CASPAR VAN BAERLE.

By het sluiten van het Twaalfjarig Bestand, was Amsterdam uit de

worsteling met Spanje rijk en machtig voor den dag getreden. De

schatten uit de Indiën stroomden naar de kantoren en magazijnen der

handelaren, en alle volkeren der waereld waren cijnsbaar geworden

aan het Y. Waar de beschaving zich, door gedurige wrijving met

vreemdelingen, meer en meer ontwikkelt, doet zy steeds nieuwe behoeften

ontstaan en nieuwe wenschen voeden. Het was weldra voor de Regenten

van Amsterdam niet genoeg, de stoffelijke welvaart in hun Staat te

zien vermeerderen; ook voor de zedelijke moest gezorgd worden. Aan

Leyden--zoo oordeelden zy--moest niet langer het uitsluitend monopolie

van het hooger onderwijs verblijven: by de eenzijdigheid in begrippen

en leerstellingen, die aldaar heerschte, kon het noch ongepast, noch

onnut worden beschouwd, dat er nog een tweede instelling bestond,

waar een andere richting werd aangenomen: nevens het nieuwe Bedehuis,

door de Remonstranten gesticht, mocht ook wel een School bestaan,

in welke de openlijke of bedekte aanhangers hunner gevoelens de

beginsels, welke zy waren toegedaan, hoorden verkondigen, althands

niet hoorden verketteren: en zoo werd in 1632 het Athenaeum illustre

te Amsterdam gesticht. De Regeering begreep echter wijslijk, alle

botsing met de Staatskerk te moeten vermijden: zy gaf daarom aan de

nieuwe Kweekschool een bloot wetenschappelijke, geen godgeleerde leuze:

twee leerstoelen werden er by opgericht: de een, voor het onderwijs in

de geschiedenis bestemd, werd aan Vossius gegeven: tot den anderen,

bestemd voor het onderwijs in de wijsbegeerte en welsprekendheid,

beriep men Caspar van Baerle.

Ware de keuze van dezen laatste gelukkig geweest onder alle

omstandigheden, zy was het vooral daarom, omdat zy aan den nieuw

gekozen leeraar wederom een loopbaan openstelde, welke hy eenmaal

was ingetreden, doch sints een geruimen tijd voor zich gesloten

achtte. In 1617 tot Hoogleeraar te Leyden beroepen, had hy zich,

in 1621, ten gevolge van zijn verkleefdheid aan de beginselen der

Remonstranten, van zijn ambt ontzet gezien, en daardoor tien jaren

lang de gelegenheid gemist, om in uitgebreiden kring nuttig te zijn

door de mededeeling zijner veelvuldige kundigheden. Die gelegenheid was

hem nu weder verschaft; en de vermaardheid, welke hy zoo wel als zijn

ambtgenoot zich bereid hadden verworven, lokte aldra naar hun onderwijs

een tal van leerlingen, 't welk dat der Leydsche Akademie-burgers

bykans evenaarde. De verdiensten, waardoor zich een voortreffelijke

leermeester onderscheidt, behooren niet tot de zoodanige, welke haren

bezitter een roem verschaffen, die den tijdgenoot verblindt en by de

nakomelingen voort blijft leven: zy worden alleen bekend en bewezen

uit hare middelijke gevolgen op anderen: zy zijn, by andere, meer in

't oogloopende verdiensten vergeleken, wat de lucht is, vergeleken

by het vuur. Van het vuur gevoelen wy niet alleen den gloed; maar

wy zien het vonkelen, flikkeren, blaken: en het wekt door den glans,

door de verscheidenheid zijner kleuren, onze bewondering;--de lucht

daar-en-tegen wordt niet gezien; doch haar invloed blijft daarom niet

minder wezentlijk, niet minder weldadig, ja gezegend. Gezegend en

weldadig was dan ook de invloed, dien Van Baerle door zijn lessen,

door zijn raadgevingen, door zijn goeden smaak, door zijn voorbeeld,

uitoefende op de jonge lieden, die 't voorrecht hadden, zijn onderwijs

te genieten: en zoo danken wy het grootendeels aan hem, dat het

tijdvak van Frederik Hendrik zich ook door wetenschappelijk-wijsgeerige

ontwikkeling kenmerkte.

