller was
dan ooit. De jonge aanvoerder trachtte zijn ruwe, ongeregelde bende
aan een zekere krijgstucht te wennen. Hij wilde, dat de mannen zich
oefenen zouden in het gebruik van hunne wapens, maar hij vond niet
veel medewerking bij de ballingen, nu reeds te lang aan een ongeregeld
leven, aan roof en plundering gewoon. Allen wisten het nu wel: Alva
maakte troepen gereed, om de Boschgeuzen, de laatste opstandelingen
immers, aan te grijpen en uit te roeien. Maar tot nog toe waren zij
veilig geweest in hun natuurlijke vestingen. En waren er onder hunne
predikanten geen mannen, die alle voorzorgsmaatregelen van jonker
Martens en andere leiders voor ongeloof uitkreten, en die spraken
van een Gideonsbende, waaraan de Heer der heirscharen de overwinning
kon schenken op de overmacht der Midianieten, de vijanden van God en
Zijn volk?
En zoo wachtten de ongeregelde benden der Wilde Geuzen, de laatst
overgeblevenen van den met zooveel hoop en stouten moed begonnen
veldtocht der Gereformeerden in het Zuiden, de wèlgeoefende en
strijdbare vendels van Alva af.