LEONARDUS MARIUS.

Hoe talrijk ook de mannen waren, die in de dagen van Frederik Hendrik

zich aan de wetenschap hadden toegewijd, en hoe velen onder hen

by hun tijdgenooten hoogen lof en eere hadden verworven, toch viel

niet aan elk hunner, ook waar de verdiensten gelijk stonden, gelijke

vermaardheid by het nageslacht te beurt. Reeds by een oppervlakkig

onderzoek zal men kunnen opmerken, dat de namen der geleerde

Nederlanders uit die eeuw, voor zoo verre zy nog heden ten dage, niet

by enkelen, maar algemeen, bekend en beroemd zijn gebleven, gevoerd

zijn geworden door personen, die zoo niet tot de Remonstrantsche

Broederschap, althands tot de Remonstrantsgezinden behoorden. Byna by

uitsluiting zijn het hunne schriften, die, zoo niet algemeen gelezen,

dan voor 't minst algemeen aangehaald of op krediet geprezen worden;

terwijl de schriften hunner tegenstanders of geheel vergeten of weinig

meer bekend zijn. Zoo heeft b. v. de Kerkelijke Historie van Brandt

by de nakomelingschap die van Triglandt geheel verdrongen, niet zoo

zeer omdat zy, later komende, vollediger geächt kon worden, niet om

dat de styl van Triglandt in voortreflijkheid zoo zeer by dien van

Brandt zoû achterstaan, maar om dat Brandt een geestverwant was van

Arminius, terwijl Triglandt tot de Synodale party behoorde. Welke

redenen men aanvoere, om het verschijnsel te verklaren, waarvan wy

zoo even gewaagden, die verklaring moet vooral gezocht worden in de

omstandigheid, dat de letterkundigen, de critici, zy in één woord,

die later in Nederland de uitdeelers waren van den roem, niet tot de

heerschende Kerk behoorden, of, al mochten zy in naam Gereformeerden

heeten, toch in de daad tot de begrippen der dissenters overhelden. De

bontgenootschaplijke geest, die, oorspronklijk door behoefte aan

verdediging tegen vervolgzieke overheersching in 't leven geroepen,

zich reeds in de eerste helft der zeventiende eeuw gevormd, en op

't veld der letteren alras den boventoon verkregen had, bleef dien

ook later, bleef dien ook nog tot in onze eeuw behouden, en het was

zijn bestendige politiek, al de verdiensten van al wie niet tot de

party behoord had, te verkleinen, te ontkennen, of, wat erger was,

er geheel geen gewach van te maken. Het natuurlijk gevolg hiervan

moest zijn, dat by de menigte, die van haar meest invloedrijke

leermeesters geen ander dan een zeer éénzijdig onderricht ontfing,

de letterkundige aanspraken van hen, die elders teruggezet waren,

van lieverlede niet dan met minachting werden vermeld, of geheel in

't vergeetboek raakten. Maar trof een zoodanig lot velen onder de

Contra-remonstrantsche schrijvers van vroegeren tijd, nog vrij wat

meer trof het de Roomsgezinden. De rol, welke de Contraremonstranten

der zeventiende eeuw ook op het politiek tooneel gespeeld, het

aandeel, dat zy in de heftige twisten van dien tijd hadden genomen,

had ten gevolge, dat, zoo al hun schriften niet meer genoemd werden,

hun namen toch by ieder bekend bleven. Doch met de Roomschgezinden

was het geval geheel anders geweest: buiten de Staatskerk geplaatst,

hadden zy den strijd, die daar gestreden werd, die verdeeldheid in

't vyandelijke kamp, met welgevallen kunnen beschouwen, doch zy hadden

zich by geene der partyen als bondgenooten kunnen aansluiten, vooral

zich niet wagen op dat politiek terrein, waarop zoo herhaaldelijk de

oorlog werd overgebracht. Hun beschouwingen moesten uit den grond

der zake dan ook meer uitsluitend van bespiegelenden aart zijn,

en meer uitsluitend ten behoeve hunner geloofsgenooten geschreven;

doch daarom ook minder by andersdenkenden in 't oog vallende, minder

de aandacht trekkende van 't algemeen. De kritiek las hun schriften

niet. Zy vestigde er niemands aandacht op, en wie later kwam hoorde

zelfs de namen der schrijvers niet noemen.

