BARTHOLOMEUS VAN DER HELST.

Te Amsterdam, op den Kloveniersburgwal, staat een gebouw, dat onder

den naam van Trippenhuis een historische vermaardheid verworven

heeft. Dat gebouw is, gelijk dit trouwens met alle groote gebouwen

te Amsterdam plaats heeft, tot meer dan één doel bestemd: in het

eene gedeelte daarvan is de Koninklijke Academie van Wetenschappen

gevestigd: het andere gedeelte dient tot pakhuis, en daarin is

opgeslagen eene der kostelijkste verzamelingen van schilderyen,

welke op de waereld bestaat. Ik bezig de benaming "pakhuis", ofschoon

die van "Rijks-museum" officieel is, en dan ook in de katalogussen,

guides, enz., voorkomt. Zy is echter onjuist, zoowel wat het eerste

als wat het tweede deel der samenstelling betreft. De schilderyen,

die hier gevonden worden, zijn niet alle Rijks-eigendom: sommige

behooren aan de Stad Amsterdam; en al is het getal daarvan gering,

men weet, dat een half dozijn groote diamanten van 't zuiverste water

een omboordsel van honderd kleinere en min schitterende juweelen in

waarde overtreffen: zoo is het ook hier. Een benaming, waardoor men

in den waan gebracht wordt, als behoorden al de kunstvoortbrengselen,

hier verzameld, aan het Rijk, is alzoo min naauwkeurig;--maar niet

minder moet ik my verzetten tegen het woord "Museum". By al wie

't hoort rijst onwillekeurig de gedachte op aan ruime, smaakvolle

galeryen en zalen, waar ieder kunstgewrocht met oordeel is ten toon

gesteld, een behoorlijk licht ontfangt, en van den afstand, dien de

perspektief vereischt, beschouwd kan worden: waar alles samenwerkt,

om het oog des kunstenaars te voldoen, het eene voorwerp aan de

uitwerking van het andere geen nadeel toebrengt, en waar, vooral,

noch onwillekeurige beschadiging, noch moedwillige roof, onder de

mogelijkheden kunnen gerekend worden. Geen enkel der hier genoemde

vereischten van een Museum is op het Trippenhuis aanwezig. In plaats

van in zalen en galeryen, hangen de schilderstukken in afgeschoten

kamers, hokken en portalen, of langs den trap. Op de meesten valt het

licht of in 't geheel niet, of verkeerd, zoo dat het geschilderde

niet te onderscheiden is. Zoekt men het standpunt van waar een

ten-toon-gestelde schildery gezien moet worden, dan gebeurt het

veelal, dat men, al rugwaart gaande, tegen den wand komt, zonder

het nog te hebben gevonden; in de gangen en op den trap verkeert men

gedurig in gevaar, met den elleboog een deuk, zoo geen gat, in een

doek te stooten of de verf van een paneel te schaven;--en, wat roof

betreft, een voorval, dat ieder nog versch in 't geheugen liggen zal,

heeft bewezen, hoe gemakkelijk die gepleegd kon worden. 't Is waar,

men heeft, om een herhaling van zoo stout een feit te voorkomen, de

schilderyen tegen den wand gespijkerd: waarvan het gevolg is, dat, ja,

geen dief ze meer zal wegdragen; maar ook, dat, in geval van brand,

geen reddende hand ze in veiligheid zal kunnen brengen.

Wanneer gy dat pakhuis zijt binnengetreden, en, na met behoedzaamheid

den trap beklommen te hebben, u naar de voorkamers begeeft, zal,

onder de zoo vele onwaardeerbare schatten, aldaar verzameld, een

kapitaal schilderstuk vooral uw aandacht trekken, en, ten zij gy van

smaak en kunstzin ten eenemale ontbloot zijt, den tol uwer bewondering

vorderen. Het onderwerp heeft niets, dat byzonder poëtisch, verheven,

of zelfs treffend genoemd mag worden. 't Is een maaltijd, gehouden door

schutters uit de zeventiende eeuw. Wel is waar verbindt zich daaraan

de gedachte aan den Munsterschen vrede, die op dat feestmaal gevierd

wordt, de herinnering van een tijdperk van kracht, roem en welvaart;

maar toch niet dáárin is de hoofdverdienste der schildery gelegen. Ook

afgescheiden van 't geen verbeelding in 't gemoed des beschouwers

kan doen oprijzen, om den ontfangen indruk te verhoogen, is het in

de eerste en voornaamste plaats om de waarheid der voorstelling,

dat het kunstwerk aanspraak maakt op onzen lof: zoo ergends, hebben

wy hier het leven voor oogen. Samenstelling, kleur, overeenstemming

der deelen, uitdrukking, alles is schoon, alles is volmaakt, en,

om hier de woorden te gebruiken van iemand, wiens bevoegdheid als

kunstrechter niemand wederspreken zal, van Sir Joshua Reynolds:

"er bestaat wellicht geen treffelijker portretstuk op de waereld

dan dit, hetwelk, meer dan eenig ander, al de eigenschappen bezit,

in afbeeldsels gevorderd."

