Was er immer een geslacht, dat zich op zee beroemd maakte en den dank
van 't Vaderland verdiende, het is dat der Evertsens. De man, wiens
naam aan het hoofd van deze schets gelezen wordt, was niet de eerste
noch zou de laatste uit dat geslacht zijn, die zich door luisterrijke
daden, als scheeps- of zeevoogd onderscheidde; doch zoo hy by voorkeur
in deze galery een plaats heeft bekomen, 't is niet alleen omdat de
meesten zijner naamgenooten tot een vroeger of tot een later tijdvak
behooren dan het door ons behandelde, maar ook omdat hy door tal
van heldenfeiten boven allen uitmunt. Zijn vader, als hy genoemd,
was den dood voor 't Vaderland gestorven: hy zelf, in 1600 geboren,
en reeds vroeg in zeedienst getreden, gebood in 1636 als Kommandeur
een viertal oorlogsvaartuigen, die in last hadden, de koopvaardyvloot
naar Frankrijk te geleiden. Eenige koopvaarders, wellicht belust, om,
door vroeger dan de overigen ter bestemmingsplaatse te zijn, hun lading
met meer voordeel te slijten, waren zonder konvooi vooruitgezeild. Dit
was den Duinkerkers ter oore gekomen, en de wakkere Amiraal Jacques
Collaert, mede tot een geslacht behoorende, welks leden zich op zee
beroemd hadden gemaakt, was met drie welbemande schepen afgezonden om
den onbeveiligden buit prijs te maken. Op den 10en February klampte
hy de koopvaarders aan boord, en zoû die met zich gevoerd hebben,
toen Evertsen, die, van de begane onvoorzichtigheid onderricht,
onmiddelijk was afgezeild om er de gevolgen van te voorkomen, de
bedreigde vaartuigen te hulp kwam. Joost van der Trappen, gezegd
Banckert--van welken naam er op dat tijdstip vier in dienst van den
Staat waren--en nog twee andere Kapiteins vergezelden hem. Na een
hevig gevecht van vijf uren, op de hoogte van Dieppe geleverd, werd
een der Duinkerkers in den grond geboord, en het derde, waarop zich
Collaert met zijn Vice-Amiraal Matthijs Rombouts bevond, zoo heftig
door de beide Zeeuwsche Bevelhebbers beschoten, dat Collaert reeds
op het punt was, zich in de lucht te laten springen; maar zijn schip
was vast geraakt, had reeds water in en ging met twee honderd man
te gronde. Honderd vijftig anderen werden met de beide Bevelhebbers
gevankelijk te Vlissingen opgebracht.
In het volgende jaar tot Vice-Amiraal van Zeeland benoemd,
deelde Evertsen op den 21sten October 1639 in de glorie, by Duins
behaald. Aan hem was de eervolle taak opgedragen, den kamp te wagen
met het reusachtige monsterschip van den Amiraal van Portugal, de
Mater Teresa. Zoo stevig gebouwd was dit zeegevaarte, en zoo dik van
bekleeding, dat de kogels, daarop afgezonden, even weinig uitwerking
deden als de ganzenhagel hebben zoû op den huid van een olifant,--en
evenmin bestond er mogelijkheid, een schip te enteren, dat zich zoo
hoog verhief boven de overige vaartuigen en door een bemanning van
twaalfhonderd kloeke zeelieden verdedigd werd. En toch wist Evertsen
zijn vervaarlijken tegenstander zoo lang bezig te houden, tot dat hy
hulp bekwam van Van Galen en daarna van Musch, aan wiens branders het
gelukte, het zeekasteel te vernielen. Maar niet voldaan met een roem,
welken hy met anderen gedeeld had, vervolgde en achterhaalde Evertsen
de nu uit Duins gejaagde Spanjaarts: en het mocht hem gelukken,
niet minder dan negen hunner schepen, waaronder zes Galjoenen, te
bemachtigen en in Zeeland binnen te brengen.
Drie jaren later, in 1642, onderscheidde hy zich op nieuw, door
een drietal Hollandsche koopvaarders aan de Duinkerkers, die ze buit
gemaakt hadden, weder te ontnemen, en, zoo de kaperyen op de Vlaamsche
kusten gedurende de laatste jaren van Frederik Hendriks bestuur minder
talrijk waren dan voorheen, het was grootendeels aan de waakzaamheid
van Jan Evertsen en aan den schrik, welken hy inboezemde, dat men
zulks te danken had.
In 1652--om van tochten en oorlogsfeiten van mindere beteekenis niet
te gewagen--was Evertsen tegenwoordig by den scheepstrijd, tusschen
Tromp en Blake by Doever geleverd, en op den 10den December van dat
zelfde jaar, was het in een tweeden slag tusschen die zelfde beide
zeehelden, dat, vooral ten gevolge van zijn mannelijk gedrag, de
overwinning zich voor de onzen verklaarde.
