LAURENS REAEL.

Onder de voortreflijke afbeeldingen, welke het penceel der bekwame

schilders uit de zeventiende eeuw ons van de meest beroemden onder

hunne tijdgenooten heeft nagelaten, is er naauwlijks eene, die,

by den eersten blik, welken men er op slaat, zulk een gunstigen

indruk te weeg brengt, en die ons, hoe langer wy er op staren, meer

doet gevoelen, dat de man, dien zy voorstelt, schrander, geestig,

beminlijk, groot en goed moet zijn geweest, als de afbeelding, door

Thomas de Keyser vervaardigd, van Laurens Reael.

En gewis, het penceel des kunstenaars heeft niet gelogen: want,

hoe vele groote mannen het tijdvak van Frederik Hendrik ook hebbe

opgeleverd, niet een, die veelzijdiger verdiensten bezeten en in

meer onderscheiden werkkring uitgeschitterd heeft, dan Reael: en in

zoo verre mag men hem aanmerken als den type van dat tijdvak zelf en

van de Natie, welke hy, op de vloot, in den strijd, in de vergelegen

Nederzettingen en aan de Hoven der Vorsten vertegenwoordigde.

Op den 20sten October 1583 was Reael te Amsterdam geboren, waar zijn

vader, Laurens Jakobsz., vroeger graanhandelaar te Dantzich, zich

gevestigd en een huis betrokken had op het Water, aan de Papenbrug, in

de "gouden Reael," waar hy zijn toenaam van ontleende. Reeds voorlang

de leer der Hervormden omhelsd hebbende, was hy een der zes vermogende

burgers, die in 1568 de openbare prediking bevorderden. Groot was

zijn invloed by de burgery, en belangrijk waren zijn verrichtingen in

de woelige tijden, welke Amsterdam had door te worstelen. Zijn yver

om den beeldestorm voor te komen, de pogingen, door hem, op verzoek

der Stads-Overheid, in 't werk gesteld, om, met eigen lijfsgevaar,

een uitgebarsten oproer te stillen, zijn wijze gedragingen tegenover

den onrustigen Hendrik van Brederode, zijn onbekrompen edelmoedigheid,

betoond in 't leenen eener som van f 10,000 aan Prins Willem I, het

kloek beleid, door hem, als Kolonel der Schuttery, gedurende Leycesters

verblijf te Amsterdam aan den dag gelegd, dit alles te samen had hem

by zijn stadgenooten zoo wel als elders een aanzien doen verwerven,

dat natuurlijk ook zijn kinderen ter aanbeveling strekken moest.

Zelf beminnaar en beöefenaar der letterkunde, welke hy ook als Lid der

Oude Kamer voorstond, verzuimde Laurens Jakobsz. niets, wat dienen kon,

om aan zijn kinderen een treflijke opvoeding te geven. Van Laurens,

zijn jongste spruit, is het althands zeker, dat hy, behalve in de

Latijnsche en Grieksche, ook in de Engelsche, Fransche en Italiaansche

talen onderwijs genoot, en aan Leydens Hoogeschool de rechtsgeleerdheid

bestudeerde.

Zijn reeds bejaarden vader verloren hebbende, toen hy nog maar

zeventien jaren bereikt had, vond de jonge Laurens vaderlijke vrienden

in zijn oudere broeders, maar vooral in zijn zwager, den beroemden

Arminius, die zijn leidsman werd op het veld der letteren, gelijk de

geleerde Snellius op dat der wiskunde, in welke wetenschap hy spoedig

belangrijke vorderingen maakte. Weldra echter--in 1609--overleed

Arminius, wiens dood Reael in een Latijnsch gedicht bezong, dat

beiden zijn bekwaamheid en zijn hart tot eer verstrekte.--Grooteren

lof nog verwierf hy zich door het bespelen der Nederduitsche lier,

en wakker handhaafde hy zijns vaders roem by diens vrienden uit de

Kamer "In Liefde Bloeyende." By Roemer Visscher was de vernuftige

jongeling een welkome gast: met diens dochters Anna en Geertruida,

hem gelijk in jaren, wedyverde hy om den dichtgeest der jeugdige

Tesselschade aan te kweeken: en met Hooft, dien hy aldaar leerde

kennen, sloot hy een vriendschap, die tot zijn dood heeft geduurd.

