Niet altijd wordt aan groote mannen, gedurende hun leven, de hulde
toegebracht, waarop zy aanspraak maken mogen. Een sprekend voorbeeld
van de waarheid dezer stelling levert ons Rembrandt van Rijn. Heeft
het nageslacht hem recht gedaan, ja, hem, schier zonder tegenspraak,
als aan een ster der eerste grootte in den kunsthemel, een plaats
aangewezen naast Rafaël, Michel Angelo, Rubens, Murillo, Van Dijck,
geheel anders was het oordeel, dat zijn tijdgenooten over hem
velden. Terwijl de schilders, hier genoemd, by hun leven reeds den lof
ontfingen, die hun toekwam, en zich met eerbewijzen zagen overladen,
moest er anderhalve eeuw verloopen, eer het genie van Rembrandt op zijn
waarde werd geschat, en zelfs toen nog was het noodig, dat de kroon,
die hem past als Vorst der Hollandsche schilderkunst, eer zy op zijn
hoofd in vollen luister prijken mocht, gezuiverd werd van de smetten,
waarmede onkunde en kwaadwilligheid haar bezoedeld hadden.
Onkunde en kwaadwilligheid. Zoo iemand, is Rembrandt daarvan het
slachtoffer geweest, en naauwlijks weten wy, by 't bewonderen van
zijn oorspronklijk en onovertrefbaar talent, of wy ons meer moeten
ergeren dan verbazen over de dwaasheden, uitgekraamd door toongevende
critici, ten eind zijne verdiensten als kunstenaar te verkleinen,
en hem als mensch verachtlijk te maken. Had men reeds vroeger hem
onder het eerste oogpunt leeren waardeeren, het is niet dan in
Mei 1852, ter gelegenheid der onthulling van het Standbeeld, hem te
Amsterdam opgericht, dat ook zijn karakter is gezuiverd van den blaam,
dien de laster daarover zoo kwistig en met zulk een welbehagen had
uitgestort. Maar hoe velen toen, by het aanhooren, later by het lezen,
van Scheltemaas doorwrochte verhandeling [5] tot andere inzichten
mogen gekomen zijn, toch kan het niet onnoodig geacht worden, by elke
gepaste gelegenheid, te zorgen, dat de uitkomsten, daarin medegedeeld,
meer en meer bekendheid erlangen. Voor onze lezers alzoo, voor zoo
verre die het werk van Scheltema niet bezitten, zal onze schets niet
overbodig zijn: wie aan de naauwkeurigheid daarvan twijfelt, zoeke in
de oirkonden, als bylagen achter dat werk geplaatst, de bewijsgronden,
welke het niet met ons bestek overeenkomt, aan te halen.
Rembrandt van Rijn werd in den jare 1608 te Leyden, in de Weddesteeg,
by de Witte Poort, geboren, en was de zesde van zeven kinderen,
door Herman Gerritsz. van Rijn verwekt by Neeltjen Willemsd. van
Zuidbroek. Zijn ouders waren welgestelde lieden, en lieten by
het sterven der langstlevende een niet onaanzienlijk vermogen na,
waarvan Rembrandt een vierde deel bekwam. Ofschoon oorspronklijk
voor de studie opgeleid, verliet de knaap, die reeds vroeg neiging
en aanleg voor de kunst betoonde, al spoedig het gymnasium, om zich
eerst drie jaren by Jakob Izaakszoon van Swanenburg, en later te
Amsterdam, by Pezer Lastman te oefenen. By dezen bleef hy een half
jaar, zette toen zijn studie voort onder de leiding van Jakob Pinas,
te Haarlem, en keerde eerlang naar Leyden terug. Doch reeds had hy
zich als schilder en teekenaar eenigen naam verworven, en daar hy zeer
weinig geld vorderde voor de portretten, welke hy vervaardigde, werd
hy meermalen naar Amsterdam ontboden, wat aanleiding gaf, dat hy zich,
omstreeks 1630 reeds, in die stad vestigde. Onder zijn goede bekenden
aldaar, wier afbeelsel hy vervaardigde, behoorde de Predikant Jan
Cornelis Silvius. Deze was met een Friesche vrouw getrouwd, die wel
eens bezoek ontfing van haar volle nicht Saskia, dochter van Rombertus
Uilenburg, die Pensionaris en Burgemeester van Leeuwarden geweest en
in 1624 als Raadsheer in 't Hof van Friesland gestorven was. Met deze
raakte onze schilder bekend, en zy, niet alleen van aanzienlijken en
deftigen huize, maar ook van tijdelijke middelen wel gezegend zijnde,
achtte het niet beneden zich, haar hand aan den burgerzoon uit Leyden
te schenken. Hun echt werd op den 22. Junij, 1633 te St. Anna-Parochie
in Friesland voltrokken, waar Saskia zich ophield ten huize van haar
zuster Hiskia, die gehuwd was met Gerrit van Loo, Sekretaris van de
Bildt. Slechts acht jaren mocht Rembrandt zich in 't bezit zijner gade
verheugen: zy stierf in 1642, aan Rembrandt een zoon achterlatende,
