MARTEN HARPERTSZOON TROMP.

In het jaar 1610 zwierf een roofschip in de Spaansche zeeën, waarop

een knaapjen van ruim dertien jaren als kajuitwachter voer. Hard en

lastig was de dienst, welken hy te verrichten had: sober en slecht

het voedsel, dat hem werd verstrekt: en geen ander loon trok hy voor

zijn moeite dan scheldwoorden en slagen. Maar moeilijker te verduren

dan dit alles waren de aandoeningen, die den knaap pijnigden zoo

dikwijls hy zijn lot overdacht;--want hy had de betrekking, welke hy

vervulde, niet vrijwillig gekozen; want over het vaartuig, waarop hy

nu ruim twee jaren in slaafsche dienstbaarheid had doorgebracht, had

eenmaal zijn vader het bevel gevoerd; want aan den ruwen vrijbuiter,

dien hy zijn meester noemde, had hy den dood zijns vaders te wijten;

en nog bestendig herriep zijn verbeelding dat verschriklijk tooneel,

toen, door den pulverdamp heen, de afschuwwekkende, door zon en

kruit gebronsde gelaatstrekken der roovers, die over de verschansing

klouterden, zich voor zijn oogen vertoonden, toen moord en vernieling

om hem heen woelden, zijn vader in zijn nabyheid met gespleten

schedel op het dek werd geworpen, en hy vergeefs den bangen kreet

liet hooren: "zal niemand den dood mijns vaders wreken?"--Helaas! er

was weldra niemand meer, om aan die roepstem gehoor te geven: en,

alleen uit de algemeene slachting gespaard, had hy voortaan aan de

bevelen van zijns vaders beulen moeten gehoorzamen. Kan men zich

beklagenswaardiger, ellendiger toestand voorstellen dan die van den

armen knaap? Kan er hopeloozer toekomst worden uitgedacht dan die

hem scheen te verbeiden? En toch, diezelfde knaap, die van allen dus

verlaten scheen, God had hem niet verlaten, God had hem bewaard, om,

door tijden en beproevingen, eenmaal rijp te worden voor de roeping,

tot welke hy bestemd was, om, uit dien staat van diepe vernedering,

zich een weg te banen tot de hoogste eerambten, om de hersteller te

worden van ons zeewezen en de schepper onzer vloot, en zich een naam

te verwerven, naast welken men er weinige, boven welken men er geenen

stellen kan;--want die knaap was Marten Harpertszoon Tromp.

Uit zijn drijvenden kerker ontkomen, was hy, verre van afgeschrikt te

zijn door de uitgestane rampen, verre van in een stil en rustig leven

in zijn vaderstad den Briel vergoeding daarvoor te zoeken, op nieuw

die loopbaan ingetreden, welke hem als kind zijn vader gewezen had, en

die hem alleen in staat kon stellen, zijns vaders dood te wreken. Een

snelle bevordering was het loon zijner plichtsbetrachting. In 1622

Luitenant op een oorlogschip, kreeg hy twee jaren later reeds het

bevel over een fregat. In 1629 op den tocht tegen de Duinkerkers,

bevond zich Piet Hein op het schip van Tromp, en werd aan zijne

zijde doodgeschoten. Maar reeds had de groote Amiraal aangaande hem

herhaaldelijk de getuigenis afgelegd, dat hy vele wakkere kapiteins

gekend, maar altoos 't een of 't ander gebrek by hen gevonden had; doch

nooit in Tromp, die alle deugden bezat, in een scheepsvoogd gevorderd.

En toch scheen het een wijl, als of onze held in zijn loopbaan moest

gestuit worden. Miskenning en teleurstelling vielen hem te beurt:

zijn schip werd hem ontnomen, en, diep gegriefd, verliet hy voor een

tijd den werkelijken dienst om een administratieve betrekking by de

zeezaken te bekleeden.--Maar wat schijnbaar nadeelig was voor zijn

bevordering tot hoogeren rang moest strekken om hem te meer daarvoor

geschikt te maken. Door den aart zijner bediening leerde hy nu, aan

praktische ervaring, theoretische kennis paren, de misbruiken, by 't

bestier van 't zeewezen ingeslopen, nog meer van naby onderscheiden

en op middelen peinzen tot hun herstel. Die misbruiken en het gebrek

aan orde en vaste regelmaat, waarover luide geklaagd werd, gaven dan

ook aanleiding, dat, in 1637, aan den Luitenant-Amiraal van Dorp zijn

ontslag als zoodanig werd gegeven, en de Staten naar iemand omzagen,

die van de noodige veerkracht en kennis was voorzien en geschikt om

de zaken op een beteren voet te brengen. Men had het oog op Reael,

die, zoo wel toen hy onder Willem van Nassau 's Lands vloot had

aangevoerd, als gedurende zijn bestuur in de Oost-Indiën, blijken

zijner bekwaamheid had gegeven; doch het onverwacht overlijden van

dezen verdienstelijken man was oorzaak, dat de keuze op Tromp viel en

de Staten hadden geen reden om zich over deze keus te beklagen. Niet

alleen deed hy terstond zijn wakend oog over alles gaan wat herstel of

verbetering noodig had; maar geen jaar verliep er na zijn aanstelling

of hy gaf het schitterendste bewijs van zijn geschiktheid voor den

hoogen rang, waartoe hy zich geroepen zag.

Reeds sedert lang was het hier te lande bekend, dat de Koning van

Spanje uit de onderscheidene Staten, aan zijn heerschappy onderworpen,

de kloekste en meest bekwame vaartuigen vereenigde, ten einde daarmede

een vloot samen te stellen, die--zoo vleidde men zich in Spanje--aan

de onze de zee zou doen ruimen. Men wist hier insgelijks, dat naar

Duinkerken last gezonden was, de grootste schepen naar Spanje te

zenden, om die vloot te versterken. In den aanvang van 1639 waren

dan ook twintig vaartuigen uit die haven gezeild; doch niet te

vergeefs kruiste Tromp op de Vlaamsche kusten. Ofschoon hy niet

meer dan elf schepen by zich had schuwde hy den ongelijken strijd

niet. Moedig tastte hy, op den 28sten February, de Duinkerkers aan,

veroverde, na een hardnekkig gevecht van acht uren, twee van 's vyands

zwaarste schepen, joeg dat van hun Vice-amiraal op het strand, waar

het verbrandde, en noodzaakte de overige hun behoud in de vlucht te

zoeken en zich weder te bergen in de haven, die zy verlaten hadden. De

Markies van Fuentes, de kommandant van Duinkerken, die met zijn koets

naar 't strand gereden was om getuige te zijn van de viktorie, door

de zijnen behaald, was alleen getuige van hun nederlaag.

De haven kon echter niet voortdurend geblokkeerd blijven en zoo gelukte

het later den Duinkerkers, aan het hun gegeven bevel te voldoen. De

Spaansche vloot was hierdoor niet weinig versterkt; want de Duinkerker

schepen waren niet alleen voortreffelijk gebouwd en bezeild, maar

ook bemand met wakkere zeelieden, die met onze zeegaten en stroomen

bekend waren.

In dezen stand van zaken en by de onzekerheid waarin men omtrent

het doel der afgezonden vloot verkeerde, kreeg Tromp bevel, met een

smaldeel in 't kanaal te kruisen, terwijl Banckert de haven van

Duinkerken bezette en de Witte zich met een klein getal schepen

gereed moest houden om by te springen wie hulp behoefde. Dubbele

waakzaamheid was er noodig; daar men niet alleen op de Spanjaarts te

passen had, maar ook op onze Engelsche zoogenaamde bondgenooten, die,

nayverig op het aanwassen onzer macht ter zee, volgaarne de middelen

by de hand namen die zich aanboden om ons afbreuk te doen, en, in 't

geheim onzen vyand begunstigden. Dit bleek onder anderen, toen men,

by 't onderzoek van drie Engelsche koopvaarders, daarin een duizendtal

Spaansche soldaten vond en gevangen nam, die er mede waren overgevoerd.

Het was eerst op den 15den September, dat Tromp, op de hoogte

van Bevezier, de Spaansche vloot ontdekte. Zy bestond uit niet

minder dan zeven-en-zestig schepen, meest van de zwaarste soort. Het

amiraalschip was van 800 last en voerde 66 stukken: die van de Amiraals

van Kastiliën en van Napels van 600 last, voerden, het eene 54, het

andere 60 stukken. Doch de mater Teresa, waarop de Amiraal van Portugal

gebood, was van 1210 last, met 68 stukken en 1200 man gewapend. Het

gezamentlijk getal stukken, die de vloot voerde, was 1700 en dat der

manschappen 24,000, waarby zich de puik der Spaansche en Portugeesche

legerbenden bevond en de bloem van den adel uit beide Rijken. Aan het

hoofd der vloot stond Don Antonio d'Oquendo, een zeeman en bevelhebber

van beproefde ervaring.

