JAN STEEN.

Onder die werkjens, welke de Maatschappy "tot Nut van 't Algemeen"

heeft uitgegeven met het loffelijk doel, om de geschiedenis van ons

Vaderland en van de groote mannen, die het heeft voortgebracht, aan den

volke bekend te maken, doch waarvan het noodlottig gevolg geen ander

is geweest, dan dat, "tot algemeen nadeel", aan den volke talrijke

onwaarheden opgedischt en talrijke valsche begrippen zijn verkondigd

geworden, behoort vooral zekere galery, die begint met Jan Steen en

eindigt met Gravin Jacoba. Over deze laatste, die er zeer dwaaslijk

op een plaatjen wordt voorgesteld als een pottebakster, hebben wy

hier niet te spreken; wel over den eerstgenoemde, wien plaatsnijder

en verhaler ons afschilderen als een dronken lichtmis, wiens geheele

leven getuigenis draagt van liederlijke zorgeloosheid en brassery. Het

is tegen dezen groven laster, jegens een onzer grootste schilders

gepleegd, dat wy beginnen moeten, met protest aan te teekenen.

Zoeken wy naar den oorsprong van al de sprookjens, waarmede schrijvers,

die 't beter hadden kunnen en moeten weten, hun lezers hebben zoeken

te vermaken ten koste van Jan Steen, zonder zich te laten terughouden

door de gedachte, dat hun logens, door andere, ook vreemde schrijvers

voor goede munt opgenomen, ten gevolge moesten hebben, dat de goede

naam van een landgenoot bezwalkt en de eer zelve van dat land er door

verminderd werd, wy vinden dien oorsprong wederom by Houbraken en

Campo Weyerman terug. Intusschen, waar de eerste, misschien te goeder

trouw, maar zeker zonder eenig onpartijdig en naauwgezet onderzoek,

en bovendien geheel verstoken van alle oordeel des onderscheids,

alles aannam en opteekende wat hem werd overgebriefd, schepte de

laatste een kwaadaardig genoegen in het verlagen en bekladden van het

karakter zijner kunstgenooten, zamelde hy gretig en met voorbedachten

rade alle vertellingen op, hoe vuiler en onwaardiger hoe liever, die

hy in kroegen en kitten vernomen had, en stelde die op rekening van

dezen of genen kunstenaar, wiens leven hy heette te schetsen. Zoo

heeft hy gehandeld ten opzichte van Rembrandt, van Van der Helst,

van vijftig anderen, inzonderheid van Jan Steen.

Wy willen ons de moeite niet geven, al de grollen, welke men van

dezen laatste verteld heeft, op te halen en er het logenachtige

van aan te toonen. Alleen ernstige schrijvers en die geen werk het

licht doen zien zonder dat zy uit overtuiging spreken, verdienen

wederlegd te worden. Wy willen ons zelfs de moeite niet geven, Jan

Steen te zuiveren van den op hem geworpen blaam van dronkenschap

en lichtmissery, en zulks om de zeer eenvoudige reden, dat voor al

wie maar eenig gezond verstand bezit en het verkiest te gebruiken,

de beschuldiging van zelve wegvalt, wanneer hy nagaat, dat Jan Steen,

in een leven van drie-en-vijftig jaren, dus in een tijdsverloop van

een groote dertig jaren, ongeveer vijfhonderd schilderyen--zestien a

zeventien 's jaars--(om niet van een aantal teekeningen te spreken)

vervaardigd heeft, waarvan verre weg de meesten met een aantal figuren

voorzien, en die, byna zonder onderscheid, met de grootste zorg en

uitvoerigheid beärbeid zijn.--Wie in dronkenschap verkeert, moge

al een vluchtige schets maken, waar geest in doorstraalt: het zal

hem onmogelijk zijn, zuiverheid in zijn omtrekken, naauwkeurigheid

in zijn teekenen, harmonie in proportiën en kleuren, volkomenheid

in zijn ordonnantie te brengen: hy zal kunnen aanvangen, nimmer

voltooien: juist dat voltooien, dat in elk deel afwerken van een

reeks van meesterstukken, wier aantal door weinigen is geëvenaard,

door iemand, die er de weinige nuchtere uren aan moet doorbrengen,

aan een liederlijk leven ontwoekerd, is meer dan iets ongelooflijks;

het is dood eenvoudig een onmogelijkheid.