Geen minderen roem verwierf hy zich in 't volgende jaar, toen in
de Hoofden, drie dagen lang--van 28 February tot 2 Maart--nogmaals
tusschen de genoemde Zeevoogden slag geleverd werd; en glansrijk werd
het gedrag, door hem te dier gelegenheid gehouden, zoo door Hun Hoog
Mogenden, als door de Staten van Holland erkend. Nog in datzelfde jaar
gaf hy herhaalde bewijzen zijner dapperheid, op den 12den Juny, in den
zeeslag voor Nieuwpoort, daags daarna in dien voor Duinkerken, als ook
by Katwijk en ter Heide: in welken laatsten strijd Tromp sneuvelde,
en het schip, waarop Evertsen zich bevond, zoo reddeloos geschoten
werd, dat hy genoodzaakt was, zich naar de Maas te laten sleepen.
Het was alleen de omstandigheid, dat hy een Zeeuw was niet alleen,
maar ook tot de Amiraliteit van Zeeland behoorde, dat onzen held
de miskenning te beurt viel, welke hem trof, toen het opperbevel,
waarop, na het overlijden van Tromp, niemand betere en meer gegronde
aanspraken had kunnen maken dan hy, hem niet gegund werd. 't Is waar,
hy zag zich geen zijner krijgsmakkers voorgetrokken; want de nieuwe
Luitenant-Amiraal, de Heer van Wassenaer, had nimmer ter zee gediend;
maar de zonderlinge politiek, toen door het Staatsbestuur gevoerd,
waardoor mannen, die hun leven aan boord en in 't heetst der zeegevaren
hadden doorgebracht, voortaan moesten gehoorzamen aan iemand, die,
hoe bekwaam en moedig ook, toch niet de minste ondervinding bezat,
was niet geschikt om een gunstigen indruk by de oude strijdgenooten
van Piet Hein en Tromp te maken: en de uitkomst leerde dan ook,
dat hun ergernis niet onbillijk, en hun bezorgdheid voor 's Lands
eer niet zonder grond was.
Eenige vergoeding voor de ontfangen te-leur-stelling mocht Evertsen
ondervinden, doordien hy in 1664--ware het dan ook spade--werd
aangesteld tot Luitenant-Amiraal van Zeeland. En toch, het scheen,
of die vergoeding alleen moest strekken om hem nog dieper kwellingen
aan te doen. Immers, in 't volgende jaar, onder Wassenaer, dien
beroemden slag gestreden hebbende, waarby deze door zijn eigen kruit
in de lucht sprong en, ten gevolge van den verkeerden geest die by
de vloot heerschte, onze zeemacht de meest volkomen neêrlaag leed,
welke zy immer ondervond, werd hy, de grijze krijgsheld, die een
der weinigen was geweest onder hen, die de eer der vlag gehandhaafd
hadden, by zijn terugkomst, door 't gepeupel in den Briel gescholden,
van flaauwhartigheid beticht, aangerand, in 't water gesmeten. Nog in
tijds werd hy gered; maar geen wonder was het, dat hy, na dat zelfs een
nadrukkelijk schrijven der Staten van Zeeland aan de Staten-Generaal
niet de uitwerking gehad had, dat hem behoorlijke voldoening voor
't gegeven onrecht werd gegeven, zich voor een tijd lang, zelfs met
goedvinden der Staten van zijn Gewest, aan den dienst onttrok. Zijn
jongere broeder, de niet minder dappere Cornelis Evertsen, werd in
zijne plaats tot Luitenant-Amiraal benoemd, doch sneuvelde reeds in 't
volgende jaar 1666. Toen bood Jan Evertsen nogmaals aan 't Vaderland
zijn diensten aan, er den wensch byvoegende, dat hy, even als zijn
vader, als een zijner zonen, als vier zijner broederen, ten nutte van
't Gemeenebest, op het bed van eer mocht sterven. Dit aanbod was des
te edelmoediger, om dat Evertsen vooraf wist, dat hy nu zoû komen te
staan onder 't bevel van een Vlootvoogd, die, jonger officier dan hy,
te voren een rang beneden den zijnen had bekleed, die mede een Zeeuw
was, hoezeer dan onder de Amiraliteit van Amsterdam staande. 't Is
waar, die Vlootvoogd was Michiel Adriaensz. de Ruyter, en zelfs een
Evertsen achtte het geen vernedering, diens bevelen te volgen. 't
Was echter in hooger raad beschikt, dat de tocht, welken onze held nu
volbrengen ging, zijn laatste wezen zoû. In den noodlottigen zeeslag
van 4 Augustus 1666 werd hem reeds by het eerste treffen het been door
een kogel weggenomen, ten gevolge waarvan hy kort daarop overleed. By
besluit der Staten van Zeeland van 19 Augustus werd hy plechtstatig
ter aarde besteld en op het praalgraf in de Sint Pieters Kerk te
Middelburg, dat zijn overschot en dat van zijn broeder Cornelis
besluit, hun beider afbeelding in marmer uitgehouwen. Voorts werd 's
Vaders nagedachtenis in den zoon vereerd, en deze, onder buitengewoon
gunstige voorwaarden, tot Vice-Amiraal bevorderd.