Het was omstreeks 1622, dat, in het blijde en geestvolle gezelschap,
't welk gewoon was, zich op 't Muiderslot te vereenigen, een
zes-en-twintigjarige jongeling werd binnengeleid, die, als bewoner
der Hofstad, waar hy zich in de hoogste kringen bewoog, een voorwerp
van belangstelling voor de Amsterdamsche Juffers, van nijd voor de
Amsterdamsche pronkertjens, van nieuwsgierigheid voor allen wezen
moest, en die zoowel den nijd als de belangstelling deed toenemen,
toen hy zich aldra onderscheidde, niet alleen door heusche en
innemende vormen, vrolijk vernuft, vlugheid en zwier in dans en
andere lichaamsoefeningen en een meer dan gewoon muzykaal talent,
maar ook door de scherpzinnigheid en het helder oordeel, waarmede hy
zijn denkbeelden wist te ontwikkelen over onderwerpen van staatkunde,
wijsbegeerte, letteren en poëzy. Die jongeling was Konstantijn Huygens,
op den 4. September, 1596, te 's Gravenhage geboren, en tweede zoon
van Christiaan Huygens, die Geheimschrijver van Prins Willem I,
later van de Staten was geweest. Een verschil van vijftien jaren,
dat tusschen hem en zijn gastheer bestond, belette niet, dat deze,
ingenomen met de kennis en den geest, die de jongeling aan den dag
legde, en niet minder met het aangename van zijn omgang, hem al spoedig
op den meest vertrouwelijken voet behandelde, zoo dat wederkeerig
Huygens, gestreeld door de onderscheiding, welke een man als Hooft
hem betoonde, en zich met hem volkomen op zijn gemak gevoelende, dat
vertrouwen van zijne zijde beantwoordde. En zoo ontstond er tusschen
hen beiden een vriendschap, hoedanige anders alleen tusschen speel-
en schoolmakkers, althands tusschen lieden van gelijken leeftijd,
gesloten wordt. Huygens raadpleegde Hooft over zijn minnaryen zoowel
als over zijn gedichten, Hooft hem wederkeerig over politieke zoowel
als over taalkundige twistvragen; en hy wist, dat hy in beide gevallen
by den rechten man kwam. Immers, was Huygens, waar het de letterkunde
betrof, een fijn en kundig opmerker, hy was dit niet minder in zaken
van Staatkunde. Zijn bekendheid van der jeugd af met al de genen, die
deel hadden aan 't Staatsbestuur, en met de Gezanten van buitenlandsche
Mogendheden, stelde hem in de gelegenheid veel te weten, dat aan den
Drossaart niet of niet naauwkeurig ter oore kwam: en weldra was hy nog
beter in staat, dezen omtrent de gewichtigste zaken tot vraagbaak te
strekken, toen Frederik Hendrik, by zijn komst aan 't bewind, hem by
zich nam in dezelfde betrekking, welke zijn Vader by 's Prinsen Vader
had vervuld. Mocht ook het huwelijk, 't welk Huygens in 1626 aanging
met Suzanna van Baerle, een verre nicht van den beroemden hoogleeraar,
ten gevolge hebben, dat hy de dagen, welke hy niet by den Prins in
't leger doorbracht, by voorkeur t'huis by vrouw en kinderen sleet,
het bracht geen verkoeling te weeg in de genegenheid, welke hy
voor Hooft had opgevat: en, zagen zy elkander niet zoo dikwijls
meer, wy danken aan die vermindering van wederzijdsche bezoeken
een tal van onschatbare brieven, hoogst belangrijk van inhoud,
en die 't bewijs met zich brengen van onverstoorde hoogschatting en
vertrouwelijkheid. Doch ook al degenen, die in de byzondere intimiteit
van Hooft deelden, bleven by voortduring bewijzen ontfangen, dat
Huygens voor hen gelijke gevoelens als de Drossaart koesterde. Vooral
was Tesselschade, mede sedert hun eerste kennismaking gehuwd,
het voorwerp zijner aanhoudende belangstelling. Beiden, Huygens en
Tesselschade, verloren hun echtgenooten; en, ware het verschil van
godsdienst geen beletsel geweest, voor elk hunner onoverkomelijk,
misschien hadden zy elkander, door een nieuwe verbintenis, pogen
te troosten. Nu bleven beiden ongehuwd, doch even hartelijk jegens
elkander gezind, elkander tevens hoogachtende en kwellende, goeden
raad wisselende en stekelige puntdichten.
