JAN VAN GALEN.

Onder de zeehelden, die Nederland heeft voortgebragt, is er naauwlijks

een, wiens leven rijker was aan avontuurlijke lotgevallen, en wiens

daden ons meer doen denken aan die, welke men aan de heroën der

oudheid of aan de paladijnen der ridderromans toeschrijft,--dan

Jan van Galen. Gelijk de meeste beroemde scheepsbevelhebbers van

zijn tijd als gewoon matroos zijn loopbaan begonnen hebbende,

onderscheidde hy zich echter hierin van Piet Hein, van Tromp, van

De With en anderen, dat hy niet van geringe geboorte was, maar uit

een adelijk geslacht gesproten, dat onder anderen aan Munster een

bisschop gegeven heeft, in onze geschiedenis te wel bekend. Van trap

tot trap naar hoogere bediening geklommen, was Jan van Galen in 't

jaar 1630, op zes-en-twintigjarigen leeftijd, door de Amiraliteit

van Amsterdam reeds aangesteld tot Kapitein, en boven verwachting

beäntwoordde hy aan het in hem gestelde vertrouwen. Het was aan zijn

weêrgâlooze stoutmoedigheid, gepaard aan een overkloek beleid, dat de

koopvaardyvloten, die van hier naar Noorwegen of naar de Baltische zee

voeren, haar veilige uit- en t'huisreizen te danken hadden. Niemand

was meer dan Van Galen doordrongen van het gewicht, om, in elke

moeilijke omstandigheid, steeds een onverschrokken houding aan te

nemen: nimmer week hy voor de overmacht; maar ook zelfs wanneer de

kans het nadeeligst scheen, was hy het, die den aanval begon. Onder

talrijke voorbeelden van dit koene zelfvertrouwen, waarmede hy elk

gevaar trotseerde, zij het genoeg er hier een enkel aan te halen.

In de lente van 1633 in zee gestoken op het schip Maurits, dat acht

stukken voerde en met zeven-en-tachtig koppen was bemand, in gezelschap

met zijn vriend en strijdmakker Cornelis Janszoon de Haen, ontdekte

hy op den 13. April vier zwaargebouwde kapers in lij. Ofschoon de

helft zwakker dan hun tegenpartij, hielden de Kapiteins het op den

vyand aan. Een van de vier schepen scheidde zich van de overigen af

en werd door De Haen nagezet, met zooveel drift, dat Van Galen zoowel

vlugteling als vervolger uit het gezicht verloor. Niemand had het

lafheid kunnen noemen, indien hy, zich nu alleen tegen drie bevindende,

een samentreffen ontweken ware; doch, wy hebben 't reeds gezegd,

wijken was geen woord, dat in 't glossarium van Van Galen geschreven

stond. Hy zet het op den vyand aan, klampt het schip, dat 't dichtst

by hem is, aan boord, beklimt en overmeestert het, en verneemt van den

schipper, dat deze een Lubekker en de beide anderen Duinkerkers zijn,

talrijk bemand, en in staat, om zich dapper te weren. Hierdoor des

te meer aangevuurd, verlaat hy den Lubekker, en maakt jacht op de

Duinkerkers, die de zeilen innemen en hem afwachten. Meer dan twee

uren bestrijdt hy de vyandelijke schepen, en, ofschoon de Maurits

door hun geschut als een zeef wordt doorboord, slaagt hy er in, het

eene op de vlucht te drijven en het andere te bemachtigen, terwijl

hy onder een hevigen storm zijn prijs behouden binnen voert.

Ongelukkig mocht hy het genoegen niet smaken, zijn vriend De Haen

met hem door zijn stadgenooten te zien verwelkomen. Wel had deze, die

tusschen twee kloeke schepen vervallen was, zich even manhaftig als

hy gekweten, het eene in den grond geboord en het andere doen wijken,

maar er zelf het leven by ingeschoten. Van Galen smaakte echter de

treurige voldoening, het lijk van zijn gesneuvelden krijgsmakker

naar de grafplaats te vergezellen, ter gelegenheid der plechtige

lijkstaatsie, die op last der Staten plaats had. Een prachtige tombe

viel De Haen te beurt, waarop deze regels te lezen staan, door Reael

te zijner gedachtenis vervaardigd:

Hier rust de helt, die van zijns vyands schepen

In zeven mael kwam zeven vlaggen slepen:

En gaf in 't laatst op twee zoo dapper vonk,

Dat d'eene vlood en d'andre by hem zonk.