't Is waar, de ontwerpen, welke Jan Steen 't liefst en 't gelukkigst

behandelde, zijn tooneelen, waarin drinken en smullen de hoofdrol

speelt: 't zijn voorstellingen van kermissen, van vrolijke partyen,

van dartele vermaken, van de gevolgen, die zy na zich slepen: en hoe

meer waarheid er in de behandeling daarvan heerscht, hoe meer men

het gevolg er uit meent te mogen trekken, dat alleen de yverige en

trouwe deelnemer aan zulke tooneelen ook in staat kon zijn ze naar 't

leven terug te geven.--Die gevolgtrekking is echter onjuist. De goede

Jean de la Fontaine was in 't geheel geen lichtmis of verleider, al

volgde hy--zelf op onnavolgbare wijze--in zijn vertellingen het spoor,

door Boccacio en Aretijn gewezen: en Molière, als blijgeestig dichter

door niemand overtroffen, was zelf van nature zwaarmoedig.--Omgekeerd

vindt men schrijvers, wier werken niets ademen dan godsdienst en

zedelijkheid, en die in handel en wandel zich gedroegen of er voor

hen noch God noch gebod bestond.

Wy noemden Molière:--en mist Nederland de eer, een blijspeldichter

te kunnen vertoonen, hem gelijk, de eeuw van Frederik Hendrik heeft

in Jan Steen een genie voortgebracht, Molière op zijde strevende waar

het aankomt op geest van opmerking, op naieve oorspronkelijkheid van

gedachten, op vernuftige opvatting, op natuurlijkheid van voorstelling,

op vrolijke scherts, op het naar waarheid schetsen van karakters,

hartstochten en gebreken.--Elke schildery van Jan Steen is een blij- of

kluchtspel, al naar dat het onderwerp het mede brengt, vol gelukkigen

luim, in al zijn deelen volkomen: hoe langer en hoe aandachtiger men

het beschouwt, hoe meer men niet alleen er geest en leven in ontdekt,

maar hoe meer men ook de overtuiging in zich voelt oprijzen, dat achter

menige scherts, die schijnbaar alleen dient om de lachspieren op te

wekken, een wijsgeerige gedachte verborgen ligt. Vele schilderyen, ook

der grootste meesters, moet men zich vergenoegen te bewonderen: die

van Jan Steen dwingen ons ook, te denken.--Neen, in zijn driedubbele

hoedanigheid van zorgvuldig opmerker, van wijsgeer, die lachend de

waarheid verkondigt, en van uitmuntend schilder, is Jan Steen tot

heden niet geëvenaard, veel min overtroffen. Wie toch is beter dan

hy er in geslaagd, om, wat het burgerlijk leven om zich heen zag,

met zooveel juistheid en smaak op het doek terug te geven?--By Jan

Steen is altijd een hoofdgedachte aanwezig, die hy op de gelukkigste

manier weet uit te werken. Niet alleen is de ordonnantie boven allen

lof verheven; maar elk détail, met overleg gekozen en, 't zij meer

of min belangrijk, altijd met gelijke zorg behandeld, werkt mede,

om den indruk te verhoogen, dien 't geheel op den toeschouwer maken

moet: alle voorwerpen redden zich: licht en bruin zijn geschakeerd

gelijk dit enkel door den zoodanige geschieden kan, die in de geheimste

verborgenheden der kunst is ingewijd;--in een woord, overal paart zich

by hem, aan de grootste waarheid van opvatting, de grootste waarheid

in de wijze waarop hy die opvatting heeft teruggegeven.--Nogmaals, de

man, die, niet een enkele reize, niet gedurende een byzonder tijdperk

van zijn leven, maar keer op keer, maar bestendig, maar in geheel

zijn schildersloopbaan, zulke kunstgewrochten wist voort-te-brengen,

diens vernuft was door geen brassery verstompt, diens hand was door

geen dronkenschap aan 't beven geraakt.

