Wanneer wy de jaarboeken van eenig beschaafd volk doorbladeren, dan
vinden wy daar altijd melding in gemaakt van een of hoogstens twee dier
zeldzaam bevoorrechte wezens, die, reeds van hun eerste kindschheid
af beroemd, boven hun tijdgenooten blijven uitblinken, niet door hun
bekwaamheid in eenig bepaald vak, maar door hun vatbaarheid om elk vak
zonder uitzondering, met gelukkig gevolg, te beoefenen: wondermenschen,
die zonder moeite en als uit spel zich al die talenten verschaffen,
welke voor anderen niet dan na jaren van arbeid en inspanning
verkrijgbaar zijn; gelukkigen, van wie men zoû zeggen, dat de Natuur
hen als bedorven kinderen heeft willen behandelen, en wie men geneigd
zoû zijn boven elk ander te benijden, ware het niet, dat zy althans
in een enkel opzicht achterstaan by de zoodanigen, wier genie zich
meer uitsluitend in eene richting bewogen heeft, te weten, dat zy over
't geheel geen merkbaren invloed op de beschaving of verlichting van
hun tijdvak hebben uitgeöefend, en alzoo meer overeenkomst hebben met
de prachtige vuurwerken--die een poos elk ander licht verduisteren om
aan de verbaasde toeschouwers een wonderbare mengeling der schoonste
kleuren en glansen te vertoonen, doch later weêr verdwijnen, zonder
eenig spoor achter te laten,--dan met de gasvlam, wier schijnsel maar
ééne kleur vertoont, doch, duurzaam gevoed, een helder en verwarmend
licht om zich heen blijft spreiden. Zoodanig een zeldzame verschijning
was, b. v., in Italiën Pico de la Mirandola, in Schotland Jakobus
Crighton, in de Nederlanden--en wel in dat zelfde tijdvak, aan 't
welk geene soort van opluistering ontbrak, Anna Maria Schurmans.
Gewis, zoo immer een vrouw aanspraak heeft mogen maken op den naam van
Pandora of "Albegaafde," dan is zy het geweest: en hadde niet de kring,
waarin zy verkeerde, en de getuigenis der meest achtbare en meest
geloofwaardige personen allen twijfel doen verdwijnen aangaande haar
recht om dien naam te voeren, dan zouden wy al licht geneigd zijn, te
gelooven, óf dat de lof, haar geschonken, overdreven is geweest, óf dat
haar enkele van die geheime kunstmiddelen ten dienste stonden, waarvan
zich Albertus Magnus of andere biologen uit vroegeren of lateren tijd
bedienden. Zeker is het, dat de Jezuïeten, die haar in 't gevolg van
Koningin Kristina bezochten, haar wonderbare begaafdheid niet wisten
toe te schrijven dan aan een verbond met den Duivel: een oordeel,
dat zeker noch galant jegens een beminlijke en achtingswaardige vrouw,
noch liefderijk jegens een vrome Kristin genoemd mag worden.
Vleiender oordeel sprak Cats, in de Voorrede van zijn Trouwring, over
haar uit: 't is waar, hy was te haren voordeele ingenomen, althands,
het praatjen gaat, dat hy haar ten huwelijk gevraagd had. Is dit
werkelijk geschied, en wel, toen zy naauwlijks den veertienjarigen
leeftijd bereikte, dan bewijst dit reeds op zich-zelf hoe vroeg zy
naar verstand en hart ontwikkeld moet geweest zijn:--en dat hy nog
even loflijk over haar bleef spreken, ofschoon het huwelijk tusschen
hen beiden geen voortgang had, mag misschien als een nog sterker
bewijs te haren voordeele gelden.
En nu ten behoeve van de zoodanigen onder onze lezers, die noch de
getuigenissen van Cats aangaande Anna Maria Schurmans, noch zelfs haar
levensschets in de werkjens van 't Nut van 't Algemeen gelezen hebben,
de gronden aangevoerd, waarop wy ons gerechtigd achten haar den naam
van Pandora toe te kennen.