En wat kon Tromp overstellen tegen zulk een zeemacht?--Niet meer dan

een smaldeel van dertien schepen: welk getal, ook al gelukte het hem,

den bystand van de Witte en van Banckert te bekomen, slechts tot een

dertigtal kon gebracht worden, dat ter naauwernood zoo vele stukken

voerde als des vyands Amiraalschepen alleen. Maar op die schepen

van Tromp waren zeelieden, in den krijg op de Vlaamsche kusten,

in de Middellandsche en Indische zeeën en op den grooten Oceaan,

geoefend en gehard, en Bevelhebbers, die nooit gewoon waren geweest,

hun vyanden te tellen. Daar toch vond men den onverschrokken de Witte,

wien de hem gegeven naam van "Vechtvraag" reeds genoeg afschildert:

daar Joost Banckert, die de zilvervloot had helpen winnen en aan de

Duinkerkers slag op slag had toegebracht; de man, die den dood zoo

weinig schroomde, dat hy eens, door overmacht van vyanden benaauwd,

zijn eigen zoon met een brandende lont in de kruitkamer geplaatst had,

met last, die daarin te werpen, zoodra tegenweer noodeloos werd: daar

zoo velen, waarvan elk in deze galery een plaats verdiend had, indien

die aan anderen dan aan de meest uitschitterenden kon gegeven worden.

Was het wonder, dat, toen een krijgsraad, uit mannen als de hier

genoemden samengesteld, door Tromp werd geraadpleegd, hoe onder de

bestaande omstandigheden te handelen, het besluit algemeen genomen

werd, al het mogelijke te beproeven om den vyand afbreuk te doen. Een

der kleinste schepen werd afgezonden aan de Witte, die in de Cingels

kruiste, en aan Banckert, die voor Duinkerken lag, met last, zich

onverwijld by hem te voegen. Reeds den volgenden dag was de Witte,

met de vijf schepen die hy aanvoerde, by Tromp: en met dit kleine

getal van zeventien schepen besloot men nu, de zeven-en-zestig des

vyands aan te tasten.

De Spaansche vloot, die den wind in haar voordeel had, kwam nu

tegen de onze opzetten, welke d'Oquendo zich voorstelde spoedig

uit zee te zullen drijven. Maar jammerlijk vond hy zich in zijn

verwachting bedrogen. In stede van te wijken, wenden de schepen van

Tromp op eenmaal den boeg, storten zich midden tusschen hun vyanden,

en brengen er schrik en verwoesting. De kracht van den metalen boog,

gelijk Tromp de Spaansche vloot genoemd had, was gebroken en d'Oquendo,

geen geneigdheid hebbende den strijd langer voort te zetten, naar de

Cingels geweken. Maar het schip van de Witte was reddeloos geschoten

en een ander onzer vaartuigen in de lucht gesprongen. De reeds

zoo onbeduidende macht der Nederlanders was dus nog meer verzwakt:

Des-niet-te-min bleef Tromp by het eens genomen besluit volharden, en,

op den 17den door mist opgehouden, kwam hy op den 18den de Spaansche

vloot weder op zijde en hernieuwde het gevecht, dat, terwijl de beide

vlooten met schoon weer en zuidoosten wind naar de Hoofden dreven,

de geheele nacht by maanlicht voortduurde. Niet weinig klom de moed

der onzen, toen, met den dageraad, Banckert met twaalf schepen

kwam opdagen. Die tijdige bystand besliste de overwinning. Twee

Spaansche schepen vielen den onzen in handen: de rest week, tegen

tien ure in den morgen, onder het geschut der Engelsche kasteelen

van Duins. Terwijl hier eenige moeilijkheden tusschen de Britsche en

Spaansche Bevelhebbers vereffend werden over het strijken der vlag,

zeilde Tromp naar Calais, voorzag er zich van versche krijgsbehoeften,

hem door den Franschen Bevelhebber goedgunstig afgestaan, en was

reeds den volgenden dag in staat, ten zuiden van Duins het anker te

laten vallen; terwijl Banckert aan de Spaansche vloot ten noorden

den uittocht afsneed, die haar ten oosten door een zandbank werd belet.

