DE DOCHTERS VAN ROEMER VISSCHER.

In de nabyheid van den Schreierstoren en aan de noordoostelijke

grens van Amsterdam stond, in den aanvang der zeventiende Eeuw,

een burgerwoning, die als een vereenigingspunt kon worden opgemerkt

van de meest uitstekende vernuften van hun tijd. Het was die van

Roemer Visscher, een uit het drietal bekwame taalvorschers, aan wie de

Rederijkerskamer "In Liefde Bloeyende", en by gevolg de letterkunde in

Nederland, zooveel danks verschuldigd was. Het huis van den man, wien

Hooft om zijn gulheid den "ronden Roemer" noemde, stond altijd open

voor wie zich opgewekt gevoelde, een uur, des noods den geheelen avond,

't zij met scherts en kout, zang en snarenspel, 't zij met geleerde

nasporingen, aangenaam of nuttig door te brengen. 's Mans zinspreuk

luidde "Elck wat wils", en het stond aan ieder vrij, die tot zijnent

in praktijk te brengen. Maar het waren niet alleen de hartelijkheid

des gastheers, zijn geestig onderhoud en het uitzicht, om rondom

zijnen haard eenige der kloekste verstanden, waarop Amsterdam zich

verhoovaardigen mocht, vereenigd te vinden, die zoo velen naar zijn

woning lokte: die woning bevatte drie trekpleisters in de dochters

van den huize, Anna, Geertruida en Tesselschade.

Geleerde juffers, in den gewonen zin van 't woord, en maar eenigermate

gelijk aan die, welke Molières onvergelijkelijke pen naar 't leven

heeft afgeschetst, zal ieder man van smaak en verstand veeleer

ontloopen dan opzoeken. Maar niet tot die soort behoorden de dochters

van den ronden Roemer, welke wy vooral niet moeten beoordeelen naar

de voorstelling, die er de schrijvers uit het laatst der voorgaande

of het begin dezer eeuw van geven. Liever schetsen wy haar met de

woorden van een tijdgenoot, den Harderwijker Staatsman Ernestus Brink,

die zich aldus over haar uitlaat: "Romer die Visscher," schrijft hy,

"heeft 3 dochters, die alle in seer fraje exercitiën sijn opgetoogen,

connen seer fray musique, schilderen, in glas schrijven ofte graveren,

referein maken, emblemata inciseren, allerlei manufacturen borduren,

oock goet swemmen, en het zich geleert hebben in haar Vaders tuyn,

alwaar een gracht met water was, buyten de stadt."

Maar zoo de dochters van Visscher al de hier vermelde bekwaamheden

bezaten, en bovendien de dichtkunst beminden, ja beoefenden, zy

waren bovenal meisjens van hooge beschaving en die ten volle de

kunst verstonden om door een, dan eens vrolijk, dan eens leerzaam,

maar altijd boeiend onderhoud, haar gasten den tijd te korten.

Anna, de oudste, was in 1584 geboren. Aan haar, die zelve dichteres

was, droeg haar Vader de taak op, zijne gedichten te verbeteren en

te beschaven. Geertruida, of Truitjen, gelijk zy meest genoemd werd,

was iets jonger dan hare zuster, en zoo de nakomelingschap, byna twee

eeuwen lang, een vrij onbeleefd stilzwijgen omtrent haar bewaard en

zich alleen met haar zusters bezig gehouden heeft, 't was geenszins

omdat haar naam niet verdiende tot ons over te gaan: de aangehaalde

getuigenis van Brink bewijst het tegendeel, en de rede, dat men

haar vergeten heeft, is, dat zy reeds vroeg in 't huwelijk trad en

wel met Nikolaas van Buyl, Onderschout te Amsterdam. De plichten,

die zy als vrouw en moeder te vervullen had, boeiden haar aan haar

huis, en hielden haar langzamerhand meer en meer verwijderd van den

kring harer bekende vrienden: en zy werd niet meer bewierookt en

bezongen gelijk haar nog ongehuwde zusters. Hoe zy echter de kunst

bleef liefhebben en voorstaan, blijkt uit de omstandigheid, dat,

in 1630, de Poëet van Swoll zijn Margrietje uitgaf "onder de gunst

van Juff. Geertruyt Roemers."

