--"Neen! daar is geen veranderen aan: hy zal mijn dochter niet
krijgen."
En waarom niet? Op zijn geboorte of afkomst kunt gy toch geen
aanmerking maken? Hy is van deftige ouders; ja zelfs, van moederszijde,
uit het doorluchtig Huis der Egmonden voortgesproten, en voor u, een
eenvoudig Haagsch burger, zoû de verzwagering met hem alzoo waarlijk
niet als een vernedering zijn aan te merken.
--"Zijn geboorte, nu ja, die is goed genoeg: zoo hy die maar niet
ontluisterde...."
Ontluisterde, zegt gy.--Is er dan op zijn gedrag iets aan te
merken? Drinkt hy? is hy een speler? een lichtmis?
--"Niets van dat alles: ik heb niets tot zijn nadeel gehoord: hy is,
naar ik my verzekerd houde, van onbesproken zeden; maar dit is nog
niet genoeg: de man, aan wien ik mijn dochter geve, moet in staat zijn,
op een betamelijke wijze in haar onderhoud te voorzien."
Die zwarigheid was ik verre van te verwachten. De jongeling is
gands niet onbemiddeld: hy begint zich door zijn talent reeds naam
te verwerven en hy zal weldra zelf den prijs voor zijn schilderijen
kunnen bepalen. Uwe dochter zal dus met hem voor geen armoede te
vreezen hebben.
--"Nu ja, maar het is juist die wijze van geld te verdienen, waarmede
ik my niet kan vereenigen."
Ik versta u niet.
--"Wel!--Is hy geen schilder?"
Nu! en....?
--"En dat is, dunkt my, genoeg. Mijn voorouders hebben altijd deftige
officiën bekleed, en nooit met schilders of zulk slach van volk omgang,
veel min verzwagering gehad."
Hm!--'t Is dus de uitoefening van de Schilderkunst, waardoor, naar
uw inzien, Potter zijn geboorte ontluistert en zich onbekwaam maakt,
naar de hand uwer dochter te dingen!
--"Juist zoo!--Nam hy een eerlijk bedrijf by de hand, ware hy
timmerman of slager, ik zoû geen bezwaar maken, of huisschilder,--maar
kunstschilder!--Neen vriend! dat gaat niet."
Versta ik u wel? Het is dus by u een reden van uitsluiting, een man
van talent, van hoogdravend vernuft te zijn?
--"Talent! vernuft! Fraaie zaken: waar hy, die ze bezit, doorgaands
grond in vindt, om niets degelijks uit te voeren, den boêl er door
te brassen, en zich en de zijnen tot armoê te brengen."
Dat hebben de Heeren Rubens en van Dijck toch anders getoond, en,
om nader by honk te blijven, de eerzame Gerrit Honthorst en Bart van
der Helst verdienen geen onaardigen stuiver met hun penceel.
--"Ja, dat zijn uitzonderingen; maar zelfs geen van die lieden,
die gy daar noemt, zoû ik anders dan schoorvoetende tot schoonzoon
hebben aangenomen.--Met dat al, zoo hy nog, als zylieden, portretten
maakte, ik zoû, nu het meisken haar zinnen op hem gezet heeft,
misschien nog toegeven; want, ziet gy, dat portretten schilderen
opent de deuren van lieden van rang en aanzien, en verschaft zelfs
omgang met Vorsten;--maar wat schildert Potter? koeien en nog reis
koeien.--Welke deuren opent dat? die van stallen en schuren; met wie
verschaft dat omgang? met vee en nog 'reis vee!--Een mooi gezelschap
voor mijn dochter."
Maar, beste vriend! bedenk toch, dat de rang, dien de schilder
bekleedt, niet afhangt van de onderwerpen, die hy behandelt, maar van
de wijze van voorstelling. Bedenk verder: er zijn wel vijftig knappe
portretschilders tegen één veeschilder, en Potter heeft, juist ten
gevolge van het kunstvak, dat hy zich gekozen heeft, een standpunt
ingenomen, waar hy weinig of geen mededinger heeft.
--"Fraai geredeneerd! Dat hy een boerschen smaak heeft, en zich by
verkiezing met ongure en gemeene zaken bezig houdt; dat zoû hem boven
anderen verheffen! 't Is of gy het beroep van beulsknecht aanpreest,
omdat er minder beulsknechten zijn dan b. v. soldaten."
Maar, vriend! die gelijkenis....
--"'t Is waar: gy zult zeggen, soldaten zijn maar huurlingen, en de
scherprechter met zijn handlangers zijn ambtenaren in dienst der
hoogloffelijke Justitie;--maar toch, over 't algemeen bewijst men
grootere eere aan Kornellen en Hopluiden, dan aan hen, die met de
exekutie van vonnissen zijn belast. Nu! dit in 't voorbygaan;--en
om weder op het behandelde kapittel terug te komen: 't is, zooals ik
zeide: ware hy portretschilder, ik zoû om der wille van mijn dochter,
en omdat ik den knecht wel lijden mag, my niet onverbiddelijk toonen;
maar een beesteschilder!--neen, in de daad, dat gaat niet."
