De Nederduitsche taal, jeugdig, frisch, krachtig en bevallig, zoo
lang Holland nog zijn eigen Gravenhuis bezat, was, ten gevolge der
heerschappy, aldaar, byna drie eeuwen lang, door vier uitheemsche
vorstengeslachten gevoerd, in een diep en treurig verval geraakt. Zoo
zy nog leefde, 't was in de oude spreekwoorden en refereinen en in
den mond des volks; maar als schrijftaal was zy sedert lang vervangen
door een barbaarsch mengelmoes, waarin Hoogduitsche kanselarystijl en
Fransche bastertwoorden--om van de Latijnsche niet te spreken--elkander
verdrongen: een eigenlijk gezegde letterkunde bestond niet meer,
en zelfs zy, die, toen de uitvinding der drukkunst en de studie der
klassieke Oudheid het morgenrood eener nieuwe beschaving over Europa
deden opgaan, hier te lande de eerste pogingen in 't werk stelden,
om haar te doen herleven, de Rederijkers, waren nog machteloos iets
anders voort te brengen dan verveelende moralizatiën, in ellendige
kreupelvaerzen en nog ellendiger taal vervat. 't Is waar, mannen als
Marnix, Coornhert, Spieghel, Roemer Visscher, hadden de hand aan de
ploeg geslagen, en, met de herboren vrijheid poogden zy ook hun taal
op vaste grondslagen te vestigen; doch het was niet, zoo lang de
worstelstrijd tegen de dwingelandy op Hollands bodem gevoerd werd,
dat een zoodanige poging, die boven alles een rustigen staat van
zaken vereischte, met den noodigen klem kon worden doorgezet. Dan
er was een betere tijd, een tijd van welvaart en binnenlandsche
rust voor Holland aangebroken, en tevens de gelegenheid om den
begonnen arbeid met wakkere volharding voort te zetten. Het was
de Amsterdamsche Kamer "In Liefde Bloeyende"--tot wier leden niet
alleen de twee laatstgenoemde geleerden behoorden, maar ook al wie
in Amsterdam zich door wetenschappelijken aanleg onderscheidde--die
de taak aanvaardde, om, als zy 't uitdrukte, "de Hollandsche taal
van uitheemsch schuim te zuiveren, en de noodigste konsten in
zuiver Dietsch te leeren." Maar geene omwenteling--'t zij dan in
Kerk, in Staat of in Taal--werd immer volbracht door mannen van
bedaagden leeftijd en grijze ervaring. Spieghel en al die als hy
mannen van overgang waren, konden slechts theoriën stellen, naar
welke de letterkunde zich te richten had; zy waren niet in staat,
die in praktijk te doen brengen: die taak was voor jeugdiger krachten
bewaard. Zy hadden uit de opgedolven stoffen een onbezield lichaam
samengesteld; maar er moest een Prometheus komen, die aan dat lichaam
het leven gaf: die Prometheus was Pieter Corneliszoon Hooft.
Geboren in datzelfde jaar 1581, waarin ons Vaderland, door de
afzweering van Filips, als zelfstandige Mogendheid optrad, zoon
van dien Cornelis Pieterszoon, die als de grondlegger, althands als
de vertegenwoordiger kon worden aangemerkt van dat aristokratisch
beginsel, 't welk hier gedurende twee eeuwen schier uitsluitend
heeft geheerscht, van tijdelijke middelen wel voorzien, vlug van
bevatting, werkzaam, schrander en vernuftig, onberispelijk van zeden
en aangenaam van omgang, en, by dat alles, zich van zijn tijdgenooten
onderscheidende door het schuwen van elke uitsluitende richting in Kerk
of Staat, scheen Hooft door stelling en karakter aangewezen als de man,
die de letterkunde van den nieuwen Staat hervormen kon. De party,
die thands regeerde, en die alzoo bestemd was in alles, ook in wat
smaak en beschaving betrof, den toon te geven, moest geneigd zijn,
zich te regelen naar het voorbeeld van iemand, die aan haar verwant
en vermaagschapt was: de andersdenkenden vonden geen aanleiding, zich
te verzetten tegen den schrijver, wiens byzondere denk- of handelwijze
aan niemand aanstoot gaf. Wy willen echter den invloed, dien Hooft zich
op de letterkundigen van zijn tijd wist te verwerven, niet uitsluitend
op rekening der aangeduide omstandigheden schuiven. Gewis zouden deze
weinig gebaat hebben, indien hy niet een gelukkigen aanleg bezeten
had, dien hy gelegenheid vond te ontwikkelen, eerst te Leyden, door