Tesselschade, die in 1594 geboren, en dus tien jaar jonger was dan

Anna, ontleende haar vreemdklinkenden naam aan de zware schade, die,

drie maanden voor dat zy ter waereld kwam, veroorzaakt werd door een

hoogen storm op de reede van Texel, waaronder vele Amsterdamsche

kooplieden, ook haar vader, geleden hadden. Toen, eenigen tijd na

haar geboorte, de vest voor zijn huis werd afgebroken om de stad te

vergrooten, noemde hy zijn hond Schae-baet, om dat hy, schaê in Texel

geleden hebbende, nu wederom baet kreeg by het afbreken der stadsmuren,

die recht over zijn huis stonden, en dat daarom nu zijn huis midden

in de stad zoû komen en meer waard zijn.--Vlug, vol geest en gevoel,

had Tesselschade reeds van haar vroegste jeugd af de belangstelling

opgewekt van haar Vaders vrienden, en bleef, zoolang zy leefden,

hun genegenheid behouden.

In 1620 overleed Roemer Visscher; doch de kring, dien hy om zich heen

gevormd had, werd daarom niet verbroken. Nog drie jaren later sprak

Vondel in zijn "lof der Zeevaert" tot Reaal van

't Zaligh Roemers huis,

Wiens vloer betreden wort, wiens drempel is gesleten

Van Schilders, Kunstenaers, van Zangers en Poëten.

De beide meisjens, die in dat huis gebleven waren, ontfingen er

dus haar gasten nog als te voren, die voor 't overige een nieuwe

gelegenheid om zich te vereenigen hadden gevonden op 't slot te

Muiden. By den Drost stelden zich Vondel, Coster, Mostert, Reael,

Baeck, Vechters en zoo vele anderen schadeloos voor 't gemis van

Roemer: in hem hadden diens dochters een vaderlijken vriend behouden,

steeds met raad en hulp gereed, en wederkeerig werden de genoegens,

welke men ten zijnent smaakte, door haar tegenwoordigheid niet zelden

verhoogd. Anna las er de "Sinne-Poppen" haars vaders, waarvan zy de

uitgave bezorgd had, en Tesselschade nam het oordeel harer vrienden in

over een vertaling van Tassoos verlost Jeruzalem, door haar ondernomen;

maar vooral waren het beider muzykale gaven, die Hooft zoo zeer op

haar gezelschap gesteld deden zijn. Talrijk zijn de plaatsen in zijn

brieven, waarin hy uitweidt over de fraaie stem van Tesselschade en

over het genot, dat zy aan haar toehoorders verschafte. Anna schijnt

meer bepaald in 't snarenspel bedreven te zijn geweest, gelijk wy

kunnen opmaken uit de vergelijking van de navolgende plaatsen uit

Vondels gedichten. De eerste is gehaald uit zijn "Lof der Zeevaert,"

en luidt aldus:

Wy naecken Schreyers-hoeck, daer lieffelijck en bly

Een Waterlandsche Rey, de Juffers van ons Y,

Met ongehuifde pruick en kletten, geestigh zingen,

En naer den toon van zang en spel, haer treden dwingen.

Twee diertjens [2] in den hoep aanminnig groeten ons.

d'Een volght met zoet muzyck des andren violons.

De andere plaats is uit het bruiloftdicht op Tesselschade.

Twee zusters zetten zich op 't uiterst van den stroom:

d'Een, uit een parkement of: halfgerolde cedel,

Las nooten met haer galm, en d'ander met een vedel.