Even fabelachtig als de vertellingen van Houbraken en Weyerman

aangaande de levenswijze en het gedrag van Jan Steen, even

onnaauwkeurig zijn hun opgaven betreffende zijn geboorte, bedrijf

en levensloop.--Het is met onloochenbare bewijzen gestaafd, dat

Jan Steen in 1626, alzoo tien jaren vroeger dan men tot dus verre

meende, is geboren; en wel te Leyden, waar zijn geheele familie al

meer dan een eeuw met eere bekend en gezeten was. Niet Brouwer, als

men verhaald heeft--zeker om meer kleur van waarheid by te zetten

aan de sprookjens over zijn ongeregeld leven--niet Brouwer, die

reeds overleden was toen Jan Steen nog een knaap was, maar Ostade,

wiens voortreffelijk koloriet--en Van Goyen, wiens manier in 't

landschapschilderen--hy navolgde, waren zijn meesters: en het was met

de dochter van laatstgemelde, dat hy zich in September 1649 in den

echt verbond. Zoo hy al een tijd lang te Delft aan 't hoofd stond van

een brouwery, zijn naam bleef te Leyden prijken op de registers der

broederschap van Sint Lukas, die hem in 1648 had opgenomen onder haar

leden; 't zij, dat zijn beroep hem verdroot, als hem te weinig tijd

overlatende voor zijn geliefkoosde studiën, 't zij, dat werkelijk die

studiën hem dat beroep meer deden verwaarlozen dan op den duur met

zijn belang als huisvader overeenkwam,--en dit kunnen wy gereedelijk

aannemen zonder dat wy daarby aan eenig wangedrag hebben te denken--hy

gaf het op en zijn woonplaats te Delft meteen, om zich wederom te

Leyden te vestigen. Weduwenaar geworden hertrouwde hy met Maayken van

Egmond, weduwe van den boekverkooper Claes Herculens, en uit al wat

men, niet uit beuzelachtige praatjens, maar uit waarachtige oirkonden

van hem weet, is niet anders op te maken, dan dat hy er als een stil

en ordentelijk gezeten burger leefde, die zich de achting zijner

medeburgers wist te verwerven. De oude en rechtschapen Jan Lievensz,

toen de Nestor der Hollandsche schilders, was zijn vriend: en de toen

nog jeugdige Karel de Moor verhaalde lang naderhand met opgewondenheid

van de gesprekken over kunst, welke hy met Jan Steen gevoerd had.

"Is er daarom geen enkel woord waar van de vertellingen, die

betreffende Jan Steen in omloop zijn? Heeft hy niet eene van die

snakeryen bedreven, niet een van die koddige gezegden gebezigd, die

hem worden toegeschreven?"--Ziedaar wat wellicht meer dan een ons

vragen zal, wien 't zelfs misschien heimlijk verdrieten zoû, betere

gedachten dan te voren aangaande den schilder te moeten voeden,

die tot nog toe hem voor den geest gestaan had als het ideaal van

geniale dwaasheid.--Wy durven hier geen bepaald antwoord op geven:

het is zeer mogelijk, niet onwaarschijnlijk zelfs, dat iemand, wiens

brein zoo vruchtbaar was in 't uitdenken van kluchtige toestanden

op 't paneel, nu en dan ook zelf een klucht bedreven, aan dezen of

genen een vrolijke poets gespeeld heeft. Maar daarom behoefde nog de

uitdrukking: "het is een stukjen van Jan Steen" niet, in plaats van op

zijn schilderyen, op den man zelven te worden toegepast, in dien zin,

als ware zijn leven een voortdurende klucht geweest:--en wellicht is

in den aanvang alleen aan de valsche toepassing dier uitdrukking de

slechte dunk te wijten, dien men zich van Jan Steen heeft gevormd,

en waaruit zijn biografen aanleiding hebben genomen zoo veel zotte

bedrijven op zijnen hals te schuiven.--

Jan Steen overleed den 3den February 1679 en werd in de Pieters-kerk

te Leyden begraven, vijf kinderen, niet in een berooiden boedel,

maar in goeden doen achterlatende.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 37 / 41 题