En toch, het ging: de voorspraak van aanzienlijke lieden te 's
Gravenhage, die den bekwamen jongeling genegen waren, ja, zoo men
beweert, van Vorst Joan Maurits van Nassau, bracht te weeg, dat onze
Hagenaar, spijt zijn vooroordeelen, toegaf, en dat zijn dochter de
bruid werd van den vijf-en-twintig jarigen veeschilder Paulus Potter.
Ik weet niet of een gesprek, als hetgeen hierboven door my werd te
boek gesteld, ooit tusschen den schoonvader van Paulus Potter en
zijn vriend is gevoerd geworden: ik weet zelfs niet--wanneer ik naga
met hoevele verdichtselen men goedgevonden heeft, de zoogenaamde
"Levens der Schilders" te doorvlechten--of aan hetgeen verteld
wordt betrekkelijk Potters vrijaadje en den tegenstand, welken zy,
uithoofde zijner hoedanigheid van veeschilder, zoû ondervonden hebben,
onbepaald geloof moet geslagen worden: ik weet alleen, dat hetgeen ik
den Haagschen burger zeggen laat, gezegd is geworden en nog zelfs heden
ten dage gezegd wordt door lieden, die aanspraak maken op deftigheid
en soliditeit.
In de oogen der zoodanigen is de kunstenaar een exceptioneel wezen,
bestemd, om, gedurende zijn leven, naar mate van de eeuw, waarin hy
zich beroemd maakt, met een halsketen, een medalje of een eikenkroon
vereerd, en na zijn dood met veel toeloop begraven en tot in de wolken
verheven te worden; maar dien men, als een onpraktisch mensch, in
geen maatschappelijke betrekking gebruiken, en wien men zijn dochter
niet ten huwelijk geven kan.
Zelfs zijn er nog in onze dagen, die verder gaan dan de Haagsche
burger uit de zeventiende eeuw: een historieschilder vindt evenmin
genade in hunne oogen als een veeschilder.
Maar, zoo het vak, dat zich een schilder koos, in de oogen van den
materieelen hoop van hen, die in de kunst alleen een behagelijke,
maar overtollige weelde zien, geenszins tot maatstaf strekt naar
welken hy zich laat beoordeelen, en hy in hun oog, alleen reeds omdat
hy schilder is, op een lagen sport van den maatschappelijken ladder
staat, wy, die de kunst als de schoonste gave beschouwen, van God
geschonken, wy vragen evenmin naar het kunstvak, wy vragen alleen:
heeft hy in het beoefenen daarvan getoond, een sprank te bezitten
van dat goddelijke vuur, waarmede hy, als weleer Prometheus, het stof
weet te bezielen?--en is dit zoo, dan brengen wy hem lof en hulde toe
als aan den man, wiens naam zal leven, ook eeuwen nadat de namen lang
vergeten zijn van hen, die thands hem minachting toonen:--en daarom
is het ook niet dan met eerbied, dat wy spreken van den treffelijksten
veeschilder, die immer het penceel ter hand nam, van Paulus Potter.
't Is waar, Potter heeft de natuur niet geïdealigeerd: hy heeft zich
vergenoegd, haar terug te geven, gelijk hy haar voor zich zag; maar
hy heeft dit weten te doen met zoodanige volkomenheid, dat alleen het
leven aan zijn werk schijnt te ontbreken, en de toeschouwer, in zijn
opgetogenheid over de treffende waarheid der voorstelling, er niet aan
denkt, andere en meerdere eischen te doen. Zoodanig althands was de
indruk, door die honderden van nieuwsgierigen ontfangen, die dag aan
dag Potters meesterstuk stonden te bewonderen, toen het uit ons Land,
als een kostbare roof, naar Frankrijk weggedragen, in de galery van
het Louvre onder de pronkjuweelen der kunst was opgehangen.
Kort was de loopbaan, door Potter als kunstenaar afgelegd: in 1625,
te Enkhuizen, geboren, was hy reeds in 1654 ten grave gedaald, maar
hy had de jaren, die hy op aarde doorleefde, wèl besteed. Hy had
gewerkt, terwijl het dag was; hy had de zaligheden van het huislijk
leven genoten; hem was de vriendschap van edele en weldenkende
mannen, ook uit den hoogsten stand de achting van allen geschonken:
en reeds by zijn leven, had hy zich een roem verworven, die anderen
veelal eerst na hun dood ten deel valt. Welke billijke wenschen had
hy verder kunnen voeden? En voor welke te-leur-stelling, voor welke
aanvallen van nijd en afgunst is hy niet gespaard gebleven!--Neen,
zoo als de dichter zegt:
Wie leefde als hy, al stierf hy schijnbaar vroeg,
Hy leefde voor geluk en roem genoeg.