het onderwijs van beroemde geleerden en den omgang met ontluikende
vernuften--waaronder het genoeg is, De Groot te noemen--en later op
een buitenlandsche reize van drie jaren, waarvan hy er twee in Italiën
doorbracht. Hier was het, dat hy, door het bestudeeren der klassieke
Oudheid op haar eigen bodem, doch vooral ook door zich gemeenzaam
te maken met de voortbrengselen der Italiaansche letterkunde--toen
de eerste in Europa--hier was het, zeggen wy, dat hy zijn geest en
smaak verfijnde, en leerde inzien, hoe er, ter hervorming van den
Nederduitschen stijl, betere voorbeelden te kiezen waren dan de
werken ook der bekwaamste Rederijkers. De Granida, zeker onder de
tooneelwerken van Hooft niet het minst verdienstelijke, was geheel
op Italiaansche leest geschoeid, doch leverde tevens een bewijs, hoe
de liefelijke vormen en de welluidendheid der Italiaansche poëzy in
't Hollandsch op de gelukkigste wijze konden worden nagevolgd. Op
zijn acht-en-twintigste jaar reeds zag hy zich geroepen tot de
hooge betrekking van Drost van Muiden, Baljuw van Gooiland enz.--een
betrekking, hem des te welkomer dan eenige regeeringspost in de stad
zijner geboorte, om dat zy hem onafhankelijk maakte van de woelingen
der partyen. Hy zag zich voortaan in staat, zijn tijd te verdeelen
tusschen de plichten van zijn ambt en de beoefening der letteren. Het
slot te Muiden, waar hy in 1609 zijn intrek nam en reeds in 't volgende
jaar de bekoorlijke Kristina van Erp als Drostin binnenleidde, werd
van dat tijdstip af, door het gul en gastvrij onthaal, dat men er
genoot en door den kring van rijke vernuften, die er byeenkwamen,
meer beroemd dan het te voren, zelfs door de belegeringen die het had
uitgestaan of door den kerker van Graaf Floris, was geweest. De eerste
werken, die hier uit zijn pen vloeiden, waren meest tooneelstukken,
die, hoe hemelhoog ook geprezen door 's mans tijdgenooten, hem
nimmer dien eersten rang als schrijver verzekerd hadden, die hem
uit anderen hoofde geworden moest. Alleen zijn Warenar, die geestige
navolging der Aulularia, is een meesterstuk, dat nog heden ten dage
kan worden aangeprezen als een voorbeeld, hoe men, by het overbrengen
van een blij- of kluchtspel uit een vreemde taal in de onze, te werk
moet gaan, en met behoud van intrigue, karakters en toestanden,
niet alleen de uitheemsche namen, maar ook de uitheemsche zeden,
gewoonten, vormen, gezegden en geestigheden met Hollandsche kan
verwisselen. Onze hedendaagsche vertalers mogen al aan hun Fransche,
Engelsche of Hoogduitsche personaadjen namen geven, die Hollandsch
klinken, in hetgeen die personaadjen doen en zeggen, zullen wy
zelden of ooit iets nationaals herkennen. Warenar daar-en-tegen
en al die hem omringen, zijn geen Romeinen, maar Amsterdammers,
en hun taal, uitdrukkingen, zeden, manieren, alles in een woord,
is, onder de handen van den vernuftigen en opmerkenden navolger,
van elke Latijnsche kleur ontdaan om de inheemsche, de lokale, tot
in de kleinste byzonderheden over te nemen.
Het was eerst in 1626, dus reeds op vijf-en-veertigjarigen leeftijd,
dat Hooft een prozawerk van eenigen omvang in 't licht gaf, te weten
zijn Henrik de Groote. Het was dan ook geen vrucht van enkele ledige
oogenblikken, maar van een achtjarige gezette studie, en het getuigde
niet alleen van des schrijvers meesterschap over de taal, maar ook
van de nasporingen, door hem in 't werk gesteld. Wekte aldus de vorm
elks bewondering wegens het bondige, krachtige en cierlijke van een
stijl, waarvan men nimmer hier te lande de wedergade had aangetroffen,
de inhoud werd niet minder geprezen. De Groot, toen te Parijs als
balling levende, getuigde, dat Hooft in kennis van de Fransche zaken
voor geen Franschman behoefde te wijken, en dertien jaar later erkende
Koning Lodewijk XIII de treflijke wijze waarop het leven van zijn
vader door Hooft was beschreven, door hem de ridderorde van Sint
Michiel benevens brieven van adeldom toe te zenden.