Titus genoemd, die mede de kunst beoefende, doch met geen gelukkigen
uitslag. Ofschoon Rembrandt zich als schilder veel naam en daardoor ook
een groot aantal leerlingen verworven had, en vrij wat bestellingen van
schilderyen en portretten ontfing, was hy toch geenszins de schilder
naar de mode, en zoû, indien hy van zijn kunst had moeten bestaan,
maar schraal zijn rondgekomen. Dit bleek in 1656, toen zijn boedel
in staat van kenlijk onvermogen werd verklaard, en zijne goederen
diensvolgends aan de Desolate Boedelkamer kwamen. Zijn huis op de
St. Antonies-Breêstraat, zijn huisraad, zijn schilderyen, in 't kort,
al wat hy bezat, werd gerechtelijk verkocht. De oorzaken van deze
noodlottige gebeurtenis moeten gezocht worden in de omstandigheid,
dat Rembrandt, een tweede huwelijk hebbende aangegaan, verplicht
was geweest, aan zijn zoon het moederlijk vermogen uit te keeren,
terwijl zijn eigen boedel, tengevolge van het plotseling dalen der
schuldbrieven, in waarde was verminderd, en de rampen van den oorlog
de zucht om de schilderkunst aan te moedigen by de natie een tijd
lang had doen verslappen.
Na den slag, die hem getroffen had, leidde Rembrandt een stil
en afgezonderd leven, geheel aan zijn studiën gewijd, tot dat hy,
in 1669, in een andere woning op de Rozegracht te Amsterdam, overleed.
Ziedaar het kort en onopgesmukt verhaal van zijn leven. By dat
van andere groote mannen heeft men doorgaands er naar gestreefd,
om aan te vullen wat in vroegere levensberichten ontbrak: by het
zijne moest men in-tegendeel in de eerste plaats terzijde stellen
al, wat aan de vroegere berichten iets pikants of zonderlings gaf,
doch geheel verzonnen of uit de lucht gegrepen was.
Van waar de verdichtselen ontsproten zijn, die men omtrent Rembrandt
heeft opgedischt, is moeilijk na te gaan; intusschen is hy niet
de eenige onder de beroemde kunstbeoefenaren van ons vaderland,
aan wien, zelfs door eerbiedwaardige schrijvers, een karakter, een
levensloop, handelingen en gezegden zijn toegekend, zonder dat voor
die toekenning eenige historische grond bestaat.--Ik weet maar ééne
oplossing van dat zonderling verschijnsel te geven. In den mond van
't volk liepen van ouds allerlei vertelsetjens van hebbelijkheden of
gebreken, waardoor poëeten of kunstenaren zich hadden onderscheiden,
van dwaze of kluchtige streken, door hen bedreven, van vreemde
avonturen, die hun waren overkomen. Een vertelsetjen van zoodanigen
aart mist doorgaands alle zout, wanneer men den naam van de persoon,
die 't betreft, er niet by noemt: zoo gebeurde het, dat men aan den
onbekenden held van ieder sprookjen een bekenden naam gaf, en aan
Vondel, aan Bredero, aan Jan Steen, aan Rembrandt enz., toeschreef,
wat, zoo door iemand, zeker door geen hunner gedaan, gezegd of
gedacht was. In de voorgaande eeuw, toen men algemeen begreep, dat
men het niet zoo naauw had te nemen met poëeten en kunstenaars,
een "slach van volkjen" dat men betaalde, als men 't noodig had,
doch waaraan men in den maatschaplijken rang een vrij lager trap
toekende dan aan ambachtslieden of winkeliers; in de voorgaande
eeuw, zeg ik, toen men ploerterigheid, liederlijkheid, zedeloosheid
en erger nog als onafscheidelijk achtte van het kunstenaarsberoep,
schepte men behagen in al zulke anekdoten als strekken konden, om die
meening te bevestigen, en Houbraken, toen hy zijn Grooten Schouburgh
der Nederlandsche Schilders uitgaf, en dien met een samenraapsel
van schandelijke logens vulde, bracht een offer aan den smaak en
de denkwijze van zijn tijd; ja, zelfs de anders zoo naauwgezette
Wagenaar, als hy, in 't laatste deel van zijn "Amsterdam", Rembrandt
onder de beroemde mannen noemt, die aldaar geleefd hebben, maakt zich
in een zeer kort, zeer oppervlakkig en niet byzonder vleiend artikel
van hem af, en schijnt, door naar Houbraken te verwijzen, het aldaar
geboekte als evangelie op te nemen. Ware Rembrandt een Burgemeester
of een Predikant geweest, de voorzichtige historieschrijver zoû zich
wel de moeite gegeven hebben, eens te onderzoeken of en in hoeverre
Houbrakens verhaal te vertrouwen ware;--maar Rembrandt was eenvoudig
een schilder; en met diens goeden naam mocht men gerust omspringen.