Maar, al ware het niet geweest krachtens zijn verdiensten als leeraar

aan de Doorluchtige School, in elk geval had Van Baerle een plaats in

deze Galery van beroemde mannen verdiend: zoo door zijn keurige en

talrijke proefschriften, over de meest uiteenloopende onderwerpen,

als om de voortreffelijke wijze, waarop hy de eer der Latijnsche

Zanggodinnen in Nederland ophield. Weinigen onder hen, die 't

waagden, de oude dichters in hun eigen taal na te zingen, slaagden

daarin even gelukkig als Van Baerle: nog zeldzamer werd hy daarin

overtroffen. 't Zij hy op verheven toon den lofgalm aanheft ter eere

des Verlossers, de troonsbestijging van Karel I, of de uitvaart van

Gustaaf Adolf viert, Bernhard van Saxe of Richelieu bezingt, 't zij hy

triomfklanken doet hooren op de overwinningen, door Frederik Hendrik

behaald, Vorst Joan Maurits by zijn terugkomst uit Braziel of Prins

Willem by zijn echtverbintenis met Maria van Engeland, of Maria de

Medicis, by haar bezoek te Amsterdam, geluk wenscht, 't zij hy zijnen

talrijken vrienden by de belangrijkste gebeurtenissen huns levens

zijn deelneming in korte of meer uitgebreide zangen betuigt, 't zij

hy de meest treffende bybelstoffen in roerende elegiën behandelt, 't

zij hy, nu eens ernstige, dan eens boertige onderwerpen van den meest

uiteenloopenden aart behandelt, altijd is de vorm in overeenstemming

met den inhoud: zijn stijl, naar 't past, beurtelings grootsch,

statig, zwierig, deftig, vrolijk, schalksch, maar altijd cierlijk,

altijd zuiver en behagelijk, vrij van noodeloozen opschik, doch aan

wel gekozen beelden en aan gelukkige gedachten rijk.

Nu en dan, ofschoon dan ook maar zeldzaam, sloeg Van Baerle de hand

ook aan de Hollandsche lier. Zoo b. v. toen Tesselschade haar vrienden

op het Muiderslot verrast had met een geestig bewerkt en vercierd

festoen van herfstvruchten, bedankte hy haar op staande voet met dit

geestig gedicht:

Geluckige Sale, daer 't Weeutjen in spoockt,

Geluckige Schouwe, daer 't selden in roockt!

Wie schildert u dus, wie stelt u te pronck?

Wie maeckt u dus kruydig, dus aerdigh, dus jonck?

Is Flora gevallen uyt Junoos paleys?

Is Pales in aentocht? Is Ceres op reys?

Heeft Hebe gevlochten dit trotse festoen?

Pomona getempert het root met het groen?

Neen, 't is noch Godinnen noch Goden hun vondt,

Zelfs staen zy verbaest, en sy seggen in 't rondt:

De wasdom is ons, die konst van een handt,

Die self oock de nydt door haer geest heeft vermant.

Ick sie, seyde Ceres, mijn lof en mijn halm:

Ick hoor, sey Pomoon, mijner bladeren galm:

Ick rieck, seyde Flora, de vrucht en de blom,

Die 't son'tje van 't Oost treckt westerwaert om:

Ick voel, sprak Juventa, mijn appeltjens ront,

Ick proeve, sprack Pales, mijn pruymtjes gesont.

Doe sey de Poeêt: het is Tesseltjens doen,

Die 't oude maackt jonck en de steenen maeckt groen.

O Tesselscha! leeft van de Goden gekust,

Die al de vijf sinnen kunt geven haer lust.

Ook in de overige Nederduitsche gedichtjes van Van Baerle heerscht een

gelijke losheid en bevalligheid, die aan den lezer, voor zoo verre

hy geen Latijn verstaat, een denkbeeld kan geven van het poeëtisch

vernuft des vervaardigers.