Naauwlijks had de Witte, die met zijn beschadigd schip naar het

Vaderland gezonden was om verslag van het gebeurde te geven, aan

de Staten-Generaal medegedeeld, hoe onze geringe scheepsmacht de

Spaansche vloot niet alleen met goed gevolg had aangetast, maar

zelfs voor Duins hield ingesloten, of alles werd in 't werk gesteld

om Tromp de middelen te verleenen, ten einde het begonnen werk te

voltooien. Overheden en onderzaten, Holland en Zeeland, Amiraliteiten

en Indische Maatschappyen, allen wedyverden, wie 't spoedigst het

noodige verschaffen zoû: alle kleine oneenigheden en jaloezyen

schenen vergeten en by kollegies noch personen heerschte een andere

gedachte meer, dan die, om het grootsche doel, dat men voor oogen

had, te bereiken. Dagelijks verlieten behoorlijk uitgeruste schepen

onze havens, en vervoegden zich, door een aanhoudenden oostewind

begunstigd, by de vloot, die alzoo, tot verbazing van geheel Europa,

binnen den tijd van vier weken, tot een aantal van 96 oorlogschepen

en elf branders was aangegroeid.

Maar was Tromp nu in staat gesteld, met hoop op goeden uitslag

den kamp voort te zetten, de Spanjaart was niet de eenige vyand,

van wien hy tegenstand te wachten had. Karel I had reeds aan onzen

Gezant doen weten, dat hy op zijn reede geen gevecht zoû dulden, maar

hem, die het begon, als vyand zoû behandelen. Aan dertien Spaansche

schepen liet hy gelegenheid verschaffen om onder geleide van Engelsche

vaartuigen by nacht te ontsnappen, langs een weg, door de Engelschen

zelve als onbevaarbaar opgegeven. Een Britsche zeemacht werd by Duins

verzameld om tegen de schending der reede te waken, met andere woorden,

om den Spanjaart tegen ons te beschermen: en de Engelsche vlootvoogd

bleef dag aan dag by Tromp, nu eens op vleienden, dan op dreigenden

toon, aandringen, dat hy zijn opzet zoû laten varen. Maar Tromp had

nu eenmaal uitdrukkelijk bevel bekomen om de Spaansche vloot aan te

tasten en, zoo mogelijk, te vernielen; en geen vleitaal of bedreiging

was in staat hem te verhinderen in 't volbrengen van dien last. Hy

bleef voor Duins liggen, verdubbelde in waakzaamheid en sloot de

vloot des vyands al naauwer en naauwer in. Intusschen beseffende,

dat een aanval op deze, terwijl zy ter reede van Duins lag, onder

bescherming der Britsche kasteelen en in de nabyheid eener Britsche

vloot, op zich zelf een hachlijke zaak ware, wenschte hy haar de

reede te doen verlaten en in de open zee te kunnen aantasten, waardoor

aan de Engelschen alle voorwendsel om den strijd te verhinderen zoû

worden ontnomen. En toen d'Oquendo, hiervan verwittigd, allerlei

voorwendsels te baat nam, om op de reede te blijven, onder anderen,

dat hy masten en stengen noodig had, die te Dover lagen, liet Tromp

die door een zijner schepen halen en by den Spaanschen Amiraal aan

boord brengen. Nu kwam deze met een andere uitvlucht te baat: hy had

gebrek aan kruit. En nu dorst de Engelsche opperbevelhebber aan Tromp,

uit d'Oquendoos naam, het voorstel doen, dat hy dezen eenige duizenden

ponden kruit zou verschaffen!--Zonderling moge dit voorstel schijnen,

nog zonderlinger is het, dat Tromp het in den krijgsraad bracht: en het

zonderlingst van allen is, dat de krijgsraad genoeg vertrouwen stelde

op de Nederlandsche dapperheid, om te besluiten d'Oquendo het kruit

te sturen dat hy behoefde. "Zy verstonden" zegt het dagboek van Tromp,

"dat men dat kwaad zou willen doen."