De zoon van Laurens Jakobsz. en de zwager van Arminius behoefde zich in

die dagen niet verlegen te maken, dat hem de gelegenheid ontbreken zoû,

om vooruit te komen. Reeds spoedig zag hy zich te 's Gravenhage in een

eervolle betrekking by het Bestuur der geldmiddelen geplaatst. Zijn

bekwaamheid en doorzicht werden opgemerkt door Oldenbarneveldt:

hy won diens vertrouwen, en toen, in 1609, het belang der jeugdige

Oost-Indische Maatschappy medebracht, dat er iemand naar Indiën

gezonden wierd, met geestkracht, moed en kennis toegerust, beval

Oldenbarneveldt Reael by Bewindhebberen aan. Een aanbeveling van

's Lands Advokaat stond aan een bevel gelijk: en zoo gebeurde het,

dat de kweekeling der Muzen, op acht-en-twintig jarigen leeftijd, als

Kommandeur met vier schepen naar de Molukken vertrok. Hy stelde het hem

geschonken vertrouwen en de verwachtingen, welke men van hem koesterde,

niet te leur: gedurende den tijd, dat hy in genoemde Eilanden met het

gezach bekleed bleef, bewees hy gewichtige diensten aan de Maatschappy,

veroverde vesting na vesting op de aldaar gezeten Spanjaarts, bezette

verscheiden kleine eilanden, deed door de inlanders Vorsten verkiezen,

aan de belangen der Maatschappy verknocht, en vestigde den handel in

streken, waar vroeger onze vlag zich nimmer had vertoond. Geen wonder

dan ook, dat, toen de Gouverneur-Generaal Reynst in 1616 overleed,

Reael met eenparigheid van stemmen in diens plaats werd gekozen.

