Het is onder alle omstandigheden een moeilijke taak, de aanspraken,
welke zich groote mannen op de dankbaarheid of den lof der
nakomelingschap hebben verworven, op zoodanige wijze te schetsen,
dat zich in onze schets beknoptheid aan volledigheid pare, en tevens
een afschrikwekkende dorheid worde vermeden. Maar byna onmogelijk
wordt de vervulling van die taak, waar het een man geldt, die,
en door de verhevenheid van zijn genie, en door het belangwekkende
zijner persoonlijkheid, en door het talrijke zijner voortbrengselen,
en door den invloed, welken hy uitoefende, een geheel afzonderlijk,
een buiten en boven zijn tijdgenooten uitschitterend standpunt innam,
waar het een man geldt als Vondel. Hier wordt zoo wel beknoptheid aan
de eene als volledigheid aan de andere zijde onbereikbaar. Zoo min
als men in weinige woorden een behoorlijk begrip kan geven van de rol,
door een Plato, een Cezar, een Luther, een Napoleon, vervuld, zoo min
kan men in enkele regels den dichter schilderen, die, op eenmaal en
op 't onverwachtst als met adelaarswieken zich boven den dampkring
verheffende, waarin zich zijn tijdgenooten bewogen, zich gedurende
meer dan zeventig achtereenvolgende jaren bleef handhaven in de hooge
sfeer, welke hy had ingenomen, den man, aan wiens geest elk bykomend
jaar, in stede van verzwakking of verflaauwing, nieuwe veerkracht,
kostbaarder rijkdom, hooger veredeling scheen toe te brengen: die,
geen stof onverhandeld, geen maat ongebruikt latende, zich ten allen
tijde beheerscher toonde van stof en maat, zich beurtlings kenmerkte
als stout en verheven lof- en lier- en treurspeldichter, als zwierig
en bevallig feest- en bruiloftzanger, als gemoedelijk, belezen en
innemend leer- en zededichter, als scherp en puntig hekeldichter,
als kernachtig en naauwkeurig byschriftschrijver, als liefelijk
en geestig minnezanger: die zich op ieder veld even vrij, even
gemakkelijk, met even veel bevalligheid en geluk, wist te bewegen,
en die, zelfs al waren zijn tallooze dichtvruchten door een balsturig
noodlot ons onthouden geworden, nog om zijn prozastijl als de schepper
van een rein, helder, verstaanbaar en welklinkend Nederduitsch, als
het voorwerp van aller bewondering, als de gids en vraagbaak aller
schrijvers, in onze taal zoû geroemd mogen worden: hem eindelijk,
die ook als mensch achting verdient niet alleen, maar zelfs onze
beschouwing overwaardig is.
Doch zoo aan den eenen kant een vluchtig vermelden van al de tytels,
krachtens welke zich Vondel een onsterfelijken naam verwierf, alleen
zoû neêrkomen op een onnoodig herhalen van wat honderd malen gezegd is,
een herhalen, dat niemand zoû kunnen bevredigen, even min zoû, aan den
anderen kant, de steller dezer regelen kans zien, te dezer gelegenheid
en plaatse in zijn voorstelling een volledigheid te brengen, welke
hy zelfs wanhoopt, elders, in een duizendmaal uitvoeriger werk,
te bereiken.
Liever alzoo dan hier roekeloos een poging te wagen tot het geven van
een overzicht, 't zij van Vondels leven, 't zij van 's mans werken--een
poging, die uit den aart der zake falen moet--ons vergenoegd met
die beschouwingswijze, welke ons van zelve binnen den kring bepaalt,
dien wy om onze tafereelen hebben heengetrokken, en in breede trekken
aangewezen, welken invloed het tijdperk van Frederik Hendriks bestuur
op Vondels aanleg en loopbaan als dichter uitoefende:--om daarna,
met even vluchtigen blik, den invloed te beschouwen, welken hy zelf
als schrijver wederkeerig uitoefende op zijn landgenooten.