Had echter Wagenaar zich de nasporingen getroost, welke latere
waarheidminnaars gedaan hebben, hy had zich kunnen overtuigen, dat het
artikel van Houbraken over Rembrandt, van 't begin tot aan 't slot,
niet anders is dan een roman. Onwaar is al wat Houbraken (en zijn
naschrijvers op zijn spoor) vermeldt aangaande 't jaar en de plaats
van Rembrandts geboorte: onwaar, dat Saskia Uilenburg een boeredochter
uit Waterland geweest zoû zijn: onwaar, dat onze schilder zich door
geldgierigheid en geldverkwisting tevens (!) zoû onderscheiden hebben:
onwaar al de sprookjens, die als bewijzen daarvan worden opgedischt.
Maar, hebben zy, die over Rembrandt schreven, voor 't minst zijn
talent gespaard? Helaas! men heeft wel niet geheel ontkend, dat hy
eenige verdiensten bezat; maar toch, indien 's mans onsterflijke
werken niet meer bestonden, om een getuigenis voor hem af te leggen,
die 't onverstand tot zwijgen brengt, indien wy ons oordeel over zijn
bekwaamheid als schilder uitsluitend moesten laten afhangen van dat
zijner tijdgenooten en levensbeschrijvers, wy zouden er geen grooten
dunk van koesteren.--Wy hebben het reeds gezegd: Rembrandt behoorde
niet tot de meest begunstigde schilders van zijn tijd en was vrij
wat minder in trek dan Sandrart, dan Mierevelt, dan Van der Helst,
dan Honthorst, dan zijn eigen leerlingen, Ferdinand Bol, Govert Flink
en Filips Koning. Verlangt men eenig bewijs voor dit beweeren?--Onder
de schilders, wier kunstvermogen de Regeering van Amsterdam inriep,
om den inwendigen luister te verhoogen van het nieuw gebouwde Stadhuis,
wordt Rembrandt niet genoemd: en Vondel, die, waar 't zaken van smaak
betreft, wel als de tolk beschouwd mag worden van het toongevend
publiek zijner eeuw, Vondel, die aan byna alle kunstenaren van zijnen
tijd lof- en eerevaerzen toezingt, noemt Rembrandt niet meer dan eens,
en wel in een onbeduidend vierregelig dichtjen, dat hy tot hem richt,
niet om te prijzen, maar om de onmacht te beschrijven des schilders,
die alleen 't gelaat, niet de stem eens redenaars kan teruggeven.
Zoo wy de reden willen weten van den weinigen opgang, dien Rembrandt
by de "Kunstmecenen" van zijnen tijd gemaakt schijnt te hebben, zal
die vermoedelijk juist daarin dienen gezocht te worden, dat hy in zijn
portretten de waarheid al te getrouw teruggaf. Hy wilde er zich niet
toe leenen, verouderde of onbehaaglijke trekken met een waas van jeugd
of bevalligheid op te luisteren: noch op een van nature dom gelaat een
straal van vernuft te doen schitteren: hy beeldde getrouw af, wat hy
zag: en dat was niet de weg om hem de gunst te doen verwerven van een
publiek, dat altijd eenige ydelheid bezit en zal blijven bezitten. En
daarby: onder dat publiek zijn veel groote kinders, die, even als de
kleine kinders, 't liefst heldere kleuren en schoon gewasschen beelden
zien. "Men heeft het altijd in Rembrandt berispt", zegt Wagenaar,
"dat hy 't leeven met gebreken met al te digt volgde". En wie waren
die men, wie waren die kunstrechters, wier vonnis over onzen schilder
door den zoo voorzichtigen Wagenaar wordt overgenomen, als gewezen in
't hoogste ressort? Het was, in de eerste plaats, Andries Pels, die
zich in de laatste helft der zeventiende eeuw op den troon der kritiek
geplaatst had en vandaar zijn orakelen sprak, anderhalf-honderd jaren
lang door een tallooze schaar van Midassen en Pygmeën nog beäamd. Men
leze, hoe hy, tien jaren na Rembrandts dood, hem in zijn "Gebruik en
Misbruik des Tooneels," betytelt, als:
Den grooten Rembrand, die 't by Titiaan, Van Dyk,
Noch Michiel Angelo, noch Rafel zag te haalen,
En daarom liever koos doorluchtiglyk te dwaalen
Om de eerste ketter in de Schilderkonst te zyn...