De tijd van zijn bestuur was een te voren in de Oost ongekend tijdperk

van orde en rust. Met zijn bondgenooten leefde Reael in vrede, en hy

werd van zijn vyanden ontzien. Den handel zoowel als het krediet onzer

Natie wist hy door zijn maatregelen te verheffen en de Ambtenaren

door ontzach in toom te houden. "Dat heet eerst regeeren," zeide

Hooft van hem. Het beloop der retoeren ten tijde van zijn bestuur

bedroeg dan ook het dubbel van dat van vorige jaren. Niet lang echter

bleef hy aan 't hoofd der zaken geplaatst. Hy verzocht en verkreeg

zijn ontslag, droeg in July 1618 het bewind over aan zijn opvolger,

den beroemden Jan Pieterszoon Koen, doch nam de terugreis niet aan,

dan na dezen door zijn ervaring en raad ondersteund te hebben by het

fnuiken van den tegenstand, door Engelschen en Javanen geboden by het

stichten van Batavia. In Augustus 1619 van daar vertrokken, kwam hy,

in 't begin des volgenden jaars, behouden in 't vaderland aan. Dan,

hoe vond hy alles aldaar veranderd! Hy was vertrokken, toen de

beginselen, door zijn zwager en leermeester Arminius in 't kerkelijke,

door zijn beschermer Oldenbarneveldt in 't staatkundige voorgestaan,

als wet en regel golden;--hy vond, by zijn terugkomst, de aanhangers

van beiden vervolgd, gekerkerd, gebannen, zijn voornaamste vrienden

en weldoeners uit de gestoelten der eere geschopt, Oldenbarneveldt

zelven onthalsd. Was het vreemd, dat de bitterste aandoeningen van

smart en verontwaardiging de ziel des fijngevoeligen mans vervulden,

dat hy lucht daaraan gaf in een Latijnsche elegie "over de rampen van

het vaderland," en eerlang ook in dichtvruchten van anderen aart? Maar

evenmin zal het iemand verwonderen, dat voor den erkenden aanhanger van

's Lands Advokaat de weg tot alle ambten voor 't oogenblik gesloten

was, dat Hooft in 1623 vergeefs moeite deed, om hem tot Afgezant

naar Venetiën te doen benoemen, ja, dat, toen men in dat zelfde jaar

onderhandelaars benoemde, om de geschillen te vereffenen tusschen

de Hollandsche en Engelsche Maatschappyen, Reael niet tot dat getal

behoorde. Hy-zelf verlangde op dat tijdstip wellicht ook geen bemoeying

met staatsbeslommeringen, en zich, op een landhuis naby de Beverwijk,

in de buurt van dat van zijn geleerden en beminlijken vriend Laurens

Baeck, hebbende nedergezet, sleet hy zijn dagen een tijd lang buiten

alle zaken. Doch een man als hy kon niet werkeloos zijn. Hy gaf

een belangrijk boekjen uit, ten tytel voerende: "Raad voor hem, die

zich naar Indiën begeven wil." Maar bovendien hield hy met Vondel,

Hooft en De Huybert geregelde byeenkomsten, waar over de moedertaal

gehandeld werd. Men stelde hier verscheiden regels, waaraan men zich

in het dichten en schrijven had te houden: met name over het stuk der

taalschikking, der te-samenvoeging der woorden, over het onderscheid

der geslachten, de verbuiging en spelling der woorden: alle zaken,

waarover men destijds nog maar weinig in 't licht gegeven en zelfs

weinig nagedacht had. Voorts vervaardigde hy met Hooft, in 1625,

een vertaling van Senekaas Troades, die Vondel in verzen bracht,

en schreef bytende hekeldichten, goed genoeg om voor werk van Vondel

door te gaan, en by de uitgave van diens Poëzy als zoodanig daarin

te worden opgenomen.

De tijd stond echter aan te breken, waarop hy de zoete letteroefeningen

weder af zoû wisselen met een meer bedrijvig leven. Frederik Hendrik

was aan 't bewind gekomen, en hy kon een man als Reael niet ongebruikt

laten. Een vloot moest worden afgezonden, die, in verband met die

der Engelschen, een poging aan zoû wenden, om den Spanjaart op eigen

kusten te bestoken. Willem van Nassau, de wakkere zoon van Maurits,

was destijds Amiraal van Holland; doch men achtte het dienstig,

hem een raadsman ter zijde te stellen, die aan moed en vastheid van

geest ook beproefde ervaring en kennis paarde, en, daar gehechtheid

aan een vroeger stelsel niet meer als reden van uitsluiting gelden

kon, sloeg men het oog op Reael, die, na eenig beraad, zich de

benoeming tot Vice-Amiraal liet welgevallen. De tocht had,--gelijk

trouwens altijd het geval was met zeetochten, in vereeniging met de

Engelschen ondernomen--geen merkwaardige gevolgen; doch, dat de beste

verstandhouding tusschen de beide Hollandsche Vlootvoogden bleef

heerschen, blijkt o. a. uit de omstandigheid, dat, toen de jeugdige

Amiraal voor Grol werd doodgeschoten, Reael hem met een aandoenlijk

lijkdicht in 't Nederduitsch herdacht, en met een keurig Latijnsch

grafschrift:

Nassovium dum terra sibi, sibi vindicat æquor,

Has cælum lites solvit, utrique negat.

't welk hy-zelf aldus vertolkte:

Terwyl zee tegen lant

Om Nassau is gekant,

Komt haar de Hemel scheyden

En gunt hem geen van beyden.

Dadelijk na zijn terugkomst in 't Vaderland, was Reael aangesteld

tot Bewindhebber der Oost-Indische Maatschappy, welke betrekking

hy tot aan het eind zijner dagen vervulde: zoo eenige betrekking,

was deze voor hem geschikt, en hem komt voorzeker geen gering deel

toe van de voordeelige uitkomsten, welke, ten gevolge der goede orde

en der zorgen van 't Bewind, de zaken van dat lichaam opleverden.