Een der meest sprekende, zich gedurende geheel zijn levensloop
bestendig openbarende karaktertrekken van Vondel was een ingeschapen
afkeerigheid van alle vervolging, zoo wegens politieke als wegens
godsdienstige begrippen en gevoelens. Die haat tegen geloofsdwang,
licht te verklaren by den zoon van ouderen die, om 't geloof vervolgd,
als bannelingen hadden rondgezworven, was niet weinig versterkt
geworden door de gestrenge handelwijze, welke de heerschende
party in 1619 zich--zoo op 't gebied van den Staat als op dat der
Kerk--veroorloofd had jegens mannen, voor wie hy met achting en eerbied
vervuld was niet alleen, maar wier gevoelens voor een groot deel met de
zijne zoo geheel schenen overeen te stemmen. Immers als voorstander van
den vrede, wat Vondel reeds als jongeling was, toen hy nog de gevoelens
der uit hun aart vredelievende Doopsgezinden aankleefde, en tot aan
zijn laatste levensdagen bleef, moest hy zich wel ingenomen toonen met
de party, die 't sluiten van het Twaalfjarig Bestand had doorgedreven:
en evenmin kon hy, als Lidmaat eener afgezonderde Gemeente, anders
dan met afkeuring getuige zijn van de aanmatigingen der heerschende
Kerk.--En, mochten al zijn toenmalige geloofsgenooten, als ware
"Stillen in den Lande", zich er by bepalen met over hetgeen gebeurde
te treuren in de eenzame afzondering hunner binnenkamers, voor den
levendigen, ja licht opbruischenden geest van den nu even dertigjarigen
dichter moest het een behoefte zijn, zich, óf in roerende klachten
over het ongelijk, zijnen vrienden aangedaan, en over het lijden, dat
zy ondergaan moesten, óf in heftige uitvallen tegen hun vervolgers en
onderdrukkers, lucht te geven.--Doch, het was niet zoo lang "Gommers
recht" door de "stalen kling" van "mijn Heer den Prins getroost"
werd, dat dergelijke uitingen van smart of van verontwaardiging zich
in 't openbaar zouden hebben kunnen wagen: ja reeds stak er gevaar
in, ze binnen vertrouwelijke kringen aan beproefde vrienden te doen
hooren.--Maar Maurits trad van het tooneel der waereld af: een milder
staatkunde scheen het nieuwe Bestuur te zullen kenschetsen, en nu van
allen schroom verlost, of liever, alle gevolgen tartende, trad Vondel
met zijn klaag- en straf- en hekeldichten manmoedig te voorschijn. De
lang onderdrukte gemoedsopwellingen hadden zich lucht gegeven, en,
was het in 't openbaar verschijnen van werken als "het Stockske van
Oldenbarnevelt", de "Geusen Vesper", de "Weeghschael van Hollant", en
de "Palamedes" aan te merken als een gebeurtenis van hooge politieke
beteekenis, het bracht te gelijker tijd het verbaasde Nederland tot
de ontdekking, dat het in Vondel een dichter te begroeten had, even
groot in elk der zoo uiteenloopende vakken, welke hy had aangegrepen,
en wiens gelijke het tot dien tijd niet had bezeten.
En niet enkel zy, die met 's mans begrippen instemden, moesten tot
die overtuiging geraken: ook de tegenparty besefte het: zy voelde
zich tot in haar binnenste gekwetst, en, ziedende van wraak, nam
zy dat middel te baat, 't welk immer een tegenovergestelde werking
heeft dan er mede beoogd wordt: zy deed den schrijver de eer aan,
hem te vervolgen. Een korte wijl hing onzen dichter het gevaar boven
't hoofd, dat zijn vrijmoedig geschrijf hem den hals zoû kosten;--maar
toen de geheele zaak op een onbeduidende boete uitliep, toen gevoelde
hy, de kousewinkelier uit de Warmoesstraat, dat hy voortaan een
macht was tegen over de Synodale party, en, fierder en krachtiger
en bijtender dan ooit ging hy voort, haar met het zwaar geschut van
zijn dichtelijken geest en met de puntige pylen van zijn satyriek en
schalksch vernuft te bestooken.