...Die schoon hy niet voor een van all' die meesters week
In houding, noch in kracht van koloryt bezweek,
Als hy een' naakte vrouw, gelijk 't somtyds gebeurde,
Zou schild'ren, tot model geen Grieksche Venus keurde,
Maar eer een waschter of turftreedster uit een schuur,
Zijn dwaaling noemende navolging van Natuur,
Al 't ander ydele verziering.
Wat verder berispt Pels onzen schilder,
Die door de gansche stad op bruggen, en op hoeken,
Op Nieuwe en Noordermarkt zeer yvrig op ging zoeken
Harnassen, Moriljons, Japonsche Ponjerts, bont,
En Rafelkraagen, die hy schilderachtig vond,
En vaak een Scipio aan 't Roomsche lichaam paste,
Of de eedle leden van een Cyrus meê vermaste.
Men ziet het, de verstandige zucht van den schilder om van alom datgene
samen te gaderen, wat hem 't meest van dienst kon zijn, om aan zijn
figuren een schilderachtig voorkomen te geven, dat rondsnuffelen
naar oudheden, wat onze hedendaagsche kunstenaars zoo gretig en zoo
wijslijk navolgen, die yver, in een woord, voor het beöefende vak,
werd door Pels in een belachlijk daglicht gesteld.
Heden ten dage bezit men vrij algemeen de overtuiging, dat een
armoedige dosch, ja de lompen eens bedelaars, waar het naakte vel
door heen speelt, aantreklijker voorwerpen zijn voor het penceel
des schilders, dan lakensche rokken vol ridderorden, dan prachtige
uniformen met gouden epauletten, dan zijden japonnen en Perzische
sjaals. Maar zóó dachten Pels en dergelijke Aristarchen niet,
in wier oogen de eenvoudige natuur geen genade kon vinden, en die
alles afkeurden, wat geen navolging was der klassieke oudheid. Ja,
zóó zonderling en dwaas vond men dien "gril" van Rembrandt, om geen
idealen te scheppen, maar na te volgen, wat hy met de oogen zag,
dat men zijn zoeken van modellen by lieden uit de volksklasse niet
anders wist te verklaren, dan door zekere verachtlijke neiging,
die hem aanspoorde, om by voorkeur om te gaan met onbeschaafd en ruw
volk. Even als had Rembrandt, het naakt leven willende bestudeeren,
een andere keuze gehad! Amsterdam was het oude Griekenland niet,
waar de vrouwen uit den hoogsten rang het zich tot een eere rekenden,
voor het oog der Apellessen of Fidiassen ook den lesten sluier te doen
vallen, die haar schoone vormen bedekte: en geen Burgemeestersdochter
zou zich hebben ontkleed, om Rembrandt tot model te dienen. Maar
ook bovendien wordt de beschuldiging, tegen hem ingebracht, door
feiten wedersproken. Zoû een man, die lage en gemeene neigingen had,
door een achtbaren Regent als Tulp beschermd zijn geweest? had de
smaakvolle Joan Six aan diens kunstwerk een plaats aangeboden in zijn
vriendenrol? had hem de gemoedelijke Jeremias de Decker zijn vriend
genoemd?--En dat die naam geen zinledige beleefdheidsklank was,
blijkt uit den inhoud van 't klinkdicht, waarin die voorkomt:
Uw meesterlijke streken,
Vriend Rembrandt, heb ik eerst zien gaan langs dit paneel;
Dus moet mijn pen wat ryms van uw begaafd penseel,
En mijnen inkt wat roems van uwe verwen spreken.