't Is waar, men kan ons het voorbeeld van Vondel tegenwerpen. Vondel

was katholiek, tastte als zoodanig de andersdenkenden aan, dorst

zich daarby op politiek terrein begeven,--en toch--zijn naam is

nog steeds boven dien van alle andere Nederlandsche schrijvers

vermaard. Intusschen, de tegenwerping heeft slechts schijnbaar eenige

kracht. Vondel had zijn standpunt als Nederlands hoofddichter reeds

ingenomen, toen hy tot de Roomsche Kerk overging, en het is de vraag,

of, zoo hy niet aanvankelijk in geheel Remonstrantschen zin geschreven

en daarom ook tot loftrompetters de volgers en vrienden van Armijn

had gehad, mannen als de Groot, Reael, Hooft, Vossius, van Baerle en

dergelijken, (juist de zoodanigen, wier uitspraken door de latere

beoordeelaars werden nagebaauwd), of dan wel immer aan zijn genie

de hulde, die er aan toekomt, ware gebracht. Wy gelooven het niet:

en wy meenen zelfs deze onze bewering te kunnen bewijzen uit de

omstandigheid, dat, terwijl de letterkundige gidsen uit vroegeren en

lateren tijd bestendig met veel ophef spreken over Vondels treurspelen

en Anti-Synodale hekeldichten, zy zelden ook met een woord gewach maken

van de talrijke gedichten, door hem tot verdediging en verheerlijking

van de Roomsche kerk en hare dienaars geschreven. Maar zelden was

er een onder hen, die ze las, en de massa, die Vondel kent als den

dichter van Gijsbreght en van het liedtjen op de "Weeghschael van

Holland", zoû hem vermoedelijk nimmer gekend hebben, indien hy alleen

de "Altaergeheimenissen" en de "Bespiegelingen" geschreven had, in

weêrwil van al het heerlijke, dat er in voorkomt. 't Is waar, men kent

vrij algemeen zijn "Maria Stuart;" maar juist in dat Treurspel had hy

zich, ofschoon Katholiek, en als zoodanig, op politiek terrein durven

wagen: en 't bekwam hem slecht genoeg om 't nooit weêr te beproeven.

Maar van hen, die nimmer, gelijk Vondel, het voorrecht hadden, door de

toongevers te worden opgehemeld, van hen kan men zeggen, wat Horatius

zegt van de helden, die vóór Agamemnons tijden geleefd hadden:

Omnes illacrimabili

Iacent ignotique longa

Nocte, carent quia vate sacro:

Zy slapen in de nacht der vergetelheid, omdat zy--een heiligen zanger,

zegt Horatius, maar wy zeggen--de gunst der lofbedeelers misten.--Ons

echter, die, het tijdvak van Frederik Hendrik beschouwende, in deze

onze galery geene soort van verdienste onherdacht mogen laten, ons

betaamt, een billijker maatstaf te bezigen, dan waarvan zich eene

aan sleur gewende kritiek bediende, en wanneer wy den roem van die

groote mannen verheffen, wier namen wy van oudsher op den voorgrond

geplaatst en, eeuw uit eeuw in, met uitbundigen lof vermeld vonden,

dan past het ons, ook verder te zoeken en op te sporen, of zich

niet hier of daar op den stillen achtergrond een naam bevindt, die,

al is hy minder schitterend, toch evenzeer verdient in een helder

licht geplaatst te worden. Zoo alleen ontgaan wy het verwijt, dat wy

ons zouden vergenoegen, den blooten weêrklank terug te geven van wat

vroeger gezegd is.

En stellen wy zoodanig onderzoek in, dan treffen wy er spoedig

meer dan een onder die Roomschgezinde geleerden aan, die in onze

galery een waardige plaats bekleeden zoû, en aarzelen wy slechts of

wy die zullen inruimen aan cierlijke dichters, als de Plempen, aan

hooggeplaatste Kerkvoogden als Rovenius, aan bekwame theologen als

Wuytiers of Kracht. Maar de overweging, dat ten deze de voorkeur moet

gegeven worden aan zoodanig een, die zich vooral onderscheidde door

den invloed, welken hy, schoon dan ook op minder in 't oog vallende

wijze, op zijn tijdgenooten uitoefende, heeft ons doen besluiten, die

plaats te geven aan een man, die, in de dagen van Frederik Hendrik,

door handel en wandel, door leering en geschriften, de eer en de

belangen der Roomsche kerk niet alleen met wondere bekwaamheid,

maar ook met wonderen voorspoed handhaafde, een man, die, wellicht

meer dan een zijner ambtgenooten, zijn arbeid vruchten dragen zag,

den even geleerden als beschaafden en beminnelijken Leonardus Marius.