Vondel had in het optreden van Frederik Hendrik den dageraad van
een nieuw en gezegend tijdperk begroet. Hy zag in hem den man,
die binnen 't Land verdraagzaamheid zoû doen heerschen, en, door
zijn krijgsbeleid, aan den vyand daar buiten den zoo gewenschten
vrede af zoû dwingen. Het was dan ook geen vleiery, toen hy, in zijn
"Princeliet", in zijn "Oranje Mayliet", hem met zijn hooge eerambten
geluk wenschte en begroette, toen hy, kort daarna, by gelegenheid
dat 's Prinsen huwlijkskoets met een zoon gezegend werd, aan het
vorstlijk echtpaar zijn heerlijken Geboortezang toezong: het was
even min vleizucht, die hem achtereenvolgends zijn schoone, in toon
en maat zoo geheel verscheiden Zegezangen ingaf op de verovering van
Grol, van 's Hertogenbosch en van Maastricht:--immers nooit was van
den Prins een enkel gunstbewijs, een enkele gift, een enkel woord
van dank of goedkeuring tot hem gekomen:--en, wat meer zegt en het
sprekendst bewijs levert, hoezeer Vondels poëzy de uitstorting was van
innig gevoel en oprechte overtuiging, zoodra hy begon te bespeuren,
dat die vrede, naar welke hy zoo verlangd uitzag, voortaan meer door
Spanje dan door den Stadhouder gewenscht werd, klonk de loftrompet
voor dezen laatste niet langer, en strekte die uitsluitend tot viering
en verheffing dier Amsterdamsche Regenten, wier wenschen en richting
met de zijne overeenstemden. In 1837, gelijk later in 1831, was de
juichtoon over behaalde lauweren algemeen door alle Vaderlanders
aangeheven; doch zoo wel toen als later, waren eindelijk ook degene,
die 't zij Frederik Hendrik, 't zij Koning Willem den Eerste 't
luidst geprezen en aangemoedigd hadden, het stelsel van volharding
moede geworden, ja begonnen het aan te merken als doodelijk voor 's
Lands belangen. Van daar dan ook, dat, noch in den "Getemden Mars",
noch in de "Leeuwendalers", noch in eenig ander dichtstuk, door Vondel
ter viering van den vrede van 1648 vervaardigd, een enkele toon meer
voorkomt ter eere van onze helden, of ter waardeering van den roem,
in tachtig jaren strijds door hen verworven:--neen, enkel dank-
en jubeltoonen over het ophouden van den krijg, over de zegeningen,
van den vrede te verwachten.
Het is die grondtoon "Vrede! Vrede!" in al de gedichten van Vondel
herklinkende, waaruit zich alleen het feit verklaren laat, dat hy,
en toen en tot aan zijn einde toe, by voortduring de dichterlijke
tolk bleef der gevoelens van de Amsterdamsche Regering:--en zulks
in weêrwil van de menigvuldige oorzaken, die schijnbaar tot geheel
andere gevolgen hadden moeten leiden. Immers sedert 1640 had Vondel
uit overtuiging de leer der Roomsgezinden omhelsd, en met den yver eens
jeugdigen bekeerlings, maar tevens met de geleerdheid van een belezen
theoloog, de beginselen dier leer verdedigd in uitgebreide dichtwerken,
even zeer uitmuntende door poëetischen gloed en schildering, als door
scherpzinnige dialektiek:--immers was, van dat tijdstip af, in Vondel
de Zuidnederlander meer dan vroeger ontwaakt, de Zuidnederlander,
met zijn Katholyke strekkingen en verzuchtingen, met zijn artistiek
gevoel, zijn gehechtheid aan legenden, aan overleveringen, aan
kerkplechtigheden en ceremoniën:--immers was hy met hart en ziel
een voorstander en verdediger geworden van het Goddelijk recht
der vorsten en had hy de afzwering van Filips als een misdaad
leeren veroordeelen en als een misslag betreuren:--immers was er
tusschen hem, den nu verarmden en nederigen burgerman, die noch tot
de heerschende Kerk behoorde, noch zelfs het poortrecht in de stad
zijner inwoning bezat, en het nakroost zijner voormalige medebroeders
in de Rederijkkamers--dat nakroost, 't welk thands, oppermachtig
Gezeten op het schild met kruyssen overladen,
aan Koningen de wet voorschreef--een maatschappelijke verwijdering, een
kloof ontstaan, van hoedanig eene latere eeuwen geen voorbeeld kunnen
aanwijzen.--En toch in weêrwil van dat alles bleef de Paus- en Konings-
en Spaansgezinde artistieke burgerman tot aan zijn dood de getrouwe
bondgenoot en medestrijder van de gereformeerde, aristokratische,
materiëele Amsterdamsche Regering, met wier staatkunde, met wier
belangen, met wier denkwijze, met wier lief en leed hy zich als
vereenzelvigde, ja zoo zelfs, dat hy er op 't laatst zijn zoo innige,
door zoo veel gloeiende gedichten bewezen liefde voor 't Huis der
Stuarden aan ten offer bracht:--Maar die Regenten waren tegen de
vermeerdering van 't krijgsvolk, als hy: tegen de aanwassende macht
des Stadhouders, als hy: tegen al wat het oorlogvoeren bevorderen kon,
als hy: en van den anderen kant stonden zy die verdraagzaamheid voor,
welke hy steeds gepredikt had voor anderen, en nu ook voor zich en
zijn geloofsgenooten behoefde:--en hierin zoeke men de oplossing van
een raadsel, dat anders onverklaarbaar schijnen zoû.
