JAN JANSZOON STARTER.

Zoodra men vragen opwerpt, als b. v. "of niet onze taal even goed

voor den zang geschikt is als elke andere?" of wel: "of onze Natie

niet even muzykaal is als elke andere?"--dan verkondigt men reeds

als van zelve, dat een ontkennend antwoord het eenige is, dat te

verwachten valt en men daarom dubbele dankbaarheid schuldig zal

wezen aan hem, die bekwaamheid genoeg zal hebben om een toestemmend

antwoord aannemelijk te maken. In Duitschland of in Italiën zoû men

't nimmer in 't hoofd krijgen, zoodanige vragen te doen.

In Duitschland noch in Italiën; maar ook niet in Nederland, zoo als het

was in de eerste helft der zeventiende eeuw. Toen twijfelde niemand,

landgenoot of vreemdeling, aan het zangerige en welluidende onzer taal,

aan het vermogen der ingezetenen om die naar de regels der kunst en

op bevallige wijze te doen hooren.

Maar toen klonk dan ook nog het Nederduitsch cierlijk en lieflijk:

toen bestond nog by de Nederlanders een gevoel voor muzyk en zang, dat

niet door maatschappyen of genootschappen opzettelijk moest worden in

't leven geroepen of onderhouden, maar dat zich dagelijks openbaarde en

voortdurend werd aangekweekt op gastmalen en samenkomsten, ja overal,

waar de gasten nu zelve de taak vrijwillig en uit eigen aandrift

overnamen, vroeger door bezoldigde meistreels of speellieden vervuld.

Waar een zangerige taal bestaat en behoefte aan liefelijke liederen,

daar ontbreken zy ook nimmer: en zoo is er naar evenredigheid wellicht

geen volk zoo rijk, als het onze gedurende de eerste helft der

zeventiende eeuw was, aan liedtjens, voor den zang bestemd. Talrijk

is het aantal dier bundelkens, in kleinen vorm onder verschillende

namen, meest onder die van "mopsjens", gedrukt en een ruimen voorraad

bevattende van die vrolijke of ernstige liederen en gezangen, welke

onze voorouders, naarmate tijd, plaats of omstandigheden hen in een

meer dartele of meer deftige stemming hadden gebracht, afwisselend

aanhieven. Vrij wat algemeener dan tegenwoordig was, in die dagen,

ik zal niet zeggen het zingen en spelen door toonkunstenaars of

opzettelijke beöefenaars der muzyk, maar het zingen en spelen door

byzondere personen, in den huislijken of gezelligen kring, by gastmalen

en spelevaarten, op bruiloften en verjaringsfeesten. Talrijk is dan

ook de rij der dichters, die de voortbrengselen van hun poëtischen

luim ten beste gaven, om er genoegelijke samenkomsten mede te

veraangenamen; en de Collés, de Desaugiers van die dagen kunnen met

hen die later kwamen gerust de vergelijking doorstaan;--maar wie onder

hen allen uitschittert, wie te recht als de geestigste en bevalligste

liederzanger mag worden aangemerkt, dien niet het tijdvak van Frederik

Hendrik, neen, die Nederland te eenigen dage heeft opgeleverd, is

Jan Janszoon Starter.

Even als Vondel, was Starter door zijn geboorte een vreemdeling, maar

reeds vroeg door opvoeding, voorbeeld en eigen aandrift, Nederlander

in 't hart geworden. In 1594 had hy te Londen het eerste levenslicht

aanschouwd en in het vijfde of zesde jaar der volgende eeuw was

hy met zijn ouders, die tot de zoogenaamde Bruinisten behoorden,

hier te lande en wel te Amsterdam gekomen. Een beschaafde opvoeding

genoten hebbende, was de jonge Starter niet alleen spoedig bekend

met de spraak van zijn nieuw aangenomen Vaderland, maar ook met

haar verborgen schatten. Reeds op jeugdigen leeftijd schreef hy

gedichten, vol losheid en zwier, en wier weelderigheid getuigt van een

meesterschap over taal en uitdrukking, hoedanige niemand voor hem zich

had weten te verwerven. Boezemvriend van Gerbrand Adriaensz. Bredero,

streefde hy dezen in geestigen luim op zijde en overtrof hem veelal

in kieschheid en welluidendheid van vorm. Even als Bredero was hy

een lid en wel een volyverig lid dier zoogenaamde Oude Kamer, die

kweekschool van vernuften, waar, behalve zy, ook Hooft, Coster, Vondel

en zoo vele andere cieraden van den Nederduitschen Zangberg hun eerste

dichtproeven deden hooren en waar later de schouwburg uit ontsproot.

In 1614 naar Friesland getrokken, richtte hy aldaar te Leeuwarden

een boekwinkel op en woonde als Student de lessen by der Hoogeschool

te Franeker. Het was gedurende zijn verblijf aldaar dat hy die

reeks van bruiloftsdichten, minnezangen en liedtjens schreef,

onder den tytel van "Friesche Lusthof" tot een bundel verzameld,

en even zoetvloeiend van melody als tintelend van vernuft. Niet ten

onrechte noemde hem dan ook Gansneb Tengnagel, in een zijner gedichten,

"den grooten Bruilofts-Hymen." In 1620 naar Amsterdam teruggekeerd,

kweet hy zich aldaar van een taak, hem door Bredero by diens uiteinde

opgelegd en voltooide de "Angeniet", door dezen begonnen. Van zijn

verderen levensloop hebben zijn ondankbare tijdgenooten ons niet anders

medegedeeld, dan dat hy de wapenen opgevat en in dienst gestorven is,

de kleuren voerende van dien Nassauschen held, dien hy zoo vaak in

zoo blijde toonen had bezongen.