En aan wien, onder dien zwerm van dichters en geleerden, die haar

omringden, werd het gegeven, de gedachten dier lieve meisjens af te

trekken van de Sinne-Poppen en 't Verlost Jeruzalem, en meer diepe

aandoeningen by haar te doen ontstaan, dan de melody der woorden van

een lied verwekken kunnen? Gewis werd de Oude Spreuk, volgends welke

ieder op zijne beurt voor den invloed der liefde zwicht, ook ten

opzichte der gezusters beantwoord; maar niet op zoodanige wijze als

men zoû hebben verwacht. Het was geen dichter, geen toonkunstenaar,

geen man van de wetenschap, die het hart van Tesseltjen wist te

treffen: het was--wy schamen ons byna het te zeggen, en toch mag

het niet verzwegen worden, al zoû het onzen lezeressen een blos

van spijt op de wangen jagen over de schijnbaar zonderlinge keuze,

door eene der meest begaafden van hare sexe gedaan--? het was een

zeeofficier, en die nog daarby den alles behalve dichterlijk luidenden

naam van Allart Krombalck droeg.--Intusschen, bezat de jongeling noch

poëtischen aanleg, noch poëtischen naam, hy was, naar de getuigenis

van Hooft, rijk met vernuft, en, wat meer zegt, met voortreffelijke

zielshoedanigheden bedeeld. In 1623 werd het huwelijk tusschen de

beide gelieven voltrokken, en door de vrienden der Bruid, onder

anderen door Vondel, in cierlijke vaerzen bezongen.

Niet lang duurde het, of Anna volgde het voorbeeld harer zuster. Zij

huwde in 1624 Dominicus Boot van Wezel, Johansz., mede geen geleerde,

maar toch een man van smaak, en gesproten uit een aanzienlijk geslacht,

dat te Dordrecht bloeide. Zy volgde derwaarts haren man, gelijk het

Tesselschade den haren naar Alkmaar had gedaan.

Te Dordrecht, waar Cats omtrent dien tijd Pensionaris geworden was

en aan 't hoofd stond eener dichtschool, die juist niet op den besten

voet was met de Amsterdamsche, maakte Anna nieuwe kennissen, waarby,

als 't in den aart der zaken lag, de oude eenigzins tekort kwamen.

Dat zy echter met hen in voortdurende betrekking bleef staan, daarvan

getuigen, onder anderen, de aanbevelingen, haar in 1642 naar de

Zuidelijke Nederlanden mede gegeven door Huygens en Van Baerle. Zy had

namelijk het onderwijs van haar beide zonen aan de Paters Jezuïeten

te Brussel opgedragen, doch, hen derwaarts geleidende, wilde zy

tevens van die gelegenheid gebruik maken, om kennis te maken met de

Belgische geleerden, en de brieven van hare twee genoemde vrienden

baanden haar daartoe den weg. Wil men weten, hoe men in Belgiën over

haar oordeelde, men hoore, hoe de beroemde Leuvensche Hoogleeraar

Puteanus zich deswegens uitliet. "Ware ik by u" schreef hy in zwierig

Latijn aan Van Baerle, "ik zoû my aan uw gulden boezem werpen en er

u vele kussen op drukken: deze toch reken ik uw brief, uw lieven,

geestigen, vriendelijken brief waardig, deze ook de beroemde vrouw,

my zoo beleefdelijk en cierlijk aanbevolen. Toen ik toch den naam van

Anna Roemers las, was ik enkel vreugde, en ik reikte haar de gastvrije

rechte, die door haar welwillend werd aangevat; zy toefde niet, maar

kwam ten mijnent, en, meer nog, aan mijn hart, my, mijner echtgenoote,

mijnen dochteren en gandsche gezin welkom. Onze gulle rondheid mocht

haar aangenaam zijn, de schoonheid dezer plaats haar bewondering

wekken, het overige deed haar eigen geest. Ik had een Muze ontfangen;

slechts Apollo ontbreekt." Aan Huygens schreef hy: "Wel is Anna Roemers

een vrouw uwer aanbeveling waardig. Zy heeft door haar beschaving mijn

diensten meer dan beloond: haar byzijn heeft mijn woning opgeluisterd,

en zy heeft my in haar vernuft doen deelen. Maar, wanneer gy dergelijke

vrouwen ten uwent bezit, wat moeten dan wel uw mannen zijn!" enz.

