Hebben de overige groote mannen, wier namen in deze galery zijn
opgenomen, hun roem verworven door hetgeen zy of binnen of ten behoeve
van den Staat der Vereenigde Gewesten verrichteden, De Groot is in die
ry de eenige, die geheel buiten beide kategoriën geplaatst is. Immers,
hy moge zich al, gedurende het bewind van Frederik Hendrik, een paar
reizen in Holland vertoond hebben, het is niet geweest dan zeer
kort, en als in 't voorbygaan; terwijl de werken, welke hy in dat
tijdvak geschreven, of de bedieningen, welke hy vervuld heeft, tot
bevordering gestrekt hebben, gene van de wetenschap in 't algemeen,
deze van andere dan Nederlandsche belangen. Maar dit belet niet, dat
van den lichtkrans, die om zijn hoofd schittert, stralen afschitteren
op zijn Vaderland, en dat zich dit ook thans nog verheffen mag, den
uitgebannen zoon te hebben voortgebracht, dien het by zijn leven
niet in genade had willen aannemen. Immers niet alleen door zijn
geboorte, door opvoeding en opleiding, door de betrekking, welke hy
als jongeling en man vervuld had, was De Groot een Hollander, ook in
zijn ballingschap was hy Hollander in 't hart gebleven, al bezigde hy
in zijn geschriften by voorkeur de algemeene taal der geleerden, en al
was hy ook, aan Frankrijks Hof, de Gezant eener vreemde Mogendheid:
ja hy kon aangemerkt worden als de man, die by den buitenlander wel
niet de byzondere politiek zijner Natie, maar haar wetenschaplijk
leven, haar aanspraken op beschaving, op kennis, op verlichting,
vertegenwoordigde. Wanneer men nagaat, in welke achting De Groot door
geheel Europa gehouden werd, dan zoû men byna zich tot de gedachte
laten geleiden, dat de Regenten van dien tijd daarom alleen zijn
vestiging hier te lande bleven tegenhouden, op dat de vreemdeling,
vernemende, hoe zoo voortreflijk een man in zijn Vaderland gemist
kon worden, nòg grooter gedachten mocht opvatten van hen, die er
achter bleven.--'t Ware met dat al een gevaarlijk beginsel geweest,
en, liever dan het na te volgen, zouden de Regeeringen, omgekeerd,
wijs handelen, wanneer zy het overschrijden der grenzen verboden aan
zoodanige landgenooten, als door hun gedragingen in den vreemde niet
alleen zich zelve bespotlijk maken, maar ook, waar zy zich vertoonen,
een slechten dunk doen opvatten van het land, dat zulke mislukte
kinderen voortbrengt.
Over de verdiensten te willen uitweiden van een man als De Groot,
of daarvan slechts een klein denkbeeld te willen geven, ware even
belachlijk als onnoodig: zijn werken zijn de waereld door bekend en
gewaardeerd: en zijn naam alleen zegt reeds genoeg. Liever daarom hier
een nederiger taak aanvaard dan het schrijven eener lofrede: liever dan
hoogdravende woordenpraal, een vluchtige beschouwing van zijn leven
en karakter gegeven. By het vele bekende zal dan wellicht het een en
ander kunnen worden te pas gebracht, dat niet zoo algemeen geweten
wordt, of wel, dat by hen, die 't wisten, uit het geheugen is geraakt.