De lof, aan Hooft toegekend, mocht hem een vertroosting strekken in
zijn druk over de vele en zware verliezen, welke hy geleden had. Vader,
gade, kinderen, ook zelfs een aanzienlijk deel van zijn vermogen,
waren hem achtereenvolgends ontvallen: en het Huis te Muiden,
na gedurende een reeks van jaren een verblijf van vrolijkheid en
huislijk genoegen te zijn geweest, was een wijk en verblijf geworden
van somberheid en rouw. Die treurige staat van zaken moest veranderd
worden: Hooft had te wel de genoegens van het gezellige leven leeren
op prijs stellen, om die niet terug te wenschen, en hy herwon die,
toen hy, op den 30sten October 1627, een tweeden echt had aangegaan
met Helionora Hellemans, weduwe van Jan Baptista Bartelost. Van nu af
tot aan des Drossaarts dood was het Muiderslot weder het middelpunt,
waar zich de schranderste vernuften, die Holland, neen, die de
zeven Vereenigde Gewesten opleverden, zoo gaarne vereenigden. Daar
kwam Vondel zijn Konstantijn, De Huybert zijn Psalm-berijming en
Van Baerle zijn Latijnsche gedichten lezen; daar de wakkere Huygens
zich van de staatsaangelegenheden verpozen, Reael de vruchten zijner
veelsoortige ondervinding mededeelen, de Baecken, de Wickeforts,
Staeckman, Graswinkel, van den Honert en zoo vele anderen de schatten
hunner rijke kennis uitstorten: daar klonken de liefelijke stemmen
van Tesselschade Roemer Visschers en Franciska Duarte, vergezelschapt
door het klavecimbelspel van Diederick Swelingh of Joan Albert Ban.
Maar Hooft, hoe ook gesteld op zoet gezelschap, had geen gezelschap
noodig om verveeling te ontvlieden: en wellicht was hy nog het best
te vrede, wanneer hy, in het zomerhuisjen in zijn tuin, doorgaans zijn
"torentjen" genoemd, tusschen zijn boeken en papieren was gezeten. Dit
althands getuigde Vondel, toen hy hem schreef:
Somtijts kiest ge 't zeskant huiske
Voor uw afgescheiden kluiske,
En zijt in deze eenzaamheên
Nimmer min dan dus alleen.
In dit huiske wert geboren
('t Was zoo van uw lot beschooren)
's Grooten Henrix groote Faam,
En de grootheid van zijn naam
Quam uit deze kleinheit rennen,
Vlugh geworden door uw pennen,
Allesins waar 't Duitsche volck
Is bekent door tael of tolck.
Het goed onthaal, te beurt gevallen aan het werk hier, door Vondel
geprezen, had Hooft aangemoedigd, een dergelijken arbeid, maar
van vrij wat uitgebreider omvang, te aanvaarden. In 1628 leide
hy de hand aan zijn Nederlandsche Historiën, waar hy negentien
jaren lang, tot aan zijn sterfdag toe, met onafgebroken vlijt aan
voortwerkte. 't Is onuitspreeklijk, met wat moeite en inspanning,
met hoe veel lezens van gedrukte en ongedrukte boeken en bescheiden,
met wat naarstig onderzoek en navorschen, met wat overleg en beraad,
dat groote werk werd samengesteld, ontworpen, op papier gebracht,
beschaafd en gepolijst. Hy diende zich daarby niet alleen van een
aantal schrijvers, die in onderscheiden talen over de Nederlandsche
beroerten hadden gehandeld; maar hy deed ook zijn voordeel met den
raad en de voorlichting, die hem verschaft kon worden door mannen, in
zaken van staat en oorlog ervaren. Zoo was Jacob Wijts, de Algemeene
Wachtmeester van 't Leger der Staten, zijn gids en raadsman in alles
wat het krijgswezen betrof: zoo waren 't Huygens, van den Honert,
Schotte, Staeckman, Wickefort, waar 't Staatsaangelegenheden gold. Niet
voor het jaar 1642 zag het eerste gedeelte van 't werk het licht,
terwijl de schrijver inmiddels nog, tot verpozing en stijloefening,
een vertaling van Tacitus en een beschrijving der Rampzaligheden van
den Huize Medicis had bewerkt.