Reeds kort nadat Reael het genoemde ambt aanvaard had, werd hem

een schijnbaar alleen vereerende, doch in de daad zeer netelige taak

opgedragen. In 1626 werd hy, namelijk, naar Engeland gezonden, om Karel

I, by diens krooning, te begroeten. Aan dezen openbaren last was een

geheime verbonden, te weten om te Londen pogingen aan te wenden tot

het byleggen der geschillen, tusschen de Engelschen en Hollandsche

Maatschappyen gerezen, over de bekende zaak van Amboina. Welken

uitslag zijne bemoeyingen hadden, kunnen wy niet bepalen; zeker is

het, dat zijn handelingen den Koning niet ongevallig waren, die hem

tot Ridder sloeg en in den adelstand verhief.

In Duitschland woedde het oorlogsvuur, en de Keizer, wiens wapenen,

onder den groote Wallenstein, hoogst voorspoedig waren, had de

meeste plaatsen aan de Oostzee bezet. De Staten van Holland, de

nadeelen hiervan voor onzen handel inziende, drongen er op aan,

dat men een bekwamen onderhandelaar naar Denemarken zoû zenden,

ten einde die Mogendheid te bewegen, de vorderingen van Oostenrijk

tegen te staan. Reael werd met dien last vereerd en stak, in 1628,

met een oorlogschip van den Staat naar Koppenhagen over. 't Was hierop,

dat Vondel zinspeelde, toen hy het navolgende byschrift onder 's mans

afbeelding plaatste:

Zoo maelde een Keysers hant den wackeren Reael,

Den Ridder, den Gesant, den grooten Generael,

Voorsien met breyn in 't hooft, met oorloghsmoet in 't harte.

't Was hy, die Spanjen op sijn eygen bodem tartte.

Vaer heen, gelauwert hooft, geluckelijck door zee

En breng voor 't Vaderlant ontelbre kranssen meê.

De wenschen des dichters werden niet vervuld. Het zij, dat Reael

door de geslepen Staatsdienaars van den Keizer by den Koning van

Denemarken was voorgekomen, 't zij dat het Deensche Hof, indachtig

aan de fabel van het Paard en den Man, het gevaar inzag eener hulp

van bondgenooten, Reael slaagde niet in zijn zending, en, met hoe

vele eerbewijzigingen ook ontfangen, hy kon geen traktaat tot stand

brengen. Integendeel maakten de beide Monarchen eerlang vrede met

elkander. Niet alleen had Reael alzoo het doel zijner zending gemist,

maar hy moest nog verderen tegenspoed ondervinden. Op zijn terugreize

naar het Vaderland leed hy schipbreuk, op de kust van Jutland. Wel

kwam hy, met groot gevaar, aan wal, maar om in een anderen tegenspoed

te vervallen. De plaats, waar hy aanlandde, was door de Keizerschen

bezet. Hun Veldheer, onderstellende, dat de Gezant, zoo hy in Holland

keerde, de Staten tot eenige onderneming tegen het Keizerrijk zoû

aansporen, hield niet alleen Reael gevangen, maar zond hem zelfs

naar Weenen op. Het duurde tot aan 't volgend jaar, eer hy ontslagen

werd, zoo men wil, ten gevolge der voorspraak van de Jezuiëten

aldaar, door Roomsgezinde Hollandsche kooplieden te zijnen behoeve

aangezocht. Zeker is het, dat hy te Weenen met eerbied werd behandeld:

naar de getuigenis eens schrijvers, kwam hy er als gevangene, maar

vertrok als een Vorst. Weinig dagen na zijn terugkomst in Holland,

die in Maart 1629 plaats had, gaf hy by de Staten-Generaal verslag

van zijn verrichtingen, en verwierf den dank en de goedkeuring van

zijn lastgevers.