Op den 10den April, 1583, te Delft geboren, was de kleine Huig wat
men gewoon is een wonderkind te noemen, en maakte hy zich reeds
vroeg, uit verscheidene oorzaken, beroemd. Zoo b. v. vervaardigde
hy, op zijn negende jaar reeds, vaerzen, die geprezen werden--iets,
dat tegenwoordig met de meeste kinderen het geval is; doch toen nog
ongemeen schijnt geweest te zijn. Wat als een vrij sterker bewijs
zijner vroegtijdige ontwikkeling mag gelden, is, dat hy reeds vóór
zijn twaalfde jaar de Hooge School te Leyden bezocht, waar hy zich
zoo vlijtig oefende in theologie, filozofie en rechten, dat hy in
staat was, op zijn vijftiende, in 't openbaar eenige stellingen
te verdedigen. Niet vreemd is 't, dat Oldenbarneveldt, als Gezant
naar Frankrijk zullende trekken, en aan de Franschen een gunstig
denkbeeld willende geven, zoo van den toestand, waarin zich 't hooger
onderwijs in Holland bevond, als van de bekwaamheid der leerlingen,
op de gedachten kwam, den vluggen knaap met zich te nemen en aan
Hendrik IV. voor te stellen. De genomen proef voldeed uitnemend aan de
verwachting: De Groot bracht het bedoelde effekt te weeg, bekwam een
geschenk van den Koning en, van de Akademie, het diploma van Doctor
in de Rechten. Van de alzoo verkregen bevoegdheid maakte hy by zijn
terugkomst gebruik: en, wat nog nimmer gezien was, hy pleitte op zijn
zeventiende jaar, terwijl hy op denzelfden ouderdom zijn eerste werk in
't licht deed verschijnen.--Maar niet alleen by 's Lands Advokaat, ook
by Prins Maurits stond de jongeling in gunst: hy was een der weinigen,
die--altijd in datzelfde jaar 1600--de hooge eer genoten, den tocht
over het zeestrand mede te maken met den zeilwagen van Stevijn,
die in twee uren van Scheveningen naar Petten reed: hy, de eenige
ambtelooze burger onder acht-en-twintig doorluchtige tochtgenooten:
en nog bestaat het gedicht, waarin hy dien tocht beschreef.
Verwierf hy zich een naam aan de balie, niet minder deed hy zulks
door zijn Historie der Nederlandsche Oorlogen en door zijn werk
over de vrije zee, op hoog bevel in 't licht gegeven. Op zijn
vier-en-twintigste jaar alreeds tot Advokaat-Generaal benoemd,
zag hy zich in 1613 aangezocht door de Regeering van Rotterdam,
het ambt van Pensionaris dier stad te aanvaarden, 't welk hy deed,
onder voorwaarde, dat men hem nimmer zoû mogen afzetten.--Hy kon
zich toen nog niet voorstellen, dat ooit een macht in den Staat zich
krachtiger zoû kunnen doen gelden dan die van een Stadsregeering.--In
ditzelfde jaar naar Engeland gezonden, om de geschillen wegens den
handel op Indiën te helpen beslissen, zag hy zich aldaar een nieuwe
gelegenheid verschaft, om zijn roem zoo wel als zijn kennis uit te
breiden.--Tot nu toe had de fortuin zijn loopbaan bestraald, ja,
hem ruimschoots met alles bedeeld, wat een mensch verlangen kan:
geleerdheid, kunde, vermaardheid, eerambten, een vrij ruim vermogen,
en, om dat alles te bekroonen, een door en door bekwame en wakkere
vrouw. Geen vijf jaren echter waren verloopen, of de staat van zaken
was op eenmaal veranderd. Het beding, dat De Groot--misschien wel op
aandrang zijner echtgenoote--had aangegaan, kon hem wel waarborgen
tegen elk opkomend geschil met de Rotterdamsche Vroedschap, maar
niet tegen het ongenoegen van den Prins. Hoe hy in 1618, in den
val van Oldenbarneveldt medegesleept, tot eeuwigdurende gevangenis
veroordeeld, te Loevestein opgesloten en door de kloekheid van zijn
vrouw verlost werd--is te overbekend, om hier zelfs eenige herinnering
te behoeven. Naar Frankrijk geweken, werd hy met onderscheiding door
Lodewijk XIII. ontfangen en met een jaargeld begiftigd. Had De Groot
in zijn kerker tal van boeken geschreven, te Parijs had hy even zeer
de volle gelegenheid en tijdruimte over, om zich aan letterarbeid te
wijden: en zoo voltooide hy aldaar zijn verdediging van de waarheid van
den Kristelijken Godsdienst, zijn waereldberoemd werk over het Recht
van Vrede en Oorlog, zijn Jaarboeken en een tal van andere werken.