Waren de Nederlandsche Historiën met ongeduld verbeid, met ongemeene
graagte en belangstelling werden zy ontfangen en met uitbundige
toejuiching vereerd. 't Is waar, het kostte aan sommigen in den
aanvang moeite, zich aan de kernachtige beknoptheid van den stijl,
aan de vaak ongewone woordschikking, te wennen; doch had men eenmaal,
door een aandachtig lezen en vergelijken, zich met zijn schrijftrant
gemeenzaam gemaakt, dan vergoedde een schier onvermengd genot de
moeite van het lezen. Wat ons thands het meest hindert in den stijl
van Hooft, te weten de Latijnsche spraakwendingen, werd hem niet ten
kwade geduid door de letterkundigen van zijn dagen, over 't geheel
meer gewoon Latijn dan Neêrduitsch te lezen: en evenmin konden zy
er zich aan ergeren, dat hy, op 't spoor van Livius, en van Tacitus
vooral, op welken laatsten hy zich gevormd had, aan zijn personaadjen
meermalen cierlijke redevoeringen in den mond leide, die nimmer
werkelijk gehouden waren, doch die tot ontwikkeling hunner karakters
of meeningen moesten dienen. De geschiedenis, zoo als Hooft die gaf,
was geen dorre kronijk, maar een gedramatizeerde epos, die voortdurend
tot de verbeelding zoowel als tot het verstand bleef spreken, en
waar de poëzy zich huwde aan naauwgezetheid in 't voorstellen der
feiten. Het verhaal van den moord te Naarden, van de belegeringen,
door Haarlem en Leyden uitgestaan, van den overtocht der Spanjaarts
naar Duiveland en Schouwen, van de Spaansche furie te Antwerpen en van
de ontploffing van Gianibellies brandschepen, zijn meesterstukken van
schilderachtige beschrijving, waarby alles leeft en tot de verbeelding
spreekt, en ook de kleinste byzonderheid, met getrouwheid aangebracht,
en in een gelukkig licht gesteld, het hare bybrengt om het geheel af
te ronden of te kleuren. Geen wonder dan ook, dat Frederik Hendrik
de opdracht van dit werk vorstelijk beloonde, en dat de geleerdste
en aanzienlijkste mannen in den lande onuitputtelijk waren in den
lof, dien zy er aan schonken. Maar wat meer nog hem streelen moest,
als zijnde een getuigenis, herkomstig van die zijde, van welke men
die 't minst verwachten moest, was het verzoek, hem door Broeder
Gabriël, een Kapucijn uit Leuven, gedaan, om niet te verflaauwen,
maar standvastig voort te varen met den aangevangen arbeid, onder
byvoeging, dat noch hy, noch de beroemde Puteanus te Leuven, immer een
boek gelezen hadden, in onze taal geschreven, dat hun zoo wel geviel.
Ongelukkig werd het aan Hooft niet gegeven, zijn Historiën verder
te bewerken dan tot aan het Bestuur van Leycester. Hy zelf had
het voorgevoel hiervan uitgedrukt in de volgende letteren, onder
dagteekening van 12 Maart 1647 geschreven aan den reeds genoemden
Kapucijn en bewaard in die keurige verzameling van zoo vele honderde
Brieven, die niet tot de minste zijner aanspraken op onsterfelijke
vermaardheid behooren: ".... ik hoop binnen korte jaaren noch tien
boeken uit te geeven, die bequaamelijkt by de voorige twintig zullen
kunnen gevoegt worden: zijnde mijn zorg, dat my niet gelukken zal het
werk wijder te brengen, by mangel van gezondtheit oft leeven. Want
d'eene wordt dikwijls bestreeden, en 't ander fluisterst my, die staa
om op den zestienden deezer maandt in mijn zeven-en-zestigste jaar
te treeden, in 't oor: Tempus abire mihi."
Twee dagen later stierf Frederik Hendrik, en Hooft, naar den Haag
gereisd, om 's Vorsten lijkstaatsie by te wonen, werd aldaar door een
zware koorts aangetast, waaraan hy den 21sten Mei deszelfden jaars
overleed. Algemeen was de rouw over zijn afsterven, en openbaar werd
zijn lof herdacht in een lijkrede, door Geeraart Brandt opgesteld en
door Adam Karelszoon van Zjermesz, een uitstekend tooneelspeler van
die dagen, op den Amsterdamschen Schouwburg uitgesproken. Korter en
kernachtiger schetste hem Vondel, in de regels onder zijn afbeelding
door Sandrart geplaatst.
Het brein, gespitst op 't roer der Staten te regeeren,
En 's weerelts Oceaan met kloeckheit te braveeren,
Den geest, die Tacitus en d'oudste dichters tart,
Besloot natuur in Hooft, herboren uit Sandrart,
Die hooft- en halscieraet des Ridders heeft vergeeten:
De Duitsche lauwerkroon, en Fransche koningsketen.