JAKOB VAN KAMPEN.

Toen de bloedige strijd van tachtig jaren was volstreden en, met den

vrede, te Munster gesloten, de vrijheid en onafhankelijkheid, welke

de jeugdige Republiek zich reeds met het staal verworven had, door

Europaas Mogendheden was erkend, wist Amsterdam eene zoo gewichtige

gebeurtenis te vereeuwigen door het grondvesten van een gedenkteeken

als nog geene stad in haar midden had opgericht: en nog in 't vredejaar

1648 werd de eerste steen van 't nieuwe Stadhuis gelegd, van dat

Stadhuis, 't welk na weinige jaren de verbazing van Europa verwekken,

den lof van elken kunstkenner verwerven, ja een achtste waereldwonder

genoemd zoû worden.--Die eerste steen moge, ja, gelegd zijn geworden,

toen Frederik Hendrik reeds dit waereldtooneel had verlaten; geruimen

tijd te voren, in 1639, was het besluit tot de stichting genomen

en gedurende negen jaren de voorbereidende arbeid voortgezet: het

gebouw mag dus gezegd worden, uit dat tijdvak van Frederik Hendrik

te zijn ontstaan: en als zoodanig is het niet alleen het hechtste en

duurzaamste monument dat van dat tijdvak blijft spreken, maar ook

mag het beschouwd worden als het schoonste onder de nog blijvende

rezultaten, die ons dat tijdvak heeft opgeleverd: terwijl het in

allen gevalle ontegenzeggelijk is, dat de man, wiens naam door den

bouw van dat gesticht vereeuwigd werd, tot dat tijdvak behoort.

Wy weten niet, welk aandeel, 't zij als ontwerper, 't zij als

bouwmeester van het Stadhuis moet worden toegekend aan Daniël Stalpert:

wy mogen het zelfs betreuren, dat, door schrijvers en dichters,

zijne verdiensten zoo geheel in de schaduw zijn gesteld; maar die

gedachte mag ons niet weêrhouden in deze galery een plaats toe te

kennen en een kroon te vlechten aan hem, wiens naam aan de stichting

onafscheidelyk verbonden is gebleven, aan Jakob van Kampen.

Wy hebben het reeds by meer dan eene gelegenheid kunnen opmerken, het

hier gevierde tijdvak was zoo rijk aan groote mannen, dat de schrijvers

van die dagen zich minder om de personen zelve bekommerden dan om de

werken, die zy leverden: daarby werd over 't geheel weinig belang

gesteld in biografiën: zoo men te dezen opzichte een uitzondering

maakte, 't was voor staatslieden, zeehelden, geleerden of dichters:

zelden gebeurde het, dat iemand zijn pen versneed om narichten te

geven aangaande krijgsbevelhebbers of kunstenaars. Gene beschouwde

men als huurlingen, deze als leveranciers, die men betaalde voor

den dienst, dien zy deden, of den arbeid, dien zy verrichtten,

en wier geboortejaar, herkomst en lotgevallen aan den betaalsheer

even onverschillig waren, als die van den bakker, die brood aan huis

bezorgde of van den smid, die de geldkoffers van sloten voorzag. Er

was te Amsterdam een nieuw Stadhuis gekomen, dat in allen deele

voldeed aan de vereischten: wat had men zich te bekommeren over de

bouwmeesters? Hun rekening was immers betaald, zoo goed als die

van steenhouwer, metselaar, timmerman, loodgieter, glazemaker of

vergulder,--en zoo kwam het, dat het volk den eenen bouwmeester

geheel vergat, om van den anderen alleen te onthouden, dat hy Van

Kampen heette. Waar, in welk jaar hy geboren was, welke opleiding

hy genoten, hoe hy het tot zulk een hoogte in zijn vak had gebracht,

kon niemand scheelen.

Is het niet een merkwaardig verschijnsel, dat wy, die omtrent zulke

punten meer belangstellend zijn, ons wederom, ter voldoening onzer

opgewekte nieuwsgierigheid, in de eerste plaats tot Vondel moeten

wenden, die, wel is waar, in zijn uitvoerig gedicht op de inwijding van

't Stadhuis, Van Kampen niet eenmaal by name vermeldt, en in een ander

gedicht, waar men 't niet verwachten zoû, slechts vier regelen en nog

maar in 't voorbygaan aan van Kampen wijdt, doch in die vier regelen

vijf gewichtige byzonderheden aangaande hem doen kennen. Sprekende

van Amersfoort zegt hy namelijk:

De Helt van Randebroek, de bouwheer van de Vorsten

En 't Raethuis t' Amsterdam, verheerlyckt haeren lof.