Met dit al ware zijn leven in de plaats zijner ballingschap vrij
treurig, ja, hem ondragelijk geweest, had hem de trouwe Maria van
Reigersberg niet ter zijde gestaan, zy, hem niet enkel als gade,
maar ook als huishoudster onontbeerlijk. Immers, het was met De
Groot gesteld als met meer mannen van de wetenschap. Zijn geest,
bestendig rondzwervende in een meer verheven luchtkring, kon niet
afdalen tot het gewone en alledaagsche. De man, die voor de balie of in
het studeervertrek elke geldquestie zoû ontward en helder uiteengezet
hebben, kende de betreklijke waarde niet der geldstukken, welke hy in
zijn buidel droeg,--wat byna tot zijn ontdekking geleid had, toen hy,
na zijn ontkomen uit Loevestein, van Gorcum naar Antwerpen reizende,
voor een pint bier, onder weg gebruikt, de tiendubbele waarde woû
betalen. Gelukkig was Maria even praktisch en by de zaak als haar
man het weinig was, zoo dat dan ook voortdurend het bestuur over
de huishouding, ja, ook over de geldmiddelen en belangen van haar
echtgenoot by haar berustte. Niet alleen had dit plaats zoo lang zy
zich te Parijs bevond; maar daartoe was ook menige reis naar Holland
noodig, waar De Groot geen veiliger noch waakzamer zaakwaarnemer
dan haar had kunnen vinden. En al blijkt het nu uit de brieven,
die zy aan De Groot schreef, hoe zy elk voorstel, dat zy deed, elke
schikking, die zy trof, bescheidelijk aan zijn oordeel onderwierp,
toch blijkt het tevens, hoe de wakkere huisvrouw wel by haar zelve de
bewustheid koesterde, dat haar betuiging van onderwerping aan beter
oordeel niet hooger kon worden opgenomen dan als een uitdrukking,
door de betamelijkheid voorgeschreven en omtrent gelijk staande met
die, waarby aan 't slot van een brief iemand zich verklaart, eens
anders gehoorzame dienaar te zijn;--hoezeer de schrijver 't alles
behalve heusch zoû opnemen, indien zijn woorden naar de letter werden
opgevat.--Zelfs uit Holland bleef Maria al wat de huiselijke zaken te
Parijs betrof, ja de opvoeding harer kinderen, met overleg en wijsheid
gadeslaan. Niets ontgaat haar aandacht: noch het schoolgaan en de
oefeningen harer kinderen, noch de nieuwe hoed, dien zy oordeelt,
dat haar man noodig zal hebben, terwijl zy tevens meent, dat de oude
wel voor haar zoon Cornelis kan pas gemaakt worden: noch het aan te
koopen paard, 't welk volgends haar bestel een colle en geen blesse
op 't voorhoofd hebben moet: over alles oppert zy bedenking en schaft
zy raad, en echt karakteristiek is de wijze, waarop zy zich nu en dan
beklaagt, dat De Groot een zorg en een moeite op haar laat aankomen,
waarvan zy gewis zeer ongaarne zoû zijn ontslagen geweest.
Reeds dadelijk na zijn komst aan 't bestuur, had Frederik Hendrik
aan De Groot zijn gunst aangeboden en daarby het uitzicht geöpend op
terugkeer in zijn Vaderland. Waarschijnlijk wist de schrandere Vorst
zeer wel, dat dit uitzicht niet zoo gemaklijk, zoo immer, zoû kunnen
worden verwezenlijkt; maar in elk geval moest de gedane stap hem in
de oogen der Staatsgezinden aangenaam maken, en miste dan ook te dien
opzichte zijn uitwerking niet. Het duurde echter tot in October 1631,
eer De Groot, wiens pensioen in Frankrijk Richelieu had doorgeschrapt,
het wagen dorst, zich weêr in Holland te vertoonen. Men had hem
gevleid, dat hy een aanstelling zoû bekomen by de Doorluchtige Schole,
tot wier oprichting de Vroedschap van Amsterdam twee jaren vroeger
besloten had: doch die stichting zelve, in groote mate strekkende, om
de Remonstrants-gezinden te believen, had reeds opspraak en tegenstand
genoeg verwekt, en, altijd behoedzaam, oordeelde de Amsterdamsche
Regeering die niet te moeten vermeerderen door het beroepen van den
man, die, hoezeer meer dan elk ander voor de taak berekend, als de
leider der Remonstrantsche partij beschouwd kon worden, en boven wiens
hoofd nog het vonnis zweefde eener eeuwigdurende gevangenschap. Dit
belette echter niet, dat De Groot de plechtigheid van de inwijding
der gezegde Schole kwam bywonen, en daartoe op den negenden December
naar Amsterdam kwam, waar Vondel, die steeds briefwisling met hem
gehouden had, hem, met dit lied verwelkomde:
Wat saelge wint is 't, die van lelistrant,
Den stroom op, in 't ondanckbre Vaderlant
Hervoert het Delftsche wet-orakel, dat
Gekoffert, als een kostelijcke schat,
Weleer de bange Maes afdrijven quam,
Tot dat de Sein het in haer armen nam,
En sette dat geberghde Godts-kleenoot
Met blijschap op den Koningklyken schoot
Des Aller-Christelijcksten Luydewijcx
Die 't herberg schonck, tot glori sijnes Rijcx,
Op dat het, na 't verstuyven van die wolck
Des drucx verscheen, tot heyl van 't vrije volck,
En 't misverstandt, aensiende 's helts gedult,
Hem weder eerde en riep: het is mijn schult.
