JAN ADRIAENSZ. LEEGHWATER.

Onder de bekwame en schrandere vernuften, die in de eeuw van Frederik

Hendrik uitblonken, is er een, die zich niet alleen een naam maakte

door de belangrijke diensten, welke hy gedurende zijn leven aan zijn

vaderland bewees, maar ook, en vooral, door het grootsche plan dat

hy vormde, en dat, eerst na twee eeuwen verwezenlijkt, hem by den

nazaat een roem verschaffen moest, grooter nog dan de roem, dien hem

de tijdgenoot had toegekend. Die man was een eenvoudig dorpsbewoner,

een molenmaker van zijn ambacht, en zijn naam was Jan Adriaensz.,

bygenaamd Leeghwater.

Leeghwater:--wellicht denkt men hier aan iemand, die water leêgt; maar

behalve dat de woordvorming in dit geval strijdig ware met den aart

onzer taal, die alsdan waterleêger zoû vereischen, zoo ware zy strijdig

met de gedachte, die men er aan verbinden wilde. Immers hy ledigde geen

water, hy ledigde 't land van 't overtollige water.--Ieder, die weet,

dat in Noordholland nog heden ten dage de dubbele a in vele woorden

als e wordt uitgesproken, zal begrijpen dat leegh in 's mans bynaam

eenvoudig voor laag staat, en wie bekend is met de byzonderheden van

's mans leven, zal zich duidelijk kunnen verklaren waarom hy dien

bynaam verkregen had.

Immers, in 1575 in het dorp de Rijp geboren, had hy van jongs af het

bedrijf van molenmaker by de hand gehad, en, wegens zijn bekwaamheid in

het vervaardigen en stellen van molens, vooral van watermolens, niet

slechts binnen, maar zelfs buiten 's lands een naam verworven. Veel

water had hy alzoo laag gemaakt, en belet buiten zijn boorden te

spatten of wel geheel weggemalen. En van hoe veel belang het vak van

nijverheid, waarop hy zich toelegde, vooral toen ter tijde geächt moest

worden, daarvan kan ieder zich overtuigen, die maar een blik slaat op

de kaarten van Westfriesland in die dagen. De helft, zoo niet meer,

was niet dan water.

Reeds in 1553 was men begonnen met het droogmaken van eenige plassen,

onder anderen, van de Zijp; maar vooral in de zestiende eeuw, toen

het binnenland tot rust gekomen was, sloeg men met ernst de hand aan

't werk, om de tallooze Waterlandsche en Westfriesche meirtjens uit te

malen en in bruikbaar land te herscheppen. Droogmaking op droogmaking

volgden: en by de meesten daarvan was Jan Adriaensz behulpzaam met

raad en daad: vooral was het voornamelijk onder zijn toezicht, dat

de zoo belangrijke Beemster werd bedijkt, waar hy was aangesteld om

"waar te nemen het fabryken en stellen van de watermolens." Ook by het

droogmaken van de Purmer, de Wormer, de Schermer, de Waard en andere

meiren en moerassen, was hy werkzaam, en wist zijn vindingrijke

geest elke hinderpaal te voorzien of te voorkomen. De roem die

van zijn bekwaamheid uitging was zoo groot, dat hy, in 1629, door

Frederik Hendrik in het leger voor 's Hertogenbosch ontboden werd,

om, gelijk hy zelf verhaalt, "het water uit het leger te malen, en de

watermolens by Engelen weder gangbaar te maken:" wat hy naar eisch

volvoerde, en waardoor hy niet weinig toebracht tot het bemachtigen

der belangrijke vesting.

Maar, gelijk wy 't reeds aanmerkten, niet binnen de grenzen van zijn

vaderland bleef de roem van Leeghwater beschreven. In 1628 riep men

hem naar Bordeaux, om daar goeden raad te geven tot het droogmaken

van een naby gelegen moeras, niet minder dan 4500 morgen groot, en

toebehoorende aan den Hertog van Epernon. Hy voldeed aan die opdracht

en vervaardigde een kaart van dat moeras, welke hy aan den Hertog,

die toen met 's Konings leger voor La Rochelle lag, overhandigde. Twee

jaren later werd hy naar Mets ontboden, om raad te geven tot het

droogmaken van een aldaar gelegen moeras. Ook in het gebied van den

Hertog van Holstein, in Emderland en elders, werd hy genoodigd om,

zooals hy 't uitdrukt, "te ordineren dijken, dammen, sluizen, kaaien,

heulen, molens, molen-tochten, kolken, wateringen, enz."

