WILLEM EN JOAN BLAEU.

Het zijn niet alleen de namen van doorluchtige krijgshoofden

en staatslieden, van verheven dichters en kunstenaars, of van

voortreffelijke geleerden, die by de nakomelingschap in aandenken

bewaard blijven: nevens deze schrijft zy ook in den tempel der

onsterfelijkheid de namen op der zoodanigen, die naar geen andere

glorie streven dan aan 't algemeen van nut te zijn, en daaronder

schenkt zy een eereplaats aan hen, die zich er op toeleggen, hun

werkplaatsen te doen strekken om hetgeen de wetenschap gevonden

en op 't papier gesteld heeft, aan de waereld te doen kennen, en,

op die wijze, kennis, verlichting en beschaving te verspreiden. De

aanspraken op onze dankbare hulde, langs dien weg door de Aldussen

en Stefanussen, de Plantijnen en Moretussen verkregen, mogen minder

schitterend wezen, zy zijn even gegrond als die van de schrijvers,

wier werken zy ons in staat hebben gesteld, tot veredeling van onzen

geest, tot vermeerdering van onze kennis, tot liefelijke ontspanning

van ons brein, of tot verbetering van ons hart, te raadplegen.

Maar zoo vaak wy ons Boekdrukkers voor den geest stellen gelijk zy

het waren, die wy zoo even noemden, denken wy daarby ook aan mannen,

die meer deden dan een werktuiglijk beroep drijven en een fabriek

besturen. Neen, even als ontelbare anderen, die boeken drukken of

uitventen, zouden ook zy voorlang zijn vergeten, indien zy er niet

hunne eer in gesteld hadden, niets onder hunne pers te ontfangen,

dan hetgeen verdienstelijk of althands belangrijk was, niets daaruit

te voorschijn te brengen dan wat zich door voortreffelijkheid in

de uitvoering onderscheidde. En zoo wel de eene als de andere

voorwaarde kon niet verkregen worden, zoo niet hy, die aan 't

hoofd der inrichting stond, aan yver en goeden smaak ook geest des

onderscheids en grondige kennis paarde, maar boven al doordrongen was

van de hooge verantwoordelijkheid, die op hem rustte. Immers, zoo de

weldaden niet te noemen zijn, door de verspreiding van hetgeen goed,

schoon, nuttig en geestverheffend is, te weeg gebracht, evenmin kan

men de rampen tellen, veroorzaakt door het verderfelijk gif, dat,

door middel der drukpers aan de waereld is en nog dagelijks wordt

toegediend, en indien zy, die zich met het eerste bezig houden, te

recht den naam verdienen te dragen van priesters der verlichting,

voor hen, die zich aan 't laatste schuldig maken en onheilig vuur op

het outer brengen, zoû de straf niet te licht schijnen, die Aarons

zonen eens voor een dergelijk misdrijf trof.

Zijn handel en nyverheid de grondzuilen, waar een Staat op rust,

welke schooner nyverheid kan er bestaan, dan het belichamen der

gedachte? Welke schooner handel, dan het wijd en zijd verspreiden van

de vruchten des geestes? En toch! maar al te wel is de stortvloed van

onkundigen, die zich met een en ander bezig houden, er in geslaagd,

beroepen, die uit hun aart den rang boven elk ander beroep moesten

nemen, al lager en lager in de algemeene schatting te doen zinken:

en is, naarmate het getal der ongeroepenen steeg, dat der Aldussen

en Plantijnen van dag tot dag geringer geworden.

Nog echter mag het Nederland van onze dagen zich op loffelijke

uitzonderingen beroepen: nog telt het mannen, die zich het gewicht,

ja de heiligheid hunner taak bewust zijn en haar niet dan met een vol

besef hunner verplichtingen aanvaard hebben en volbrengen, mannen,

die het voetspoor betreden van hunne groote voorgangers, en daaronder

dat van de onsterfelijke Boekdrukkers en Boekhandelaren uit het door

ons gevierde tijdvak, Willem en Joan Blaeu.