Te Goes, in de stad, die Eversdijk en Smallegange had voortgebracht,

en eerlang het licht zoû schenken aan Antonides, was Marius in den jare

1588 geboren. Voor den geestelijken stand opgeleid, had hy, reeds op

jeugdigen leeftijd, door zijn kennis der beschaafde wetenschappen,

der Oostersche talen in 't byzonder, een schitterende vermaardheid

verworven, zoo zelfs, dat hy, nog maar even dertig jaren oud zijnde,

aan 't hoofd gesteld werd der kweekschool, te Keulen opgericht,

ten behoeve van hen, die uit Holland werden gezonden, om zich voor

den geestelijken stand te vormen. Vandaar werd hy in 1631 naar

Amsterdam geroepen en aldaar tot Pastoor van de Oude Zijde en tot

Overste van 't Begijnhof aangesteld; terwijl hy zich eerlang ook de

voornaamste bedieningen, als het Deken- en Vikarisschap van Haarlem,

op zag dragen. Talrijke schriften in de Latijnsche taal getuigden van

zijn vlijt en geleerdheid, en nog bewaart de boekery te Leuven niet

minder dan twintig deelen van zijn hand geschreven, en aanteekeningen

behelzende op de Heilige Schrift. Doch prijkt zijn naam voluit voor

de werken, welke hy, in de taal der geleerden, en voornamelijk te

Keulen, in het licht zond, meer omzichtig ging hy te werk, toen hy

te Amsterdam en in 't Nederduitsch over geloofspunten handelde, en

het was niet dan onder verdichte namen, dat hy zich tegen Episcopius

en anderen in een kampstrijd begaf.

Maar werkte hy door middel der pers, het was vooral door mondeling

onderwijs en vromen wandel. Geen dag schier ging er voorby, waarop

hy niet, 't zij in zijn huiskapel, 't zij elders in de stad gepredikt

had. Aan vastheid van karakter en kracht van redeneertrant de grootste

minzaamheid parende, bevestigde hy metterdaad de zinspreuk fortiter

et suaviter, welke hy zich gekozen had, en met recht kon Vondel,

zinspelende op die spreuk en tevens op 's mans voornaam, tot hem

zeggen:

Gy, Leo, zijt wel sterk, maer zoet als Nardus geur.

Door beide hoedanigheden wist Marius de achting en het vertrouwen

zijner stadgenooten te verwerven, waarvan dagelijks vele, ook

Onroomschen, zijn raad in moeilijke omstandigheden kwamen inwinnen. Was

het wonder, dat meer dan een, die er zich wel by bevonden had, by een

volgende gelegenheid terugkeerde, zijn bezoeken eerlang herhaalde,

meer en meer op gemeenzamen voet met hem omging, tot dat hy, nu

ook over geloofspunten met hem redeneerende, allengs zwichtte voor

's mans scherpzinnige dialektiek en overredingskracht en van zijn

vereerder zijn prozeliet werd. Groot althands was het aantal der

nieuwe ledematen, welke Marius, ook uit de aanzienlijkste Gereformeerde

geslachten der stad, voor zijn Kerk wist te winnen, en, wat voor hem

een streelende zelfvoldoening wezen moest, onder zijn bekeerlingen

mocht hy mannen tellen, met kunde, geleerdheid en vernuft bedeeld,

hoedanigen het genoeg is, den vermaarden Bernhard Nieuhusius, die

by de Lutherschen--en Jacob Ouzeels, die by de Gereformeerden--het

predikambt had bekleed, maar bovenal Joost van den Vondel te noemen:

en waar wy laatstgemelde in de heerlijkste poëzy en tevens met

verwonderingswaardige belezenheid, aan ongelijkbare klaarheid in de

voorstelling gepaard, de voornaamste gronden voor het Pausdom zien

verdedigen, daar beseffen wy, hoe bekwaam de onderwijzer zijn moest,

die zulk een leerling overtuigen en tot medestrijder vormen kon.

Zoo milddadig was Marius by zijn leven geweest, dat, toen hy den

18 October 1652 overleed, er geen genoegzame gelden by hem gevonden

werden, om hem ter aarde te doen bestellen. Diep werd dan ook zijn

overlijden betreurd, en gewis stemden velen in met de aandoenlijke

regels, waarmede Vondel zijn lijkzang op zijn vriend en leermeester

besluit:

Hoe treuren wy, verlaten

Van U, die liefgetal by alle staten,

U schikte naer 't begrijp

Van yders brein, of vroegh, of spader rijp!

Wie kon zoo harten winnen?

Door eendraghts bant verbinden zoo veel zinnen,

En stieren ze, in dees zee

Van zwarigheên, aan een behoude reê?

De tortel laat zich hooren:

Ik heb mijn gade aan Marius verloren.

De Maeght en 't Weeskint krijt:

Wy zijn helaes! ons' tweeden Vader quijt.

Zoo vele letterkloeken,

Die raet aan hem en zijn orakels zoeken,

Verstommen, nu hy zwijght,

En niemant op zijn vragen antwoort krijght.

Wy volgen 't lijck met staetsi:

Een arrem loon voor gulde predicati,

Gedienstigheên en deught.

Het paradijs beloon' hem in Godts vreught.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 29 / 41 题