d'Oquendo behielp zich nu langer met geen uitvluchten, maar bleef in

Duins. Het geduld van Tromp was ten einde en hy besloot, in spijt

der Engelschen, den aanval te doen. Op den 21sten October begon de

vloot den aanval. By die der Spanjaarts, door de engten der plaats in

haar bewegingen belemmerd, ontstond aldra verwarring, en, naauwlijks

had de strijd een aanvang genomen of de Amiraal van Kastiliën met

twee-en-twintig andere schepen raakten aan wal. Zoo hevig werden deze

beschoten dat zy weldra van hun volk verlaten werden, en zeventien

daarvan door onze branders vernield. Intusschen hadden andere branders,

door Kapitein Musch bestuurd, de Mater Teresa in vlammen doen opgaan,

van wier manschap naauwlijks 200 behouden werden. d'Oquendo was

er in geslaagd, met een gedeelte zijner macht uit Duins in zee te

loopen. Snel als de honden, die het boschzwijn uit zijn schuilplaats

hebben opgejaagd, vervolgden hem de schepen van Tromp. Dertien

Spaansche oorlogsvaartuigen werden veroverd: andere verzeilden op

de zandbanken: aan tien of twaalf mocht het gelukken, met d'Oquendo,

de tijding der geleden nederlaag binnen Duinkerken te brengen.

Zoo noodlottig liep voor de Spanjaarts een onderneming af, die zulke

onmetelijke schatten had gekost! Grooter zee-triomf dan die van Tromp

was, by ongelijker kans, nimmer bevochten geweest. Was het wonder, dat,

toen hy aan wal stapte, zijn reis naar den Haag een zegetocht geleek;

en dat zoowel de machtigste Regenten als de nederigste burgers hem

om strijd lof en eere toebrachten, als aan den grootsten zeeheld,

dien Nederland ooit had bezeten?

Het is hier de plaats niet, Tromp te volgen in zijn luisterrijke

loopbaan, noch omstandig de heldenfeiten te verhalen, later door hem

verricht in dien bloedigen kamp tegen Engeland, toen zijn gelukster

en die van Blake beurtelings op- en onderdoken, en de roem, door den

overwinnaar behaald, telkens alleen scheen te kunnen worden opgewogen

door dien, welken zijn tegenstander zich had verworven. Die feiten

behooren tot een tijdvak, afgescheiden van hetgeen dat wy behandelen:

en toch mogen wy het niet verzwijgen, dat zoo, ten tijde dat Joan

de Witt het opperbestuur voerde, onze vlooten zich by voortduring

onderscheidden, zulks grootendeels te danken was aan hem, die orde in

't zeewezen gebracht had, en in wiens school mannen, als de Witte,

de Ruyter, van Galen, de Evertsens, Kornelis Tromp, Meppel en zoo vele

anderen zich gevormd hadden. Mochten wy het ook maar kunnen verzwijgen,

hoe, in 1652, nogmaals ondank en miskenning den held van Duins moesten

treffen en hoe hem--was het dan ook maar voor een korten tijd--ontzegd

werd zijn vaderland te dienen. Dat ongelijk--die misslag, zoo men

liever wil,--werd hersteld; maar de miskenning bleef voortduren: en

nog heden wordt Tromp niet geschat op die hoogte, waarop hy werkelijk

behoort geplaatst te worden. Verre zij het van ons, de verdiensten

van eenigen, na hem gekomen zeevoogd, te willen verkleinen; doch

dit vergete men nimmer, dat, zoo Nederland, na dat de slag te Duins

gestreden was, zijn rang als Zeemogendheid van toen af gevestigd zag,

en het gewicht van onzen Staat onder de Mogendheden door niemand meer

kon geloochend worden, zoo de Staten-Generaal, en te recht, oordeelden,

voortaan den tijtel van Hoog-Mogenden te kunnen voeren en den pas

voor de Keurvorsten vorderen, zy het in de eerste plaats aan Tromp

verschuldigd waren, wiens glansrijk voorbeeld, als een elektrische

vonk, geheel de Natie had aangevuurd tot de bevochten overwinning.

Tromp stierf den heldendood op den 10den Augustus 1653, en wy zeggen

het Vondel na:

Hy ruste nimmer onbeweend,

Al heeft de Doot het lyf verslonden:

De Faem is aen geen graf gebonden,

De Deught verduurt het kout gebeent.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 19 / 41 题