Aan Tesselschade, die zich met haar man te Alkmaar had nedergezet,

en alzoo minder dan haar zuster van Amsterdam verwijderd was, viel

het dan ook lichter, den omgang met haar vrienden en betrekkingen

aldaar te doen voortduren, en zy bleef voor Hooft, Van Baerle en Vondel

Ons kameraetje

Het soete Tesselschaetje,

gelijk laatstgemelde haar in een zijner gedichtjens noemde. Over en

weder bezocht men elkander en de briefwisseling, vooral met Hooft,

duurde onafgebroken voort. Meer dan eens zond zy hem haar poëtische

invallen ter verbetering: zoo onder meer een antwoord op zekere

beruchte Prijsvraag, die in 1630 door de Amsterdamsche Akademie

was voorgesteld, en niet weinig beweging in de geletterde waereld

veroorzaakte. Zy luidde aldus:

Apoll', op Helikon gezeten,

Vraeght al sijn heylige Poëten

Wat beste en slimste tongen zijn?

Of waerheyd saligh maeckt, of schijn?

Of dwang van vrome Christen-sielen

Niet streckt om Hollant te vernielen?

Of Vrijheyd niet en was de schat,

Waarom men eerst in oorlogh trad?

Of oock in welbestierde steden

Een Oproer-maecker wordt geleden?

Of Huyse-plond'ren vesten sticht?

Of d'Eed geen Burgery verplicht?

En of zich Leeraers niet verloopen

Wanneer ze desen bandt ontknoopen?

Wiens antwoort kortst en bondighst is

En klaerst in dese duysternis,

Dien zullen d'Akademiheeren

Met eenen Princen-Roemer eeren,

Daer Pallas, met haer diamant,

In sne den Veltheer van het landt,

Die met 's Hartogenbosch gaet strijcken,

Daer Maurits tweemael of most wijcken.

De vraag was van Vondel, en het antwoord, dat den roemer verdiende,

was de hand van Roemers dochter, die het afbeeldsel des Prinsen op

het glas gesneden had. Het luidde aldus:

De beste tong die stemmen smeede

Zong Gode loff, den menschen vreede.

Die swijgent meest haer deught betoont,

Is die met vuer d'Apostels kroont.

De snoodst' op aerde deed de menschen

Nae Godts verborgen wijsheyt wenschen.

De booste sprack uit heemelrijck,

Mijn macht sy d'hooghste macht gelijck.

In hun sticht Godt Zyn heerschappyen,

Die met het doen 't geloof belyen.

Schyn, als een drogh en dwaellicht, leidt

Wie dat haer volght ter duysterheit.

De vrome zielen te belaegen

Kan Hollants zachte grond niet dragen.

De Roomse geus het smeekent blad,

Tot Brussel, ondertekent had

Soowel als d'ander; en versocht er

's Lants vryheyt by, aen 's Kaizars dochter.

Den muiter die gerustheyt haet

Looft altyt een geschockte Staet.

Daer d'eene burger 's anders muiren

Bestormt, die stadt en kan niet duiren.

Geen aerdtsche Godt [3], off hy wordt by

Een Eedt verknocht: meer [4] schuttery,

Wat leeraers ook dien bant ontlitsen,

Die tergen 't snoer der zeeven flitsen.

In 1635 trof Tesselschade een dubbele slag. Vondel had haar juist een

geestig dichtstukjen gezonden over zekere vaerzen, uit het vrij duister

Engelsch van John Donne in niet zeer helder Hollandsch door Huygens

overgezet, en Hooft, verwonderd, dat zy hem over die vertaling haar

meening niet mededeelde, had juist aan zijn vrouw, die naar Amsterdam

ging, een brief mede gegeven ter verdere bezorging aan Tesselschade,

toen hij de tijding bekwam, dat het oudste dochtertjen van Krombalck

en deze zelf byna gelijktijdig overleden en te samen begraven waren.