Na zoo vele lotswisselingen is het geen wonder, dat Reael naar de

genoegens van het huislijk leven begon te verlangen. Hy trad in den

echt met Suzanna de Moor, de nog jeugdige weduwe van Hendrik de Picker,

een aanzienlijk Amsterdamsch koopman: en, zoo haar zielshoedanigheden

beäntwoordden aan haar bekoorlijkheden, gelijk het penceel van De

Keyser ze heeft vereeuwigd, zoo moet, naast zulk een wederhelft, zijn

lot wel gelukkig zijn geweest. Dat hy zich ook zoo gevoelde, blijkt

uit de verandering, die zich van dat tijdstip af in zijn levenswijze

openbaarde: zoo geheel was hy aan zijn huis gehecht, dat zelfs zijn

beste vrienden hem ter naauwernood meer zagen. "Toen hy in de hel

van Weenen lag," schrijft Hooft, "spoelde de vergetelbeek my niet

uit zijn gedachte. Nu schijnt men hem quijt met lijf en met ziel. Ik

denk niet, dat die doorluchtige sinnen, gelijk ze 't zijner tyd de

hebbelijkheid hadden om zich tot behelzing der grootste zaaken uit te

rekken, alzoo zich nu weeten in te krimpen, dat ze in een luiermand

schuilen kunnen en zich aan het toestellen derzelver te kost leggen,

gelijk Tasso zeit van een oudt soldaat:

De zoete naam van vaader en gemaal

Hadt nu geweekt zijn braave borst van staal."

In het volgende jaar werd Reael Lid van de Vroedschap te Amsterdam,

later Kommissaris tot de Wisselbank, Weesmeester en Schepen. Voorts

bleef hy den tijd, die hem van zijn ambtsbezigheden overschoot,

aan zijn meest geliefde studie, de wiskunde, toewijden, vooral met

toepassing op de zeevaart. Veel bracht hy hierover op 't papier,

waaronder eenige hoogst belangrijke "Aanteekeningen over den

magneetsteen en de magnetische kracht der aarde." In 1636 was hy het,

aan wien, op aanbeveling van De Groot, de beroemde Galileus Galilei

zich richtte, ten einde een gewichtige uitvinding, om de lengte op zee

te vinden, by de Staten Generaal in te dienen. Hy deed dit, en werd

door hen, met Willem Blaeu, Martinus Hortensius, Golius en Beeckman,

in kommissie gesteld, om de zaak te onderzoeken. Dit had aanleiding

gegeven tot een allerbelangrijkste briefwisseling tusschen hem en

Beeckman, die echter, ten gevolge van het overlijden van de meesten,

die in de zaak betrokken waren, geen gevolgen had.

Het huwelijk van Reael was met twee zonen gezegend geweest en hy

had alle reden, om zich gelukkig te noemen in het hem beschikte lot,

toen zich op eens het uitzicht voordeed, dat hy zijn stille en rustige

levenswijze nogmaals tegen een woelige en gevaarlijke--hoezeer dan ook

schitterende--loopbaan zoû verwisselen. Filips van Dorp had in 1637

als Luitenant-Amiraal van Holland zijn ontslag bekomen, en niemand was

er hier te lande, die niet luide of in stilte den wensch herhaalde,

door Hooft gedaan, "dat het scheeprijkst en strijdbaarst volk aan

een Amiraal met hart en harsenen geraken mocht." Een zestal personen,

welke men voor de opengevallen plaatsen meest geschikt achtte, werd

aan den Prins voorgedragen, om er een uit te kiezen. De eerste twee

op deze lijst waren Reael en Tromp: en daar de Staten van Holland

den eerstgemelde met byzonderen aandrang by den Prins voorstonden,

was het hoogstwaarschijnlijk, ja genoegzaam zeker, dat hem deze

luisterrijke bediening zoû worden opgedragen. Maar anders was het

in Gods raad besloten. Een besmetlijke ziekte, die omtrent dezen

tijd in Amsterdam woedde, trof ook zijn huis: zijn beide zoontjens

werden achtereenvolgens aan zijn hoop en aan zijn hart ontrukt,

en die treffende slag deed hem zoo zeer aan, dat hy eerlang tot

een volslagen lusteloosheid verviel, zoo zelfs, dat verscheidene

brieven, waaronder een van Galilei, ongeopend bleven liggen. By de

ongesteldheid van zijn geest, kwam een heete koorts zich voegen, die

op den 10den October van dat jaar--1637--een einde maakte aan zijn

nuttig en werkzaam leven. Diep werd zijn dood betreurd, ja als een

algemeene ramp beschouwd. Gelukkig nog het Vaderland, dat, toen het

hem verloor, althands in één opzicht, een waardigen plaatsvervanger

voor hem mocht zien optreden in Marten Harpertszoon Tromp.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 18 / 41 题