Gewis mag Nederland er trotsch op zijn, dat de schilder, die in een

byzonder kunstvak het volkomenste werk leverde, hier het eerste

levenslicht zag, hier zijne opleiding genoot en hier zijn arbeid

verrichtte: en niet minder mag het opmerking verdienen, dat ook wederom

het tijdvak, 't welk het vruchtbaarst was in groote mannen van alle

soort, getuige was van den bloei van Bartholomeus van der Helst.

Wie was Bartholomeus van der Helst? Waar, by wien, had hy zich gevormd

en dat meesterschap opgedaan over 't penceel, 't welk hem tot zulk een

verbazende hoogte in de kunst verhief?--Helaas! hoe weinig voldoende

zijn de antwoorden, welke wy op deze vragen bekomen. Alleen dit

vernemen wy, en nog wel zonder eenigen waarborg voor de echtheid der

bronnen, waaruit de mededeeling is geput, dat hy in 1613 te Haarlem

zoû zijn geboren: en met meer zekerheid weten wy, dat zijn broeder

kastelein was in den Handboogdoelen te Amsterdam. Hoe onbeteekenend

deze laatste byzonderheid oppervlakkig schijne, zy was het vermoedelijk

niet wat haar invloed betrof op de loopbaan des kunstenaars; ja

wy mogen aannemen, dat zy den grondslag legde, zoo niet tot zijn

talent, dan tot zijn fortuin. Door zijn broeder den kastelein kwam

de jeugdige van der Helst in betrekking met de Doelisten, met de

Doelheeren, met de Hoofden der Schutteryen, met zoovele andere rijke

en aanzienlijke Amsterdammers, als gewoon waren, de herberg op den

Cingel ter oefening of ter uitspanning te bezoeken. Wat schoone en

welkome gelegenheid voor den schilder, om bestellingen te bekomen, om

portretten te vervaardigen, om zijn natuurlijken aanleg meer en meer

te ontwikkelen, te beschaven, te volmaken, en, zoo doende, in staat

te geraken, op vijf-en-dertig-jarigen leeftijd zijn onovertroffen

meesterstuk te leveren. Was het wonder, dat de Doele-schilder,

wiens rijke ordonnantie, wiens frisch en gloeiend koloriet, wiens

tevens breede en uitvoerige bewerking, wiens weelderigheid in

't bybrengen van bevallige en keurige uitgewerkte cieradiën meer

geschikt was om aan de menigte te behagen dan de manier zelfs van een

Rembrandt--welke laatste meer zich-zelven dan zijn modellen zocht te

voldoen, en alleen door lieden van verhoogden kunstzin en diep gevoel

recht gewaardeerd kan worden;--was het wonder, zeg ik, dat Van der

Helst eerlang de schilder naar de mode werd, dat Vorsten en Regenten

zich tot een voorrecht rekenden, door hem te worden afgebeeld, dat

hy zich aanzienlijke prijzen voor zijn arbeid betalen zag, en onder

de kunstenaars van zijn tijd byna de eenige was, die by zijn sterven

een belangrijk vermogen achterliet aan zijn zoon.

De naam van Van der Helst is uitgestorven: zijn vermogen in vreemde

handen overgegaan: wat de geschiedenis van hem vermeldt is niet

noemenswaardig;--doch er zoû ook een tijd kunnen komen, dat zelfs

zijn verdienste als kunstenaar werd miskend:--en dat kan zeer

licht gebeuren, wanneer voortdurend aan zijn meesterstukken een

verblijf wordt toegewezen, ongeschikt om ze naar behooren te doen

zien en waardeeren. Wat wy voor zijn werk vragen, vragen wy tevens

voor de erfenis, die zijn groote broeders in de kunst ons hebben

nagelaten. Mogen wy ons vleien, dat, by den overvloed, die thands in

de schatkist schijnt te heerschen, by de onbekrompenheid, waarmede

men 's Lands gelden aan industriële werken van hoogst twijfelachtig

nut verkwist, ook eens iets gedaan zal worden ter opwekking van

het esthetisch gevoel der Natie en tot bewaring van den vroegeren

roem? Zoû by het aanbieden der Begrooting van een volgend jaar

ook eens aan de Kunst gedacht worden en een som daarop voorkomen,

bestemd tot bestrijding der kosten van een nieuw gebouw, dat het

besproken pakhuis zal vervangen, een gebouw, het Rijk, de Hoofdstad

waardig, maar waardig vooral de Kunsttrezoren, ter wier bewaring

het bestemd zal worden?--Op geen andere wijze toch zal Nederland

zich vrij maken uit den toestand, waarin het zich gebracht ziet,

van te moeten blozen en zwijgen by het verwijt des vreemdelings,

dat het zijn kunstschatten verwaarloost, zijn kunstroem niet telt,

en zijn groote mannen aan vergetelheid ten prooi geeft.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 39 / 41 题