Even als by zijn beoordeeling van Rembrandt en Jan Steen, heeft het

nageslacht by die van Starter zich langen tijd vergenoegd blindelings

na te praten, wat vroeger gezegd was en daardoor tot gevolgtrekkingen

te komen, alles behalve vleiend voor hem, dien zy golden. Van de

beide eerstgenoemden was het zedelijk karakter aangerand, van den

laatstgenoemde bovendien de aart zijner voortbrengselen, die als

hoogst onkiesch waren voorgesteld. Wel is waar het was een liederlijke

Campo Weyerman, door wien Rembrandt en Jan Steen belasterd werden,

terwijl de aanvallen tegen Starters dichtbundel gericht werden door

den vroomen en naauwgezetten Dirk Rafelsz. Camphuisen. Oppervlakkig

zoû men dus zeggen, dat, mocht men al geneigd zijn, de berichten, door

den eerstgemelde gegeven, te verwerpen, als komende van iemand, wiens

zedelijk karakter hem onwaardig maakte, geloof te verdienen;--men daar

en tegen vertrouwen kon te schenken aan hetgeen ons medegedeeld werd

door een man, wiens vrome zin ons een vaste waarborg van geloofbaarheid

schijnt aan te bieden. En werkelijk is zulks langen tijd algemeen het

geval geweest, ja is zulks nog het geval by niet weinigen. Loosjes

heeft, in zijn Maurits Lijnslager, Camphuisen ingevoerd, den blaam van

onzedelijkheid werpende op den "Frieschen Lusthof" van Starter--en dat

nog wel zonder eenige tegenspraak. Jeronimo de Vries vergenoegt zich,

in zijne Prijsverhandeling, van Starter alleen den naam, en nog wel

enkel in een aanteekening, onder een dertigtal onbeduidende namen

te vermelden; Willem de Clercq, die, in zijn bekroonde beschouwing

over den invloed der vreemde letterkunde op de onze, als van zelve

aanleiding had moeten vinden van den jeugdigen Brit te gewagen,

die in Nederland leefde en zong, maar in wiens vaerzen de Engelsche

afkomst des dichters niet te miskennen valt, Willem de Clercq zwijgt

van hem geheel. Is het wonder, dat al wie, zonder Starter te kennen,

een oordeel over zijn werk had op te maken, uit de afkeuring waarmede

Loosjes van hem spreekt en de onverschilligheid, waarmede hem de

beide andere critici behandelen, niet anders dan zeer ongunstig over

hem denken moest? En toch heeft Starter noch den heftigen aanval van

Camphuisen verdiend, noch de behandeling, hem door de drie andere

schrijvers aangedaan. Van De Vries en De Clercq is het bekend, dat zy,

afgaande op hetgeen in den Maurits Lijnslager voorkomt, niet verder

hebben onderzocht: wat Loosjes betreft, die schijnt van zijn kant

in het banvonnis, door Camphuisen uitgesproken, te hebben berust,

en evenmin als de beide critici het veroordeelde boek gelezen te

hebben: en voor den vromen dichter der zeventiende eeuw, dien ik niet

verdenken mag ter kwader trouw te hebben gehandeld, weet ik geen andere

verschoning aan te voeren, dan dat hy dien "Frieschen Lusthof," om de

vervaardiging waarvan hy den maker naar 't helsche vuur zendt, nimmer

onder de oogen gehad heeft, en den inhoud alleen ondersteld heeft van

gelijke gehalte te zijn als een andere kleine verzameling gedichtjens

van denzelfden schrijver, onder den naam van "Boertigheden" gedrukt,

en werkelijk minder geschikt in een editie in usum Delphini opgenomen

te worden.--De slotsom van dit alles is, dat de "Friesche Lusthof",

achtereenvolgends gedurende twee eeuwen, zonder eenig voorafgaand

onderzoek, is beöordeeld en veroordeeld geworden door mannen, die als

gidsen en toongevers op het gebied der letterkunde werden aangemerkt,

en dat de menigte, door hun verkeerde beschouwing misleid, geschroomd

heeft, kennis te maken met een boeksken, dat in zoo zwarte kleuren

was afgeschilderd, maar zich daardoor ook verstoken heeft van het

voorrecht, om zich te verlustigen in echte poëzy, in de bevalligste

en liefelijkste vormen voorgedragen.

Maar niet altijd blijft het publiek in zijn beschouwing

onrechtvaardig. Meer dan eene stem heeft zich in de laatste tijden

verheven om de geschonden eer van Starter te wreken, om recht te

doen wedervaren aan de voortbrengselen van zijn vernuft, om hem den

dichtkrans terug te geven, die te lang aan zijn hoofd onthouden werd,

en zijn liederen aan te prijzen als voorbeelden van de wijze, waarop

onze taal, aan wie met haar geheimen bekend is en ze met oordeel weet

te gebruiken, elke andere in zangerigheid op zijde streven kan. Mogen

de pogingen, door de zoodanigen aangewend, niet vruchteloos blijven:

mogen zy strekken, by velen den zucht te doen geboren worden, zich in

Starters zangen te vermeien en in hem den grootsten Nederlandschen

liederdichter te waardeeren, dien de geschiedenis onzer letterkunde

in staat is ons aan te wijzen:--mogen toonkunstenaars zich opgewekt

gevoelen, nieuwe melodyen op zijn zangen te vervaardigen, en deze

laatste nog wederom meermalen, als voorheen, op blijde feestmalen

en samenkomsten, door keeltjens als die van Tesselschade en Duarte

worden gezongen.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 26 / 41 题