De Vader der welsprekendheyt herblonck
Soo weer te Rome, als d' ordenloosheid stonck
Van Klodius, die schadelijcke pest,
Voor 't lichaam van het algemeene best.
Het treurigh aensien van den Staet dat lacht,
De swacke wetten voelen nieuwe kracht.
Self d' ontucht werdt beschaamt van 't eerlijck licht.
Rechtvaerdigheit houdt vree door evenwight.
De Rede stemt niets troebel, maer gesont.
Soo vele ste'en besluyten uyt een mont.
Men tast niet meer in blinde duysternis.
Der burgren oirbaer 't eenigh doelwit is;
En rept er ergens een van dwinglandy.
Daer ooght men op als hiel hy Spanjes sij'.
O groote siel, o son van myn gesangk,
Die weer verrijst, na uwen onderganck,
En ons verheught met desen gouden dagh,
Dien Hollant wel met eere vieren magh,
Wat woorden sal de dankbare gemeent
Best vlyen, als de goutsmit dier gesteent,
Om u t' onthalen op den hooghsten trap,
Van 's kerckers ramp na suure ballinghschap?
O stalen hart al gloeyend hard gesmeet!
O Groothart, met wat hemelschen magneet
Bestreeck Stantvastigheit uw vast gemoet,
Dat het soo heet van liefde 't onswaert woet,
En wraeckt de weelde van een aerts-palleys
En kust het lant sijn strenge stiefmoer peys.
De Drossaart Hooft, niet minder dan Vondel de terugkomst des
doorluchtigen ballings begeerende deed met het volgende gedicht nog
eene poging, om Amsterdam te bewegen tot het beroepen van De Groot:
Sint uw geluk zijn opgang nam;
O hooghgereezen Amsterdam,
En trof uw eerzucht noit het wit,
Daar nu haar heerepyl in zit;
Naardien gy u gingt stellen 't schrap,
Tot winst van waarde wetenschap,
En t' uwer onderrechting riept
Twee helden [1], die der dingen diept
En steilte afpeilen op een prik,
Van 's hemels kruin in 't hart van 't slik.
Noch mangelde aan uw grootheidt wat,
Tot dat het Delphisch puik in stadt
Quam storten uit den boezem Goodts.
Hier mede zijt ghy buiten schoots
Van 't alverblindend onverstandt
En midden in de zon geplant
Der gloory en voorzienigheit.
Kent dan uw' kans, eer dat ze dreidt
Een aardekloot verciert en drukt
Het spansel uwer kroone. Rukt
Die blaauwe parel van haar' top,
En zet' er 't oogh der wijsheit op,
Den overgrooten Huigh de Groot,
Apollos dierbaarste kleinoodt,
't Welk glat doorkeek, wat Griek, Latijn,
Egyptenaar bekent moght zijn:
Gezuivert boven dien is meê
En afgespoeld, in all' de zee
Van 't hof der Frankisch' heerschappy,
Daar eeuwigh gaat soo heet een ty
Van wereldwissels eb en vloedt,
Dat het een dwaas kan maecken vroedt,
En sneedigh slypen door 't verzoek,
Veel beter dan 't geleerdste boek.