Men ziet het, de Decker had de schildery, waarover hy hier spreekt,--de
afbeelding, namelijk, van den verrezen Kristus en Maria Magdalena--door
den kunstenaar zien schilderen: wat niet mogelijk kan geweest zijn, of
hy moet hem op zijn werkplaats bezocht, en wel vertrouwlijken omgang
met hem gehad hebben. Die vertrouwlijke omgang blijkt, bovendien,
uit de omstandigheid, dat Rembrandt de afbeelding van De Decker
schilderde, en, dat niet, zoo als deze zelf betuigt,
En dat niet om daaruit wat loons te mogen spinnen,
Maar louterlijk uit gunst.
Dan genoeg over de ongerijmde beschuldiging.
Berispte Pels onzen grooten schilder over hetgeen hy zijn "doorluchtig
dwalen" noemt, Houbraken ontzegt hem zelfs de verdienste der
oorspronklijkheid, als hy, in zijn Schouburgh, van Pinas gewagende,
zich aldus uitlaat: "zijn penseelwerk helde naar den bruinen kant,
waarom velen gelooven, dat Rembrandt hem daarin nageaapt heeft;"--ja,
nageaapt, gelijk Virgilius het Ennius, Shakespere en Molière het hun
vergeten voorgangers gedaan hebben!
Het herhaald overwerken door Rembrandt van zijn kunstgewrochten,
vooral van zijn etswerk, moest mede aan de vroegere beoordeelaars
van zijn talent stof tot gisping bieden. Verre van daarin den
rusteloozen arbeid te willen zien des waarachtigen kunstenaars,
die, nimmer geheel voldaan over 't geen zijn hand verricht heeft,
altijd naar volmaaktheid streeft, en elke feil zoekt te verbeteren,
elke schoonheid te verhoogen, wilden zy daarin een bewijs vinden
van lage geldzucht en onverzadelijk winstbejach. Die varianten op
dezelfde plaat moesten dienen, zoo 't heette, om, met kleine moeite,
veel gelds te maken. Men leze, by Scheltema, de zoo bescheidene,
zoo kiesche brieven, door Rembrandt geschreven aan Constantijn
Huygens, betreffende den prijs van een tweetal schilderyen, door
Prins Frederik Hendrik besteld: de inhoud daarvan is toereikend,
om allen blaam van gierigheid te wederspreken.--Neen! men kome met
afdoende gronden aan, of men eerbiedige voortaan ook het karakter des
grooten mans, gelijk men nu reeds voor een tal van jaren zijn talent
heeft leeren eerbiedigen.
Over dat talent zullen wy hier niet uitweiden: wanneer in alle groote
kunstverzamelingen van Europa scheppingen van zijn penceel of etsnaald
elks bewondering worden aangeboden, wanneer ons Vaderland vooral zich
verheft op het bezit van zijn heerlijkste gewrochten--de afbeeldsels
van Burgemeester Six en van Anna Wymers, de Les in de ontleedkunde, den
Schutters-optocht--en van de rijkste verzameling zijner prentwerken,
dan is het noodeloos, door de herhaling van hetgeen elders, meermalen,
en beter dan wy het doen kunnen, is gezegd, nog een betoog te leveren
van wat ieder, die van kunstgevoel niet geheel is verstoken, met eigen
oogen kan zien. En dan zegt niemand langer, met Pels, dat Rembrandt
het niet halen kon by Titiaan, by Rafaël, Michel Angelo of van Dijck,
maar dat hy, nevens die groote mannen, door eigen en oorspronklijke
grootheid schittert:--dan zegt niemand langer, met Houbraken,
dat Rembrandt Pinas naäapte, maar dat hy zich een verhevener, een
onsterflijk, nimmer verouderend voorbeeld ter navolging had gekozen,
en dat voorbeeld teruggaf met een waarheid, welke niemand vóór of
na hem heeft weten te bereiken. Indien het mogelijk ware, aan eene
der scheppingen van Gods almacht een rang boven de overigen aan
te wijzen, zoo zoû die, voorzeker, toekomen aan de schepping van
het licht. Rembrandt streefde den Schepper na, in zoo verre dit den
mensch doenlijk en geoorloofd is. God had gezegd: "er zij licht" en
het licht doorstroomde het heelal: en toen Rembrandt, in zijn geest,
dezelfde woorden uitte, toen, aan zijn gedachte gehoorzaam, stroomde
het licht in vollen glans en helderheid over koper en paneel.