PAULUS POTTER.

--"Neen! daar is geen veranderen aan: hy zal mijn dochter niet

krijgen."

En waarom niet? Op zijn geboorte of afkomst kunt gy toch geen

aanmerking maken? Hy is van deftige ouders; ja zelfs, van moederszijde,

uit het doorluchtig Huis der Egmonden voortgesproten, en voor u, een

eenvoudig Haagsch burger, zoû de verzwagering met hem alzoo waarlijk

niet als een vernedering zijn aan te merken.

--"Zijn geboorte, nu ja, die is goed genoeg: zoo hy die maar niet

ontluisterde...."

Ontluisterde, zegt gy.--Is er dan op zijn gedrag iets aan te

merken? Drinkt hy? is hy een speler? een lichtmis?

--"Niets van dat alles: ik heb niets tot zijn nadeel gehoord: hy is,

naar ik my verzekerd houde, van onbesproken zeden; maar dit is nog

niet genoeg: de man, aan wien ik mijn dochter geve, moet in staat zijn,

op een betamelijke wijze in haar onderhoud te voorzien."

Die zwarigheid was ik verre van te verwachten. De jongeling is

gands niet onbemiddeld: hy begint zich door zijn talent reeds naam

te verwerven en hy zal weldra zelf den prijs voor zijn schilderijen

kunnen bepalen. Uwe dochter zal dus met hem voor geen armoede te

vreezen hebben.

--"Nu ja, maar het is juist die wijze van geld te verdienen, waarmede

ik my niet kan vereenigen."

Ik versta u niet.

--"Wel!--Is hy geen schilder?"

Nu! en....?

--"En dat is, dunkt my, genoeg. Mijn voorouders hebben altijd deftige

officiën bekleed, en nooit met schilders of zulk slach van volk omgang,

veel min verzwagering gehad."

Hm!--'t Is dus de uitoefening van de Schilderkunst, waardoor, naar

uw inzien, Potter zijn geboorte ontluistert en zich onbekwaam maakt,

naar de hand uwer dochter te dingen!

--"Juist zoo!--Nam hy een eerlijk bedrijf by de hand, ware hy

timmerman of slager, ik zoû geen bezwaar maken, of huisschilder,--maar

kunstschilder!--Neen vriend! dat gaat niet."

Versta ik u wel? Het is dus by u een reden van uitsluiting, een man

van talent, van hoogdravend vernuft te zijn?

--"Talent! vernuft! Fraaie zaken: waar hy, die ze bezit, doorgaands

grond in vindt, om niets degelijks uit te voeren, den boêl er door

te brassen, en zich en de zijnen tot armoê te brengen."

Dat hebben de Heeren Rubens en van Dijck toch anders getoond, en,

om nader by honk te blijven, de eerzame Gerrit Honthorst en Bart van

der Helst verdienen geen onaardigen stuiver met hun penceel.

--"Ja, dat zijn uitzonderingen; maar zelfs geen van die lieden,

die gy daar noemt, zoû ik anders dan schoorvoetende tot schoonzoon

hebben aangenomen.--Met dat al, zoo hy nog, als zylieden, portretten

maakte, ik zoû, nu het meisken haar zinnen op hem gezet heeft,

misschien nog toegeven; want, ziet gy, dat portretten schilderen

opent de deuren van lieden van rang en aanzien, en verschaft zelfs

omgang met Vorsten;--maar wat schildert Potter? koeien en nog reis

koeien.--Welke deuren opent dat? die van stallen en schuren; met wie

verschaft dat omgang? met vee en nog 'reis vee!--Een mooi gezelschap

voor mijn dochter."

Maar, beste vriend! bedenk toch, dat de rang, dien de schilder

bekleedt, niet afhangt van de onderwerpen, die hy behandelt, maar van

de wijze van voorstelling. Bedenk verder: er zijn wel vijftig knappe

portretschilders tegen één veeschilder, en Potter heeft, juist ten

gevolge van het kunstvak, dat hy zich gekozen heeft, een standpunt

ingenomen, waar hy weinig of geen mededinger heeft.

--"Fraai geredeneerd! Dat hy een boerschen smaak heeft, en zich by

verkiezing met ongure en gemeene zaken bezig houdt; dat zoû hem boven

anderen verheffen! 't Is of gy het beroep van beulsknecht aanpreest,

omdat er minder beulsknechten zijn dan b. v. soldaten."

Maar, vriend! die gelijkenis....

--"'t Is waar: gy zult zeggen, soldaten zijn maar huurlingen, en de

scherprechter met zijn handlangers zijn ambtenaren in dienst der

hoogloffelijke Justitie;--maar toch, over 't algemeen bewijst men

grootere eere aan Kornellen en Hopluiden, dan aan hen, die met de

exekutie van vonnissen zijn belast. Nu! dit in 't voorbygaan;--en

om weder op het behandelde kapittel terug te komen: 't is, zooals ik

zeide: ware hy portretschilder, ik zoû om der wille van mijn dochter,

en omdat ik den knecht wel lijden mag, my niet onverbiddelijk toonen;

maar een beesteschilder!--neen, in de daad, dat gaat niet."