O blaakende vernuft, soo puur
Als 't rookelooze starrevuur,
Wanneer hem wolk noch schaduw let?
Ghy stelt aan krijgh en vreê de wet;
't Wargaaren van 't gerecht ghy schift;
Verlicht de duisternis der schrift;
De naamen die uw lof verbreidt
Vergoodt ghy met onsterflijkheidt,
Oft eeuwelijk onsaaligh maakt
De geene die uw oordeel wraakt;
Baardt wonderwerk by wonderdaadt;
En altijds even zwanger gaat,
Maar alle wondren streeft verby,
O Lief der deughde, dat, daar ghy
Die groote wonderen bedrijft,
Soo kleen noch by u zelven blijft.
Dan mits dat ghy u dus verneêrt,
Houdt zich der Eng'len schaar vereert,
Met zich te draagen onderdaan
Aan u, en staâghs ten dienst te staan.
Intusschen, geen voorspraak mocht baten. Haarlem, Leiden en andere
steden hadden weten te bewerken, dat er een aanschrijving aan de
Schouten en Baljuwen geschiedde, om De Groot in verzekerde bewaring
te nemen, en, al wat de Regeering van Amsterdam kon doen, was, zijn
verblijf aldaar oogluikend te gedoogen, of liever, te ignoreeren. De
Groot hield zich dan ook stil te huis, waar hem zijn vrienden kwamen
bezoeken, en zelfs liep het tot in Maart 1632, eer hy zich op straat
dorst vertoonen. Dan nu brachten het zijn vyanden zoo ver, dat door de
Staten van Holland een premie op zijn lijf gezet en wie hem huisvestte
met boete bedreigd werd. Zich nu langer, zelfs te Amsterdam, niet meer
veilig achtende, vertrok De Groot den 17 April te scheep naar Hamburg,
waar hy een geruimen tijd vertoefde. Hier werden hem aanbiedingen
gedaan, om in dienst der kroon van Zweden te treden: hy nam die aan en
ging in 1634 derwaarts, toen de Koningin Kristina hem tot haren Raad
benoemde en, als afgezant, naar Frankrijk zond. Elf jaar bekleedde
hy die betrekking, en keerde toen naar Zweden terug, om verslag van
zijn verrichtingen te doen. Toch bekroop hem wederom de lust, zijn
geboortegrond terug te zien, en hy nam zijn weg over Holland. Thands
niet meer de uitgebannen zwerver, maar de onschendbare Gezant eener
vreemde Mogendheid, kon hy zich te Amsterdam met een vrij en open
gelaat vertoonen, en behoefde niemand langs omwegen en in 't donker
uit te gaan, om hem zijn hulde te brengen; gelijk hy deze keer dan ook
ontfangen werd met de eerbewijzingen, welke men aan zijn rang, en met
de achting, welke men aan zijn persoon verschuldigd was. Zijn verblijf
kon echter uit den aard der zake niet dan kort zijn: gelukkig voor zijn
vrienden, werd het verlengd door een aanhoudenden noordewind: die het
schip, waarmede hy vertrekken zoude, een geruimen tijd tegenhield:
wat aan Vondel aanleiding verschafte, een zijner liefste vaersjens,
een dankdicht aan dien Wind, te schrijven.
Noorden wint, die langs ons stroomen
Knaeght den bloesem op de boomen,
D'opgeloke bloemen schent;
Wiltzangh steurt, en lieve Lent,
En den May, die met zijn zonnen
Quam aenminnigh aengeronnen:
Wintervogel guur en schrael,
Steur den zoeten nachtegael;
Schen de bloemen in de hoven,
Met een lucht van geur bestoven;
Knaegh en eet vry ongetoomt
Zoo veel bloesems op 't geboomt,
Dat vast jammert om genade:
't Is geen noot; want al die schade
Moet nu uit voor d' overbaet,
Die de wijze Magistraet
Rekent by uw schorre buïen,
Die den adem van het zuien
En den blaesbalgh van het west
Sluiten, keeren al hun best.