Van toen af, tot in 1638, liep er geen jaar om, waarin Van Galen

niet een of meer roofschepen in den grond boorde, of naar Amsterdam

opbracht. Bestendig bleef zijn naam de schrik van de wateren der

Noordzee, en nimmer durfden vyandelijke vaartuigen, ook zelfs al was

de overmacht van getal aan hunne zijde, een aanval op hem wagen.

Tot nog toe had Van Galen altijd op eigen verantwoordelijkheid strijd

gevoerd, en de gevechten, door hem geleverd, waren voorgevallen in

eenzame zeeën, en zonder getuigen. In 1639 werd hem voor 't eerst

de lang gewenschte gelegenheid verschaft, om op een groot tooneel,

ten aanschouwe van vrienden en vyanden, het bewijs te leveren,

dat hy zich, niet alleen in byzondere ontmoetingen, maar ook in een

geregelden slag, onderscheiden, en zoowel gehoorzamen als gebieden

kon. Ter ondersteuning der vloot van Tromp gezonden, die voor Duins

lag, werd hy by diens eskader geplaatst, en genoot de eer, met hem

het Spaansche Amiraalschip aan te tasten. Vervolgends was hy het,

die Evertsen hielp ontzetten, toen deze in den ongelijken strijd

tegen de Mater Teresa te kort schoot: en, toen dit logge zeegevaarte

door de branders van Musch vernield was, vervolgde hy in de Hoofden

twee zware galjoenen, waarvan hy het eene in den grond schoot en het

andere als prijs opbracht.

De volgende acht jaren zagen Van Galen weder op gelijke wijze als

vroeger den bezem voeren over zee, en, waar hy zich vertoonde, haar

van vrijbuiters schoon vegen.