Wy noemden het woord "puntdichten": en, zoo aan Huygens in honderd
andere opzichten een plaats zoû toekomen onder de verdienstelijke
mannen van zijn tijd, het is vooral zijn eigenaardigheid als
epigrammatist, die hem van de overigen onderscheidt. Als Staatsman
volbracht hy een schoone en eervolle twee-en-zestigjarige loopbaan;
doch de aart zelf dier betrekking was oorzaak, dat hy maar zelden in
de gelegenheid was, het Vaderland te dienen op zoodanige wijze als
buiten af bekend wordt. Als geleerde was hy bestemd, anderen voor te
lichten en daardoor merkbaren invloed uit te oefenen op de beschaving
zijner tijdgenooten, meer dan om zelf te schitteren: als musikus was
hy een bloot dilettant: in zijn vaerzen zocht hy de hooge vlucht,
welke Vondel bereikte, niet na te streven; doch als Nederduitsch
epigrammatist staat Huygens op een hoogte, door niemand hier te lande
bereikt. En wanneer wy hem dien tytel toekennen, dan hebben wy niet zoo
zeer het oog op den bundel van geestige punt- en sneldichten, door hem
vervaardigd; maar op den puntigen stijl, die ieder zijner talrijke
dichtvruchten, ernstige zoowel als boertige, overal kenmerkt: op
dat gelukkig aanwenden van verrassende, snedige, puntige, pittige,
treffende, doch juist gekozene woorden en uitdrukkingen, welke
Huygens, altijd meester over de taal, met zoo veel gemak uit den
schat, die hem ter dienste stond, wist te putten, en met zoo veel
oordeel wist te pas te brengen. Doch, zoo hy door het kernachtige en
beknopte, dat den stijl van Huygens onderscheidt, Spieghel evenaart,
en niet zelden daardoor stroef is als deze, bezitten zijn gedichten
echter niet zelden een bevallige zoetvloeiendheid en een zwier, die
Spieghel t'eenemale mist. By hem is niet alleen de inhoud degelijk,
maar ook de vorm doorgaands keurig, behagelijk, en, naar gelang van 't
onderwerp, frisch en krachtig, of liefelijk en welluidend. Nog altijd,
in spijt van menig verouderde of min gewone woordvorming, vinden wy
in zijn gedichten wat Vondel er in vond, en beter karakterizeerde,
dan door ons zoû kunnen gedaan worden:
Eenen bloemhof, milt van geur,
Rijck door zijn verscheidenheden
Van gedaente en levend kleur:
Een banket voor keurige oogen,
Een muzykfeest voor 't gehoor,
Als de ziel, omhoog getogen
Naer de wolcken vaert door 't oor.
. . . . . . gulde spreucken,
Aerdige spitsvondigheên,
Lessen van geen eeuw te kreucken,
Redevormers van 't gemeen,
Gestoffeerde galeryen,
Vol van kunst en wetenschap,
Tafereelen waert te vryen,
Honighkorven zoet van sap.
Al de Dichters in één Dichter,
Keur van stof en keur van maet,
Kort of langer, zwaer of lichter
En gepast op yders Staet.
Nog een andere lof, die, al komt hy den burger, niet den dichter toe,
mag Huygens niet onthouden worden. Weinige plekken in ons vaderland
zijn zoo bekend, zoo algemeen door landgenoot en vreemdeling bezocht,
als Schevelingen. Maar is er naauwlijks een enkele onder de duizenden,
die, 't zij in prachtige rijtuigen, op mollige kussens gezeten of in
hossende snorwagens samengepakt, 't zij te voet, langs de bekoorlijke
dreef of onder 't dichte lommer der schilderachtige, eeuwenheugende
eiken zich uit 's Gravenhage derwaarts begeven, en er, deels alleen
een verfrisschende koelte, deels het herstel hunner gezondheid, in 't
krachthernieuwende zeebad gaan zoeken, of wel eenvoudig, uitgelokt door
't liefelijk saizoen, de benaauwende hitte der stad tegen een weldadige
zeelucht, de krassende geluiden, die van markten en pleinen rijzen,
tegen de liefelijke toonen van vink en nachtegaal gaan verwisselen,
de beslommeringen van het Staatsbestuur gaan vergeten in de vrije en
bekoorlijke natuur--is er, vragen wy, wel een enkele, die er aan denkt,
dat, zoo hy langs een zoo fraaien, zoo gemakkelijken, zoo geriefelijken
weg den afstand aflegt, die de Hofplaats van hare Zeevoorstad scheidt,
hy zulks in de voornaamste plaats te danken heeft aan Konstantijn
Huygens, die 't eerst het denkbeeld opperde om den gullen zandweg,
die het dorp aan de stad verbond, door een weg van klinkerts te doen
vervangen, en, jaren lang, met onvermoeiden yver, op de aanneming
bleef aandringen van het uitgewerkte plan, door hem te dien einde by
de Regeering van 's Gravenhage ingediend. Bezwaren van allerlei aart,
even talrijk als die wy in onze dagen tegen elke nieuwe onderneming,
tegen de Spoorwegen, tegen de Amsterdamsche Duin-Waterleiding, tegen
de doorgraving van Holland op zijn Smalst, hebben zien aanvoeren,
werden ook door de Hagenaars van dien tijd, even zwaartillend als
onze hedendaagsche landgenooten, te berde gebracht, en het was niet
dan na schier ongelooflijke moeite en een hardnekkigen, in poëzy
en proza gevoerden, strijd, dat Huygens, eindelijk, zijn wensch
bekroond en de Zeestraat begonnen en voltooid zag. En wel werd
en wordt al meer en meer de overtuiging bevestigd, door hem in de
toelichting van zijn ontwerp zoo krachtig uitgedrukt in deze woorden:
"De gedurigheit dezer wandelinge houde ick soo seker, dat ick geloove
den Steen-Wegh dagelicks sonder ophouden voll gegaens ende gerijds,
ende van verre als een Begraeffenisse aan te sien soude wesen."
Men gevoelt, dat zoo Huygens hier 't woord "Begrafenis" noemt, hy 't
oog niet heeft op het sombere en plechtige, dat er mede gepaard gaat
maar alleen op den talrijken sleep, die de begrafenissen in zijn tijd
placht te vergezellen, en op den luister, die er mede gepaard ging.
Was de invloed van Hooft op de letterkundige vorming van Huygens
niet zonder gewicht, vooral was die ook merkbaar op de gedragslijn,
welke de laatste in 't politieke hield. Van 1625 tot aan 1687 een
gewichtig ambt hebbende, beleefde hy tijden van twist en verdeeldheid;
en toch wist hy, tot aan het einde toe, zich buiten alle partyschappen
te houden en zich de achting te verwerven van allen, die beurtelings
deel namen aan 't bewind van den Staat.