Alle rouw slijt; doch schoon Tesselschade haar verlies droeg met geduld

en Kristelijke onderwerping en eerlang haar blijmoedigheid terugkreeg,

zy hertrouwde niet. Het had haar echter niet aan gelegenheid

ontbroken. Van Baerle, die een paar jaren te voren weduwenaar

geworden was, trachtte, door brieven en vaerzen vol teederheid,

haar genegenheid te winnen; maar, welke vriendschap hem Tesselschade

toedroeg, hy kon als man haar niet lijken. Zy mocht zijn geleerdheid

en zacht karakter op prijs stellen; maar zy was te veel vrouw om

ingenomen te zijn met zijn zoete klachten en verliefde zuchten, die

hem de bestendige plageryen van Hooft op den hals haalden. Zy had--om

met Van Vloten te spreken--te veel van den hartigen smaak haars vaders

weg, die geen bier zonder hop, geen spijs zonder zout smaakte, om in

de verliefde blikken en woorden van een bloot "zoetsappig" vryer veel

aantrekkelijks te vinden; zy bracht dat later, by een geheel andere

gelegenheid, argeloos maar duidelijk uit, toen zy zijn "pleyster over

haer oogh, goedt, en soet, en sacht, en troostelijck, en goddelijck"

noemde, maar toch "het nerpend heyl van den hoogh Hofwijckschen poëet"

de voorkeur gaf.

Gewis, "de Hofwijksche poëet", de wakkere Konstantyn Huygens, die in

1637 zijn vrouw verloor, ware een meer geschikt man voor Tesselschade

geweest dan Van Baerle: hy, vast en zelfstandig gelijk zijn naam,

en daarby zoo edel van aart als vlug van vernuft. De Amsterdamsche

Hoogleeraar had zelf gevoeld, dat hy voor den Haagschen vriend

moest wijken, die bovendien nog 't voorrecht boven hem had, een

goed deel jonger te zijn: en Tesselschade van hare zijde voedde

een onbepaalde hoogachting, ja een meer dan gewone vriendschap,

voor den begaafden Geheimschrijver des Prinsen. Maar het kwam van

zijne zijde nimmer tot een verklaring, die dan ook van de hare niet

werd aangemoedigd. Zy wisselden geestige puntdichtjens over de Leer;

doch, al schenen zy oppervlakkig die zaak schertsende te behandelen,

in den grond was Tesselschade te goed Roomsch en Huygens te zeer

aan de Staatskerk gehecht, dan dat het verschil van godsdienst

niet voor beiden een onoverkomelijk bezwaar zoû gebleven zijn,

ook al ware het hun mogelijk geweest, hem, de nagedachtenis zijner

Suzanna, haar, die van haren Adelaert, te vergeten. Datzelfde bezwaar

bestond niet tegen een verbindtenis met een derden, haar niet min

genegen vriend. Ook Vondel was, en reeds voorlang, weduwenaar: ook

hy was gevoelig voor haar bekoorlijkheden en wendde pogingen aan,

om haar liefde te verwerven; doch ook zijn aanzoek liep vruchteloos

af. Wellicht waren hier financiële belemmeringen: misschien ook dat

zy, die zich in meer hoofsche kringen bewoog, geen trek gevoelde,

een kousewinkel in de Warmoesstraat te betrekken. Wat er van zij,

zy nam evenmin den Katholiek Vondel, als den Remonstrant Van Baerle,

of den Kalvinist Huygens; maar bleef met alle drie op een goeden voet.

Hooft, die noch 't een noch 't ander was, strekte haar by voortduring,

en meer dan een der overigen, tot vraagbaak en vertrouweling. Jaarlijks

bezocht zy hem, en zijn brieven vloeien over van haar lof, nu eens

over haar fraaie stem, dan eens over haar geestige brieven, of over

de cierlijke Italiaansche vaerzen, die zy vervaardigde, o. a. by de

komst van Maria de Medicis te Amsterdam.