Want zy hem baerde en zooghde aen haer getrouwe borsten

Om bouw- en tekenkonst te heffen uit het stof.

Uit deze regels, voorkomende in het gedicht, dat ten tytel voert:

"de Nachtegaal van Amersfoort," zijn, als ik zeide, vijf zaken te

leeren, te weten: dat Jakob van Kampen te Amersfoort geboren was:

dat hy schilder of althands teekenaar was zoo wel als bouwmeester:

dat hy in deze laatste hoedanigheid door "de Vorsten", d. i. door Prins

Frederik Hendrik, en ook, als blijken zal, door Vorst Joan Maurits van

Nassau, gebezigd werd, dat hy het Stadhuis had gebouwd; en eindelijk,

dat hy, in 1657, het jaartal der vervaardiging van 't gedicht, zich

onthield op den huize Randenbroek, even buiten eene der poorten van

Amersfoort gelegen. Aan de juistheid der narichten van Vondel, die

sedert zijn jeugd goed bekend was met al wat Kampen heette, valt wel

niet te twijfelen: en de berichten, die wy elders by waarheidminnende

schrijvers over den Amersfoortschen bouwmeester aantreffen, zijn niet

meer dan aanvullingen van 't geen Vondel vermeldt.

Jakob van Kampen dan schijnt aanvankelijk meer byzonder de

schilderkunst te hebben beoefend, en de wetenschap, dat hy dit met

grooten lof, en wel te Haarlem, deed, ontleenen wy wederom aan een

dichter en wel aan Samuel Ampsing, die in zijn Beschrijving en Lof

der stad Haarlem blz. 871, zulks op 't jaar 1628 vermeldt.--Het waren

misschien de woorden, te dezer gelegenheid door Ampsing gesproken, die

stof gaven tot de valsche veronderstelling van Houbraken en Weyerman,

dat Van Kampen een Haarlemmer van geboorte zoû zijn geweest. Maar wy

behoeven geen gronden te zoeken voor de berichten van Houbraken en

Weyerman, van wie wy weten, hoe gewoon zy zijn zonder grond te spreken.

't Zij voor, 't zij na zijn verblijf te Haarlem had van Kampen Italiën

bezocht en aldaar, by het beschouwen der meesterstukken van bouwkunst,

te Rome, in Venetiën en elders aanwezig, zijn lust voelen opwekken

om Vitruvius en Palladio op 't spoor te volgen. Wy zullen hier de

vraag niet behandelen, of het overbrengen van een bouwstijl, die

onder den warmen hemel van Italiën voegde, naar ons vochtige Noorden,

gelukkig mocht genoemd worden: wy weten niet, in hoe verre Van Kampen

het aanwenden daarvan ook voor het binnenste van byzondere woningen

heeft aangeprezen: wy gelooven het zelfs niet;--want al plaatste hy

voor het huis van Cooymans (thands van Jhr. J. Huydecoper van Zeyst)

op de Keizersgracht te Amsterdam, een antieken gevel, hy wist het

van binnen op zoodanige wijze in te richten, als met ons klimaat en

't gemak des bewoners overeenstemde:--en 't zelfde was het geval

met het Raadhuis, door hem op den Dam gebouwd, en hetwelk zy voor

wie 't dienen moest niet anders konden wenschen dan het werd.--Noch

Gothische aspiratiën, noch Byzantijnsche weelderigheid, noch overdaad

van vercieringen, noch hooge voorportalen en breede poort, kwamen

te pas by een gebouw, dat aan burger-overheden tot vergaderplaats,

kantoor, vierschaar en kasteel moest dienen. Hier waren vierkante

kracht, strenge deftigheid, eigenaardig verband der deelen, gepaste

inrichting van elk deel--'t zij gaandery, 't zij kamers, 't zij trap,

't zij gewelf, 't zij zolder, 't zij portaal--tot het gebruik waar

het toe bestemd zoû worden, hoofdvereischten, voor welke alle zucht

tot praal moest achter staan: en die vereischten wist het scheppend

genie des bouwheers aan te brengen op een wyze, die 't volmaakte zoo

naby komt, dat geen aanmerking van bedillers, zelfs zoodanige, die

schijnbaar gegrond was, tot heden toe niet op zegevierende wijze is

wederlegd kunnen worden. Met recht mocht er Vondel dan ook van zingen:

De bouwkunst, toen ze in 't werck beooghde haeren wensch,

Koos tot haer voorbeelt uit het lichaem van den mensch,

Zoo meesterlijck volbouwt, van buiten en van binnen,

Dat niets hieraen ontbreeckt, en d'allersnelste zinnen,

Die dit doorsnuffelen, van 't meeste aan 't minste lidt,

Bekennen moeten dat het allerminst miszit

Wat hieraen wordt herstelt. Herstellen is misstellen.

Wie dit hervormt, misvormt.

Dat heeft men bewaarheid gezien toen men het Stadhuis behandelde als

men een flinken, vierkanten grenadier behandelen zoû, wien men witte

glacé handschoenen, een paar verlakte dansschoentjens en een gekleurd

vest aantrok, en het tot een paleis misschiep:

Laet overmeeten, tellen,

En weegen, wien dit lust; het lichaem schroomt geen licht,

Geen klaere middaghzon, noch maet, getal, en wight.

Zoo blijckt dit bouwsel dan van lidt tot lidt rechtvaerdigh

In evenredenheit, en zulck een bouwheer waerdigh,

Die ieder bouwer wijst, en, als Godts leerkint, trouw

Het oogh leert slaen op hem, en zijnen schoonsten bouw.

De bouwers van 't Stadthuis den eisch der wet voldeden,

En volghden zulx de kunst, dat geen van all' de leden

In zijnen stant bezwijckt: Vitruvius trede aen,

En zelf Apollodoor, bouwmeester van Trajaen,

Wiens naelt noch heden praelt te Rome, voor onze oogen.

Zy vinden dit gebouw door al zijn leên voltogen,

Van boven tot beneên. Geene outheit dit verdooft.

Het heeft zijn middenlijf, zijn voeten, armen, hooft,

En schouders, elk om 't netst. Het heeft zijn ingewanden,

Elck lidt, elck ingewant zijn ambt, gebruick en standen.

Hier leeft en zweeft de ziel van ons Wethoudery,

Gelijck een Godtheit in, en ziet het zeilryck Y

Met 't weerelts ooghsten en Oostindiën geladen,

De Zeven landen zelfs ons Heeren en ons Raeden,

Orakels van den staet, bezoecken, reis op reis,

In tijt van oorelog en ongestoorden pais,

En leeren, beter dan by Griecken, en Romeinen,

Hoe zich de Grooten hier tot 's nabuurs dienst verkleinen.

Behalve van het Stadhuis en van het straks genoemde huis te Amsterdam,

was Van Kampen ook de bouwmeester der prachtige huizinge, welke

Vorst Joan Maurits, na zijn terugkomst uit Braziliën, zich te 's

Gravenhage naby het Plein liet stichten, doch die, in 1704 geheel

afgebrand, door een andere vervangen is: van het Huis te Rijswijk,

beroemd om de vredesonderhandelingen, aldaar in 1679 gehouden: van

het huis des Heeren van Zuilichem op het Plein in den Haag enz. Van

zijn bekwaamheid als schilder en teekenaar getuigen, onder meer, een

afbeelding van Laurens Coster, in de "Laure-crans" aan den uitvinder

der Boekdrukkunst door Petrus Scriverius gevlochten; een onthoofding

van Johannes den Dooper, met levensgroote beelden, een verzameling

van vijftig uitmuntende platen, naar teekeningen, door hem te Venetiën

vervaardigd, en een aantal keurig in het graauw geschilderde friezen,

boven de glasramen eener kamer in het "Hooger huis" naby Amersfoort,

welke hofstede, even als later Randenbroek, door hem gebouwd en

bewoond werd. Het was op het laatstgenoemde landgoed, dat hy op den

13. September van het jaar 1657 overleed. De Groote Kerk te Amersfoort

bevat zijn graf, boven 't welk een gedenkteeken, hem door zijn vrienden

opgericht en voor eenige jaren hersteld, van zijn verdiensten gewaagt.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 35 / 41 题