Zonder dat, gewis wy zouden
Grooten Huigen hier niet houden,
Noch feesteeren in ons stadt,
Nu verrijckt door zulck een schat,
Dien de verresienste Heeren
En gekroonden recht waardeeren.
Och! hy had zijn reis gereckt
Derwaert hem zijn Noortstar treckt,
Vrou Kristine, wiens betrouwen
Uitziet, om dit licht t' aanschouwen,
Dat, al zestigh jaer geleên,
't Hart van Hollant recht bescheen,
En nu hijght om winter klippen
Te bestralen met zijn lippen,
Met zijn oogen, met zijn' mont,
Die de ruwe tygers wont,
Woeste bosschen leert bedaren
En betoomt de blinde baren,
Dat de zee heur aert vergeet.
Zweden, ooreloghs-magneet,
Die, te bloedigh in het wrocken,
Zoo veel yzers hebt getrocken
In uw boezem, gunt dat wy
Zommige uren aen het Y
Ons verquicken met de gaven
Van den Helt, die aan uw staven
Hangt verbonden, hoogh en dier:
Laet dien trousten Batavier
Hier zijn ongemack verzoeten,
Eer hy neêrvall' voor de voeten
Van de trots gekroonde Min,
Uw gehelmde Koningin,
Die, geluckt mijn wensch en bede,
Ons den lang gewenschten Vrede
Voort zal brengen uit haer schoot.
Op dien zegen mach de Groot
Haer bejegenen, en vinden.
Hemel, span gewenschte winden
Voor zijn jaght, en vlugge kiel,
Als de stadt die groote ziel,
Met Gustavus lievereien
Ziet van Aemstels oever scheien,
En te water ondergaen
Om in 't Noorden op te staen.
Vondel deed zijn vriend nog uitgeleide by zijn vertrek naar
boord. Hun afscheid was het laatste, dat zy van elkander namen, en
nimmer zoû De Groot zijn vaderland terug zien. Te Stokholm zijn taak
volbracht hebbende, verzocht en bekwam hy van Kristina ontslag uit
haar dienst: waarna hy weder scheep ging, met het oogmerk, om zich
naar Munster te begeven. Men weet, dat aldaar reeds in 't begin van
1646 de Gevolmachtigden ter vredehandeling verschenen, en 't is niet
onwaarschijnlijk, dat het voornemen van De Groot in verband stond
met die gewichtige samenkomst: wat daarvan echter zy, de uitkomst
beäntwoordde niet aan zijn verwachtingen. Door storm beloopen, moest
hy op de Pommersche kust aan wal gaan en zijn reis te land, in ziekte
en ongemak, vervolgen. Zijn ongesteldheid verergerde, en hy zag zich
gedwongen, te Rostok stil te blijven, alwaar hy, na eenige dagen
bedlegerig te zijn geweest, op den 28sten Augustus overleed. Vandaar
werd zijn lijk naar Delft gevoerd en in zijn familiegraf bygezet. Zoo
mocht De Groot, na zijn sterven, toch in zijn vaderland die rust
vinden, welke men er hem by zijn leven geweigerd had.
Maar zoo hy de grootste helft van het tijdvak, dat er verliep sedert
zijn vroegste jongelingschap tot aan zijn dood, buiten Nederland had
doorgebracht, toch was zijn invloed op de vorming zijner landgenooten,
op de ontwikkeling der wetenschap aldaar, duurzaam en van kracht
geweest. Hy was en bleef de vraagbaak, tot wien Hooft zich wendde,
waar 't de geschiedenis of de regelen der taal, Vondel, waar 't poëzy,
Vossius of Barleus waar 't de klassieke letterkunde, zoo vele anderen,
waar 't de rechts- of godgeleerdheid of eenige andere wetenschap
gold: ja men zoû gerustelijk durven beweeren, dat, gedurende het
geheele tijdvak van Frederik Hendriks bestuur, geen werk van eenig
belang, in welk vak ook, is uitgekomen, waarover men De Groot niet
geraadpleegd heeft. Ook daarom, behalve om de straks genoemde reden,
is zijn naam van dat tijdvak onafscheidelijk, en wijzen wy hem hier,
naast zoovelen zijner vrienden, de plaats aan, die hem by zijn leven
zoo onbarmhartig is ontzegd.