Gewis, hadden wy in de zeventiende eeuw geleefd, wy hadden wel den
Duivel buiten 't spel gelaten, maar toch misschien geloofd, dat er
by de geboorte onzer heldin iets bovennatuurlijks had plaats gehad,
ja dat, even als wy zulks in de toovergeschiedenissen lezen, Feën by
hare moeder op kraambezoek geweest waren en de jonggeborene ieder met
een geschenk begiftigd hadden. Zoo had zy reeds, in de eerste plaats,
een aanzienlijken stand in de maatschappy. Haar vader, Frederik
Schurmans, stamde af van de Graven van der Mark: haar moeder, Eva de
Harf, was een adelijke Jonkvrouw uit het Land van Keulen: en het was
in de stad van dien naam, dat zy op den 5den November, 1607, geboren
werd. En alsnu aan het spel onzer verbeelding toegevende, laten wy
haar door een tweede Feë beschenken met aanzienlijke betrekkingen:
immers, door de huwelijken, welke haar broeders en zusters aangingen,
vermaagschapte zy zich met de machtigste Regenten. Een derde schonk
haar die schoonheid van gelaat en bevalligheid van leest, die haar
tot in haren ouderdom bybleven: een vierde, die ongemeene vlugheid
van bevatting, waardoor zy reeds op haar derde jaar lezen, op haar
zevende in drie uren tijds het borduren leeren kon, op haar elfde,
alleen door toe te luisteren naar het onderwijs, dat haar broeders
gegeven werd, zich het Latijn eigen maakte en in weinige jaren niet
alleen de meeste nieuwste talen, maar ook de Grieksche en Hebreeuwsche
volkomen sprak en schreef, ja vrij bedreven werd in het Syrisch,
Kaldeeuwsch, Arabisch en Ethiopisch: het, zonder moeite in de wis-,
natuur- en aardrijkskunde zeer verre bracht, en, over allerlei punten
van godgeleerdheid en wijsbegeerte met de bekwaamste doktoren kon
redetwisten. Een vijfde Feë deelde haar de gave mede, om door keurig
schrift de beste meesters naar de kroon te steken: een zesde den
aanleg tot de beeldende kunsten. Reeds op haar zesde jaar sneed zy
met een schaar en pennemes de geestigste figuren: weldra hanteerde zy
't penceel en verpoosde zich van wetenschappelijke nasporingen, door
't schilderen van bloemen, van vliegend en kruipend gedierte: zonder
ander gereedschap dan een mes, wist zy uit palmhout de meest gelijkende
portretten te vormen: met een diamant graveerde zy bevallige groepen
op glas: in de boetseerkunst bracht zy het tot zoodanige hoogte, dat
zy niet alleen bloemen, vruchten en edelgesteenten, maar ook haar
eigen borstbeeld uit wasch wist te kneden, zoo volkomen gelijkend,
dat er enkel het leven aan ontbrak. Van een zevende Feë ontfing
zy de gave der poëzy, en nog getuigen enkele Hollandsche zoowel als
Latijnsche dichtstukjens, hoe fiksch zy de lier hanteerde. Een achtste
Feë boezemde haar smaak in voor de muziek, die zy met een gelukkig
gevolg beoefende, en, om de waardy van al die gaven te verhoogen, werd
haar door een negende een lieftallige zedigheid geschonken. Wanneer
zy, in den kring harer gezellinnen gezeten, zich onledig hield met
vrouwlijk handwerk en koutte over de meest alledaagsche onderwerpen,
had niemand in haar die wonderbare geleerdheid vermoed, waardoor zy
niet alleen boven hare speelnooten, maar boven vele beroemde mannen
van haar tijd uitblonk: ja, zoo warsch was zy van het najagen van
onderscheiding en roem, dat haar verdiensten nimmer in al haar omvang
bekend zouden geworden zijn, indien niet mannen als Rivetus, Vossius,
Salmazius, Spanheim, Beverwijk, Huyghens, haar, tegen haar wil, op het
tooneel der waereld gebracht hadden. Deze rekenden het zich tot eere,
briefwisseling met haar te houden, haar antwoorden te vertoonen en haar
lof alom te verkondigen. Zoo kwam het, dat ook de beroemdste geleerden
uit den vreemde, als Balzac, Gassendi, Marsenne, Bochart, en anderen,
aan haar schreven en wederkeerig brieven van haar ontfingen. Op deze
wijze bracht de faam haar naam geheel Europa door. Was 't wonder,
dat de Princes van Boheme haar lief had, dat Richelieu haar blijken
zijner hoogachting toezond, dat Louise Marie de Gonzaga, toen zy
als Bruid van Vladislaus naar Polen reisde, dat de Hertogin van
Longueville, by gelegenheid van den vrede van Munster hier gekomen,
en later Kristina van Zweden, haar in haar woning te Utrecht bezochten?
Maar weinige van haar lettervruchten leverde zy, en nog gedwongen,
aan de pers: de eerste verscheen in 1636: 't was een gedicht op
de stichting der Hooge School te Utrecht. In 1641 verscheen haar
Latijnsche redevoering over de vraag: "of het studeeren aan vrouwen
geoorloofd is:" in 1658 eerst, een verzameling van werkjens, in
Hebreeuwsch, Grieksch, Latijnsch en Fransch rijm en onrijm vervaardigd.
Zoo begaafd was zy--en zoovele gaven bracht zy tot een vrijwillig
offer aan haar overtuiging, dat alle wetenschap ydel was, en dat de
Heer haar geboden had, afstand te doen van haar vroegere levenswijze,
om zich uitsluitend aan Zijn dienst te wijden. De waereld vergeeft
het nooit, dat men de eer, die zy schenken kan, met voeten treedt,
en brandmerkte voortaan met den naam van Dweepster haar, die zy
als Tiende Muze bewierookt had. Ja, toen Anna Maria Schurmans in
1678 te Wiewert in Friesland stierf, was zy door haar tijdgenooten
vergeten. Maar wy, wy herhalen nog, met trots, de regels, die Cats
onder haar afbeelding schreef:
Wie oyt dit aerdig beelt sult komen aen te schouwen,
Hout vast, dat gy hier siet een roem voor alle vrouwen.
Van dat de waerelt stond tot heden op ten dagh,
Niet een die haar geleeck of nu bereycken magh.
Anna Maria Schurmans mocht in geen haar gelijkend kroost herleven. Op
het kraambezoek, dat wy verdicht hebben, was, zoo als dit in alle
toovergeschiedenissen regelmatig plaats heeft, eene enkele Feë by
ongeluk niet gebeden, en deze, hierover vergramd, had den vloek
over haar uitgesproken, dat--ofschoon aan alle mannen behagende--zy
des-niet-te-min maagd zoû sterven.