Misschien was er nog een andere reden, die Vondel aan de Amsterdamsche
Regenten deed hechten, namelijk zijn gehechtheid aan Amsterdam. Vondel
was, wy herhalen het, meer Zuidnederlander dan Hollander: hy gevoelde
zich t'huis te Antwerpen, te Brugge, te Brussel, plaatsen, meer
dan eens door hem bezocht, beter dan te Rotterdam, te Delft of te
's Gravenhage, in welke steden het nog de vraag is of hy wel ooit een
voet gezet heeft. Maar Vondel was en bleef Amsterdammer. In Amsterdam
had hy van jongs af gewoond: hy had er geld verdiend en verloren:
hy had er lief en leed gekend, er dierbare panden in de wieg gezien
en ten grave gebracht: hy had er glorie en miskenning ondervonden:
en by dat alles hy had de stad zien worden wat zy was, de groote en
machtige, die, gelijk hy 't uitdrukte,
Als Keyzerin de kroon droegh van Europe.
Al die wonderen, die met en uit het tijdvak dat wy beschrijven
binnen haar muren waren gerezen, die heerlijke driedubbele gordel
van prachtige kaaien, dat Stadhuis, als een achtste waereldwonder
gevierd, dat Zeemagazijn met zijn trotsche werven, die ter weêrszijde
uitgestrekte armen, door de Bikkers en Reaelen-eilanden aan de eene
en Katten- met Wittenburg aan de andere zijde gevormd, die het Y
omhelsden, die talrijke godshuizen, die Beurzen en marktplaatsen, dat
alles had Vondel zien ontstaan en in schitterende vaerzen bezongen:
het had stof aan zijn lier en zijn lier had er wederkeerig vermaardheid
aan geschonken: kon het anders, of hy moest liefde gevoelen voor die
waereldstad, zoo rijk, zoo welvarend, zoo prachtig, zoo schoon als
er toen geene bestond, en zoo als wy haar thands ons, zonder zijn
beschrijvingen, naauwlijks meer zouden kunnen voorstellen?
Intusschen, juist aan dat eigenaardig karakter van Katholyk,
Zuid-Nederlander en Amsterdammer tevens, waardoor Vondel zich
onderscheidde, is het waarschijnlijk toe te schrijven, dat zijn invloed
op onze taal en letterkunde niet zoo algemeen en bestendig was als men
dien zoû hebben moeten verwachten. Wel moest die zuivere frischheid van
taal, die ronding en losheid van altijd goed samengeschakelde, altijd
geleidelijk afloopende perioden, die gelukkige keus van beelden en
uitdrukkingen, die naauwkeurigheid in 't vermijden van bastertwoorden,
welke wy by hem, niet als by Hooft of de Groot door een vernuftige,
doch vaak gezochte en gekunstelde overzetting, maar door een inheemsch
woord van gelijke gehalte, vervangen zien, die Nederduitsche stijl in
een woord, waardoor hy niet enkel zijn voorgangers en tijdgenooten,
maar al wie na hem gekomen is, te boven streeft--wel moest, zeggen wy,
dat alles in wie met fijn gevoel en kieschen smaak bedeeld was en er
zijn werk van maakte ze te bestudeeren, hooge bewondering opwekken,
en daarby ook zucht om zoo schitterend een voorbeeld na te volgen--en
dit was dan ook met mannen als de Huydecopers en Bilderdijken
het geval;--maar de groote hoop bleef met de schatten, in Vondels
gedichten verzameld, onbekend. De meerderheid onder hen, die in de
voormalige Republiek de letterkunde beoefenden of werken van smaak
lazen, behoorde tot de Onroomschen: zy gevoelde zich afgeschrikt door
de tytels zelve van sommige van Vondels werken en door de Katholyke
kleur der meesten, en nam ze daarom zelden ter hand:--en, wat erger
was, reeds in de laatste jaren van Vondels leven was de Fransche
letterkunde, zoo als die door Rotrou en Corneille, en nu ook eerlang
door Racine en Boileau was hervormd, in Holland bekend geraakt: de
gegeven voorbeelden en voorschriften hadden vertalers, bewonderaars,
navolgers, gevonden: al spoedig hadden alle oogen zich van hier by
voorkeur naar Frankrijk leeren wenden, om aldaar uitsluitend lessen
van smaak en beschaving te zoeken. En zoo gebeurde het, dat Vondel,
door velen alleen op goed geloof nog geprezen, door anderen uit onkunde
of vooroordeel miskend, door maar zeer enkelen naar waarde geschat,
in geen opzicht waarlijk populair werd en naauwlijks anders meer dan
als de auteur van "Gysbreght van Aemstel" bekend bleef.