En toch, het ging: de voorspraak van aanzienlijke lieden te 's

Gravenhage, die den bekwamen jongeling genegen waren, ja, zoo men

beweert, van Vorst Joan Maurits van Nassau, bracht te weeg, dat onze

Hagenaar, spijt zijn vooroordeelen, toegaf, en dat zijn dochter de

bruid werd van den vijf-en-twintig jarigen veeschilder Paulus Potter.

Ik weet niet of een gesprek, als hetgeen hierboven door my werd te

boek gesteld, ooit tusschen den schoonvader van Paulus Potter en

zijn vriend is gevoerd geworden: ik weet zelfs niet--wanneer ik naga

met hoevele verdichtselen men goedgevonden heeft, de zoogenaamde

"Levens der Schilders" te doorvlechten--of aan hetgeen verteld

wordt betrekkelijk Potters vrijaadje en den tegenstand, welken zy,

uithoofde zijner hoedanigheid van veeschilder, zoû ondervonden hebben,

onbepaald geloof moet geslagen worden: ik weet alleen, dat hetgeen ik

den Haagschen burger zeggen laat, gezegd is geworden en nog zelfs heden

ten dage gezegd wordt door lieden, die aanspraak maken op deftigheid

en soliditeit.

In de oogen der zoodanigen is de kunstenaar een exceptioneel wezen,

bestemd, om, gedurende zijn leven, naar mate van de eeuw, waarin hy

zich beroemd maakt, met een halsketen, een medalje of een eikenkroon

vereerd, en na zijn dood met veel toeloop begraven en tot in de wolken

verheven te worden; maar dien men, als een onpraktisch mensch, in

geen maatschappelijke betrekking gebruiken, en wien men zijn dochter

niet ten huwelijk geven kan.

Zelfs zijn er nog in onze dagen, die verder gaan dan de Haagsche

burger uit de zeventiende eeuw: een historieschilder vindt evenmin

genade in hunne oogen als een veeschilder.

Maar, zoo het vak, dat zich een schilder koos, in de oogen van den

materieelen hoop van hen, die in de kunst alleen een behagelijke,

maar overtollige weelde zien, geenszins tot maatstaf strekt naar

welken hy zich laat beoordeelen, en hy in hun oog, alleen reeds omdat

hy schilder is, op een lagen sport van den maatschappelijken ladder

staat, wy, die de kunst als de schoonste gave beschouwen, van God

geschonken, wy vragen evenmin naar het kunstvak, wy vragen alleen:

heeft hy in het beoefenen daarvan getoond, een sprank te bezitten

van dat goddelijke vuur, waarmede hy, als weleer Prometheus, het stof

weet te bezielen?--en is dit zoo, dan brengen wy hem lof en hulde toe

als aan den man, wiens naam zal leven, ook eeuwen nadat de namen lang

vergeten zijn van hen, die thands hem minachting toonen:--en daarom

is het ook niet dan met eerbied, dat wy spreken van den treffelijksten

veeschilder, die immer het penceel ter hand nam, van Paulus Potter.

't Is waar, Potter heeft de natuur niet geïdealigeerd: hy heeft zich

vergenoegd, haar terug te geven, gelijk hy haar voor zich zag; maar

hy heeft dit weten te doen met zoodanige volkomenheid, dat alleen het

leven aan zijn werk schijnt te ontbreken, en de toeschouwer, in zijn

opgetogenheid over de treffende waarheid der voorstelling, er niet aan

denkt, andere en meerdere eischen te doen. Zoodanig althands was de

indruk, door die honderden van nieuwsgierigen ontfangen, die dag aan

dag Potters meesterstuk stonden te bewonderen, toen het uit ons Land,

als een kostbare roof, naar Frankrijk weggedragen, in de galery van

het Louvre onder de pronkjuweelen der kunst was opgehangen.

Kort was de loopbaan, door Potter als kunstenaar afgelegd: in 1625,

te Enkhuizen, geboren, was hy reeds in 1654 ten grave gedaald, maar

hy had de jaren, die hy op aarde doorleefde, wèl besteed. Hy had

gewerkt, terwijl het dag was; hy had de zaligheden van het huislijk

leven genoten; hem was de vriendschap van edele en weldenkende

mannen, ook uit den hoogsten stand de achting van allen geschonken:

en reeds by zijn leven, had hy zich een roem verworven, die anderen

veelal eerst na hun dood ten deel valt. Welke billijke wenschen had

hy verder kunnen voeden? En voor welke te-leur-stelling, voor welke

aanvallen van nijd en afgunst is hy niet gespaard gebleven!--Neen,

zoo als de dichter zegt:

Wie leefde als hy, al stierf hy schijnbaar vroeg,

Hy leefde voor geluk en roem genoeg.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 34 / 41 题