Maar de vrede met Spanje werd gesloten en een ander veld voor Van Galen

geopend. In 1649 naar de Spaansche zeeën gezonden, zoû hy thands de

Moorsche roovers bestrijden. Het was hier, dat hy, die zoo vaak aan

het gevaar ontgaan was om door het geweer des vyands of in de golven

om te komen byna door de handen van vuige moordenaars ware gevallen,

en zijn behoud alleen aan zijn alles trotserende dapperheid te danken

had. Twee galeien en een fluitschip, op de hoogte van Salee, veroverd

hebbende, was hy daarmede voor die stad ten anker gegaan. Van daar met

de boot naar Port Maria gevaren, alwaar hy een vrij aanzienlijke som

voor verkochte slaven te ontfangen had, werd hy zoolang opgehouden, dat

de avond reeds gevallen was, toen hy terugkeerde. Naauwelijks buiten de

haven zijnde, zag hy zich achtervolgd door een bark, met gewapend volk

bemand, en, terstond vermoedende, dat men het op het geld had gemunt,

't welk hy met zich voerde, gaf hy last aan de zijnen, weder naar wal

te roeien. Doch naauwlijks had men op de bark zijn doel bespeurd,

of het werd verijdeld. De roovers hadden zestien riemen aan boord,

waren hem spoedig op zijde en haalden hun wapens voor den dag, terwijl

de roeiers van Van Galen zoodanig van schrik bevangen waren, dat zy

de riemen naauwlijks gebruiken konden. Hy-zelf, kalm en onverschrokken

als altijd, en, bemerkende, dat men een donderbus aanbracht, om op de

boot te schieten, verzaakte ook nu zijn gewoonte niet, om den aanval

te beginnen, sprong op den kaerel los, die 't stuk aan zoû steken, en

deed hem terugdeinzen. Toen, zich op de plecht zijner boot stellende,

weêrstond hy gansch alleen, en zonder ander wapen dan zijn degen,

de geheele bende, die van pieken en ander geweer voorzien was. Een

oogenblik scheen het, of hy de roovers zoû doen terugdeinzen. Zijn

voorbeeld had by de zijnen den gezonken moed weder opgewekt: zy volgden

hem ten aanval: hy-zelf, hoezeer met wonden overdekt, deed met een

opgevatte riem een zijner bespringers in 't water storten; doch een

tweede bark kwam de eerste te hulp: twee zijner manschappen werden

door de kogels der roovers gewond: de overigen sprongen over boord en

zochten zich met zwemmen te redden, en de boot werd overmand. Van de

zijnen verlaten, onmachtig verder weêrstand te bieden, springt ook

Van Galen uit de boot. Wadende door het water, voelt hy zich door

een riemslag op 't hoofd getroffen: hy zinkt voorover en zijn degen

ontvalt hem; doch hy rijst op en bereikt het strand. Daar gekomen,

vindt hy, by een molen, waar hy bystand zoekt, een der roovers en een

zijner matrozen. Dezen moed in 't lijf sprekende, snelt hy, hoezeer

wapenloos, den roover tegen, knypt hem met de beide handen den strot

dicht, doet hem den degen ontvallen en werpt hem ter aarde. Doch twee

andere moordenaars schieten toe: de een geeft den held een kolfslag

op 't hoofd, die hem nedervelt: de ander zoekt hem met een dolk

te treffen, waarvan Van Galen nog den steek met de vingers weet te

keeren: waarna zy, hun slagtoffer dood wanende of voor ontzet beducht,

zich verwijderen. De matroos, hoezeer zelf door elf wonden verzwakt,

bracht echter zijn Bevelhebber naar de stad, waar de Landvoogd de

Hertog van Medina, zich juist bevond, die alle zorg droeg voor den

held, hem zijn lijfarts zond, en de roovers liet vatten en te recht

stellen. Tegen alle verwachting genas Van Galen zoo spoedig van zijn

wonden, dat hy binnen twaalf dagen weder aan boord was. Al zijn geld,

op 20 stukken van achten na, bekwam hy terug.

Men beseft, hoe een man als hem het verwijt moest grieven, hem in 1653

door de Staten gedaan, als ging hy in den oorlog tegen de Engelschen

maar slap te werk. Reeds in 't vorige jaar had hy by 't eiland Monte

Cristo het smaldeel van den Kommandeur Bodley aangetast, en, in weêrwil

dat zijn want aan flarden was geschoten, zijn schip zeven schoten

onder water bekomen had en drie malen in brand was geraakt, hy had de

Britten binnen Porto Longo gedreven, waar hy hen echter niet mocht

aanvallen, daar die haven aan een onzijdige natie behoorde. Thands,

het onbillijk verwijt der Staten niet kunnende verduren, schonk hy zijn

vyand gelegenheid, de haven te verlaten en zeilde naar Livorno, waar

zich de Engelsche Schout-by-Nacht Appleton bevond. Zijn verwachting,

dat beide eskaders hem nu te samen zouden aanvallen, werd op 14 Maart

verwezenlijkt. Hy houdt alsnu op Bodley aan, die hem van achteren

opkomt, doch, eensklaps van koers veranderende, werpt hy zich op

Appleton, vernielt drie zijner zeven schepen en dwingt er drie,

met hun Bevelhebber, tot de overgave. Slechts één ontkwam en koos,

met het eskader van Bodley, de vlucht.

Maar de overwinning, hoe glansrijk ook, was door den dood van den

Vlootvoogd duur betaald. Reeds de tweede kogel des vyands had hem

het been verbrijzeld. Lang verborg hy de wonde en bleef zijn bevelen

geven, zelfs nadat het been hem was afgezet. Naar Livorno gevoerd,

overleed hy aldaar den 23. Maart.--Zijn lijk werd op 's Lands kosten

in de Nieuwe Kerk te Amsterdam begraven, waar zijn graftombe nog is

te zien, met zijn beeld in marmer en daaronder deze regels:

Hier leidt in 't graf van eer de dappere Van Galen,

Die eerst ging buit op buit Castiliën afhalen

En met een Leeuwehart, naby 't Toskaner strant,

De Britten heeft verjaegt, verovert en verbrandt.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 31 / 41 题