Die dagen van blinde vooringenomenheid met een enkele Letterkunde
zijn gelukkig voorby. Hoe oprecht wy ook nu nog de verdiensten
huldigen van de groote geniën uit de eeuw van Lodewijk XIV, wy
sluiten niet langer de oogen voor den glans, die ons ook van elders
tegenstroomt. Wy beschouwen niet langer, gelijk men hier ten lande
in 't begin dezer eeuw nog deed, Shakspere en Schiller als barbaren,
wier onklassische kunstgewrochten, even als die van den ouden Ennius,
niet dan enkele paljetten vertoonen, die ons uit een vuilen mesthoop
tegenflikkeren. Maar wanneer wy, en te recht, de zoo lang miskende
Barden van Groot Brittanje en Duitschland in den rang en de eer,
die hun toekomt, herstellen, dan voegt het ons Nederlanders, ook
de schatten niet ongeächt en ongebruikt te laten liggen, die wy op
eigen bodem bezitten. Daarom ook te dezen opzichte elk nog bestaand
vooroordeel afgeschud, en--het kan niet genoeg worden toegeroepen aan
al wie zijn taal en stijl verlangt te vormen of te beschaven--Vondel
gelezen en herlezen. Ik roep het u toe, jongeling! die u tot dichten
voelt opgewekt, doch de geheimenissen van maat en rijm nog niet genoeg
hebt leeren doorgronden: laat Vondel daarin uw onderwijzer zijn: geen
beter gids en leidsman kunt gy vinden.--Niet, dat ik de verdiensten
van Bilderdijk verkleinen of dezen beneden Vondel stellen zoû;
maar hoe verbasend groot als dichter en taalbeheerscher Bilderdijk
ook zijn moge, juist zijn onnavolgbaarheid maakt het gevaarlijk,
met hem aan te vangen. Wie onbedacht en nog niet genoeg met den aart
en de eigenschappen onzer taal bekend, zich, als hy, durft wagen aan
dat samenkoppelen en smeden van woorden, 't welk hy zoo meesterlijk
verstond, loopt al ras gevaar, onverstaanbaar, zoo niet belachlijk,
te worden, en het zoû ons, ter staving van dit beweeren, geenszins
aan voorbeelden ontbreken. Neen, tot de studie, ja (voegen wy er met
warmte by) tot de aanhoudende studie van Bilderdijk begeve zich de
toekomstige dichter niet vroeger, dan wanneer hy door de studie van
Vondel gevormd is. Niet anders zal hy, die de Latijnsche muze wil
leeren beoefenen of slechts waardeeren, met Nazo en Tibullus beginnen,
eer hy zich tot het lezen van Maro of Flakkus begeeft.
Maar ook gy, die zonder u in de hooge sfeeren der poëzy te willen
wagen, er prijs op stelt, een zuiver, klaar, gekuischt en logisch
Nêerduitsch te schrijven, bevrijd van die spraakwendingen, welke
ook de beste hedendaagsche schrijvers, ten gevolge hunner gewoonte
om Engelsch, Fransch of Hoogduitsch te lezen, maar al te dikwerf en
doorgaands onwillekeurig van elders overnemen, leert van Vondel uw
moedertaal gebruiken: van hem den rijkdom kennen, dien zy aanbiedt,
van hem, nooit verlegen te zijn met de keus der uitdrukkingen die gy
behoeft, met de schikking van woorden en volzinnen, met de vormen van
betoog en perioden. Of gy dan immer cierlijk zult leeren schrijven,
dat zal alleen afhangen van de meerdere of mindere mate van vernuft,
waarmede gy bedeeld zijt; maar gy zult althands de hoofdeigenschap
machtig worden, die een schrijver behoort te kenmerken: die namelijk,
van u, in uw moedertaal, verstaanbaar uit te drukken.