Onder de redenen, waarom Van Baerle met zooveel zegen werkzaam was

te Amsterdam mogen wy vooral rekenen de beminnelijkheid van zijn

zacht en vredelievend karakter, dat, zoo wel tot luchtige vreugde als

statigen ernst gevormd, bestemd scheen by al wie hem kende genegenheid

en vertrouwen in te boezemen. In 1627 had hy het tweede huwlijk van

den Drossaert bezongen, en van dat tijdstip was tusschen hen beiden

een vriendschap ontstaan, die zonder verkoeling tot aan hun dood

bleef voortduren. De vrienden van Hooft bleven ook de zijne. Voor

Tesselschade voedde hy een meer teeder gevoel en, toen zijn gade hem

ontvallen was, zocht hy--hoewel vruchteloos--de schoone Alkmaarsche

weduwe te bewegen, hem dat verlies te vergoeden. Met Vondel bleef hy

bestendig op den besten voet, en aan zijn trouwen medestrijder voor

de zaak der Remonstranten en Staatsgezinden vergaf hy diens overgang

tot het Pausdom, en--wat vrij wat zwaarder vergrijp was in zijn

oogen--diens min naauwkeurige overzetting van Virgilius. Vondel, altijd

dankbaar voor elk bewijs van hartelijkheid, liet geen gelegenheid

ongebruikt, om hem van zijn zijde te toonen, hoe hoogen prijs hy op

zijn vriendschap stelde, zoo wel als degeen die hem als dichter en

geleerde vercierde. Van die achting en genegenheid van Vondel voor

Van Baerle getuigen de talrijke vertalingen in 't Nederduitsch door

den eerstgemelde vervaardigd, en de onderscheidene gedichten welke

hy hem toezong, of waarin hy zijner gedachtig was. Als voorbeelden

mogen hier dienen, in de eerste plaats, de dichtregelen welke Vondel

stelde onder het afbeeldsel van Van Baerle door Sandrart:

Zoo zien wy Baerle noch, als 't lichaam leit vergaen;

Doch niet zijn wakkren geest, belast, als Klaudiaen

En Aristoteles, met onvermoeide schatten,

Op maet en zonder maet, de laeghte te verachten.

Augustus eeuw komt zelf beluistren zijnen geest,

Het zy hy vaerzen dicht, of goude lessen leest.

en, ten anderen, het bevallig byschrift op Van Baerles dochter Suzanna,

als bruid van Geeraert Brandt geschilderd:

In geenen trouringh blonck oit Indiaensche paerle

Zoo zuiver als Suzan, in 't huisgezin van Baerle.

Zy dooft met haer gesicht den klaersten diamant,

En stoockt in 't kilste hart een overkuischen brant.

De Schoonheit, Jeught en Deught vergaêren hier te gader,

Maar 't rijp verstant verbeelt het oordeel van haer Vader.

Maar vooral bleek de hooge schatting, waarin Vondel zijn geleerden

vriend hield, uit den aandoenlijken treurzang, dien hy aanhief,

toen, op den 14en January 1648, de beroemde man, in ruim

drie-en-zestigjarigen ouderdom, het leven liet:

Nu daelt de gansche Helikon

In rouwe, en schreit een Hengstebron

Van tranen op Apolloos zoon.

Apollo treet zijn lauwerkroon

Met voeten, en verteert en smilt

Tot water. Och, wie paeit en stilt

Den Vader, die, zoo root beschreit,

Zijn goude stralen nederleit

Om dien herboren Klaudiaen?

Een Godt stort nimmermeer een traen.

't En zy om iemant van zijn bloet,

Op Pindus toppen opgevoedt.

Nu zwijght de honighzoete long

Des nachtegaels, die eeuwigh zong

En quinkeleerde 't heele jaer;

Die harp, teorb en cimbelsnaer

En orgels mengde met zijn keel

Dees Koopstadt, die een lustprieel,

Een Tempel scheen, vol zangk en klanck,

Begint te quynen en leit kranck

Voorover op dien kouden zerck.

Een zantkuil, een bekrompen perck

Begrijpt dat groote lijck, wiens faem

De werelt valt te kleen, en aêm

En leven schept uit 's Dichters stof,

Waar eenigh Rijck of Vorstenhof

Hem eert voor zijne heldenmaet,

Zoo langh hy luit of trommel slaet.

Ons Hollant mist zijn Zanggoddes,

En Aristotels wijze les,

En Hippokraet, en Cicero

In 't eene lijck. Helaes, hoe noô

Verliest een kenner zijn juweel!

Zoo valt oock 't eelste een graf ten deel.

Men houwe'r, in een lauwerkrans,

Dees letters op, ten roem des mans:

HIER SLUIMERT BAERLE NEFFENS HOOFT,

GEEN ZERK HUN GLANS NOCH VRIENTSCHAP DOOFT.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 28 / 41 题