Maar niet hiertoe bepaalden zich zijn veelsoortige kunde en

werkzaamheden. Hy vervaardigde bovendien talrijke bestekken voor

gebouwen en woningen, o. a. voor het Raadhuis van zijn geboorteplaats:

voorts kassen en schrijnwerken, als mede uurwerken in dorpen en

steden, ook twee "notabele speelwerken," voor den Wester- en den

Zuiderkerkstoren te Amsterdam. Ook hielp hy metselen aan het nieuwe

Stadhuis in de laatstgenoemde stad, aan den toren der Nieuwe Kerk en

aan de brug by den Jan Roodepoortstoren. Nog werkte hy behalve dat

in hout en steen, in koper, metaal en ivoor, en eindelijk vermaakte

hy zich, als hy 't uitdrukt:

Oock somtyts met de pen te spelen,

Te teecknen kercken en kasteelen,

Daar by, te schryven grof en fijn,

Dat kan (Gods lof) noch heel wel zijn.

Nog verstond hy bovendien een kunst, die thands, naar 't schijnt,

geheel verloren is geraakt, te weten die van onder water te duiken,

aldaar een geruimen tijd te vertoeven en verschillende verrichtingen

ten uitvoer te brengen. Van deze kunst gaf hy, met zekeren Pieter

Pietersz. die leeraar by de doopsgezinden was aan de Rijp, twee

malen bewijs, eerst in 1605, in de nabyheid van 's Gravenhage, in

tegenwoordigheid van Prins Maurits, diens broeder, de Graven Willem

en Ernst van Nassau, en vele andere personen: de tweede reis op de

Wetering, buiten Amsterdam, ten aanzien van een ontelbare schaar van

menschen, uit de stad en den omtrek toegevloeid. Deze laatste reis

bleef hy niet korter dan drie vierden uurs onder water, at twaalf

peeren, die hy by zich genomen had, ieder voor de helft op, speelde de

wijs van den drie-en-twintigsten Psalm op een schalmei, schreef op een

schoon blad papier met pen en inkt, en deed andere verrichtingen meer,

die ongeloofbaar zouden wezen, indien het gebeurde alleen door hem

verhaald en niet door getuigenissen van aanwezigen, alsmede door een

hem verleend Oktrooi ware bevestigd.--Hy was alzoo tevens Landmeter,

Waterbouwkundige, Molenmaker, Metselaar, Timmerman, Schrijnwerker,

Horologiemaker, Waterduiker--ja wat was hy niet? bovendien met de

kennis der Fransche, Hoogduitsche en Latijnsche talen, en, door de

vele reizen, welke hy buiten's lands gedaan had, met een schat van

ondervinding toegerust.

Was de verplichting groot, welke hem zijn tijdgenooten hadden, voor

zoo vele goede en nuttige werken als door hem verricht, voor zoo vele

morgen gronds, die hy aan den waterwolf ontweldigd en in vruchtbaar

land herschapen had, ook het nu levende geslacht mag niet vergeten, dat

aan hem in de eerste plaats de dank toekomt voor het grootsche werk,

dat wy hebben zien voltooien, de droogmaking van het Haarlemmer-meir.

Het was in den jare 1641, dat de schrandere man het

Haarlemmer-meir-boeck, 't welk het eerste ontwerp bevatte tot het

bedijken en droogmaken van dien plas, aan de Staten van Holland, aan

den Stadhouder Frederik Hendrik, aan de Burgemeester en Raden van

Amsterdam, Leyden, Haarlem en Gouda en aan Dijkgraaf en Heemraden

van Rijnland, aanbood. Het was in dat belangrijke werk, 't welk,

in onderhoudenden en naieven stijl geschreven, overal den man van

doorzicht, kunde en ervarenis aanduidt, dat hy de onderneming aanprees

om die gestadig meer en meer invretende plas leêg te malen, en zijn

denkbeelden ontwikkelde aangaande de wijze, waarop de uitvoering plaats

zoû kunnen hebben. Niet minder dan twaalf drukken van dit werk kwamen

in een betrekkelijk kort tijdverloop uit: wel een bewijs, hoezeer het

onderwerp de algemeene belangstelling gaande maakte; maar ongelukkig

had die belangstelling de gewenschte uitwerking niet by hen, die by

machte waren geweest, uitvoering aan het plan te geven, en was het voor

den nazaat van Frederik Hendrik bewaard, de eer daarvan weg te dragen.

Wel waren, sedert Leeghwaters dood, op het veld der werktuigkunde

nieuwe en stoute ontdekkingen gedaan, waardoor naar een veranderd

stelsel en met behulp der sints uitgevonden stoomkracht het werk

voltooid werd; maar niet te min blijft hem de onverwelkbare eer,

't eerst op het belangrijke der zaak de aandacht gevestigd te hebben;

niet te min is zijn plan toch de grondslag geweest, waarop lateren

gebouwd hebben, en is het nog altijd de vraag, of, indien men, in de

wijze van uitvoering, de voorschriften, door hem gegeven, eenvoudig

hadde gevolgd, niet de droogmaking op een even zekere en ongetwijfeld

minder kostbare manier had kunnen plaats hebben.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 33 / 41 题