In 't jaar 1642 overkwam Tesselschade een lastig ongeval. Te Amsterdam

zijnde, en voorby een smidswinkel gaande, spatte haar een vonk in 't

oog, 't welk zy daardoor kwijt raakte: welk ongeval door Van Baerle

en door Huygens werd bezongen. Zy troostte zich echter spoedig in een

verlies, 't welk voor 't overige geen gevolgen schijnt gehad te hebben.

Vijf jaren later had zy zwaarder verliezen te betreuren. Den 24. Mei

1647 werd zy--door den dood van Hooft--als vriendin getroffen: op den

31. Augustus van dat jaar werd haar moederhart verscheurd. "Maria

Krombalcks," schrijft Hendrik Bruno aan Huygens, "dat schrandere

meisjen, Tessels dochter en eenig kint, en daarby naar haar moeder

Tessel aardende, is, in den bloei der jeughd, en de omhelzingen harer

moeder en harer moei Anna, heden, in een hevige koorts, overleden:

een sterfgeval, dat mijner zuster--de dichteresse Alida Bruno--veel

tranen, my vele zuchten gekost heeft, soo dat het mijne ziel heeft

geschokt, en ik naauw myzelven meester ben."

De slag trof haar diep. Het eenige doel, dat zy nog op de waereld

had, was haar ontnomen: zy stond er voortaan alléén: wat had zy hier

nog te verrichten? Hoe "gehoorsaam" en zwijgend zy zich onder haar

beproeving hield, haar gezondheid had een knak gekregen, waarvan die

niet weder opkwam.

"Ik moet u," schrijft Bruno, op den 4. February 1648, aan zijn vriend,

"ik moet u, voor ik van myself spreek, de groete overbrengen van

Tesselschade, onze heldin, die, hoewel steets door koortse gekwelt,

haer ziekte en haer leedt door stantvastig dulden overwint. Ik was

gister by haer, zoo als ik veel, en meer by deze eene weduwe ben,

dan by al de meisjens, die hier ter stede in de beschaafde wereld

zijn. Ik vertolckte haer mijn tranen, by den doodt van onzen, ja

vroeger onzen--Van Baerle"--die 14. January overleden was--"en zy

hielt haer aendacht zoo op mijne nietige-vaerzen gespannen, dat zy

de koortse toen of niet voelde of niet kreegh."

Zoo kwijnde de edele vrouw langzaam weg, tot zy in Junij 1649 de

panden, die haar waren voorafgegaan, volgde in 't graf. Jan Vos

en Alida Bruno bezongen haar dood; maar geen van beiden deed het

in vaerzen, harer waardig. Aandoenlijker--omdat zy niet zoo zeer

de vernuftige dichteres, niet de begaafde zangster, maar alleen de

moeder golden--klonken de regels, die Huygens haar wijdde:

Dit 's Tesselschades graf:

Laat niemand zich vermeten

Haer onwaerdeerlickheit in woorden uit te meten.

Al wat men van de zon kan zeggen gaat haer af,

Hoe dat 's om 't leven quam

Verhael ik even noode:

Wat dunckt u, moeders?--'t was haer dochter, die haer doodde.

En die sy 't leven gaf, was die haer 't leven nam.

Zoo was het treurig uiteinde der eenmaal zoo vrolijke, zoo

schitterende, zoo algemeen gevierde, nu zoo diep bedroefde vervallen,

zoo verlatene, maar altijd door ieder, die haar kende, zoo hoog

geachte, zoo oprecht beminde vrouw. Haar zuster Anna, weduwe als zy,

had haar, gelijk wy hierboven gezien hebben, in de ure der beproeving

ter zijde gestaan. Zy overleefde haar nog twee jaren, maar had by

haar sterven voor 't minst het voorrecht, dat haar kinderen haar de

oogen sloten. Of Geertruida hare beide zusters in den dood voorafging

of volgde, is ons onbekend. Zeker is het, dat zy nog leefde in 1644,

toen Tesselschade by haar te Amsterdam huisvesting genoot.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 27 / 41 题