Ook Willem Blaeu was een dergenen, die zich door langdurige en ernstige

studiën tot zijn beroep hadden voorbereid. In 1591 te Alkmaar geboren,

had hy zich zoo binnen als buiten 's lands in al de vakken, welke hem

dienstig konden zijn, bekwaam gemaakt. Hierby was echter de wiskunde

het vak, voor 't welk hy een byzondere voorliefde koesterde, waarin

hy, o. a. ook onder de leiding van den beroemden Tycho-Brahe, een

aanmerkelijke hoogte bereikte, en 't welk de hoofdrichting bepaalde,

door hem aan zijn drukkery gegeven. Immers, ofschoon ook talrijke

werken van smaak, en menige dichtvrucht--als b. v. Vondels "Verovering

van Grol," diens "Begroetenis van Frederik Hendrik," "Geboorte-klock

van Willem van Nassou," "Zege-zangh op den Bosch" en "Gysbreght van

Aemstel"--op zijne persen zijn gedrukt, toch duidde de zonnewijzer,

met de zinspreuk indefessus agendo, die boven het huis van Willem Blaeu

prijkte, dat het voornamelijk werken waren, de wiskunde--inzonderheid

de zeevaart-, aardrijks- en sterrekunde betreffende, die by hem het

licht zagen. Vele daarvan waren door den geleerden drukker zelven

geschreven, en daaronder genoten het "Graedt Boeck" en het "Licht der

Zeevaert" de eer, door Hooft en Vondel te worden bezongen. Hoe Blaeu

als wiskundige vermaard was, blijkt o. a. daaruit, dat hem in 1637

met Reael en anderen door de Staten werd opgedragen, een uitvinding

van Galilei, om de lengte op zee te vinden, te onderzoeken. Vondel

verhief 's mans roem als zoodanig op de navolgende wijze:

Men soeck volkomen breyn vergeefs en vindt er geen:

En selden een vernuft alleen bequaem tot een:

Noch seldener een man bequaem geacht tot velen:

Het schijnt Natuur heeft lust haer gaven te verdeelen,

Maer trof in Blaeu een stof, tot veelerley bequaem.

Soo draeght de Wiskonst moed op sijnen grooten naem.

Maar zoû de roem, dien Willem Blaeu zich verworven had, hem overleven,

evenzeer overleefde hem de inrichting, waar hy het aanzijn aan gegeven

had. Hy liet, toen hy in 1638 overleed, twee wakkere zonen na, die,

geplaatst aan 't hoofd der vermaardste drukkery hunner eeuw, die

vermaardheid al luider en luider door Europa deden klinken. Joan en

Kornelis Blaeu bleven het voetspoor van hun vader volgen: Kornelis,

van wien o. a. Hooft in een zijner Brieven de loffelijkste getuigenis

geeft, overleefde zijn vader niet lang, zoo dat het geheele gewicht

der zaak op de schouders van zijn oudsten broeder kwam. Hoe deze in

zijn studiën dezelfde richting volgde als zijn vader, leeren wy onder

anderen kennen uit het allerliefste vaersjen, ter gelegenheid van

zijn huwlijk met Geertruid Vermeul uit Gouda, door Vondel vervaardigd:

De wackre Blaeu sloegh 's avonds spae

Het gulden heyr des hemels gae

En monsterde alle stralen,

Die vast staen, of verschralen;

Als Venus, dochter van Jupijn,

Hem in een ongemaeckten schijn

Verscheen; en quam voor oogen,

Daer hy stond opgetogen.

Sy sprack: mijn allerwaerdste soon,

Die lust hebt in der Goden troon

En 't eeuwighdurend leven

Met uwen geest te sweven;

Al langh genoegh met ongemack

Gedragen 't aerdsch en hemelsch pack,

En Herkles nagetreden

En Atlas wijde schreden.

Al lang genoegh tot 's vaders troost,

Sijn swacken ouderdom verpoost:

't Is tijt om eens te hooren

Nae 't geen u is beschoren.

Ick wijs u nae de goude stad,

Daer is voor u een eedle schat,

Een schoone Maeghd ten beste,

Treck heen nae dese veste.

Ghy sult er vinden aen de Gou

De lieve lang beloofde trou,

En u in hare kaecken

En heusch onthael vermaecken.

Of deystse met bevreesden gang

Ick salse met een minneprang

Bedwingen tot mijn wetten

En 't harde hart versetten.

Soo sprack de moeder van de min,

En liet hem met verbaesden sin,

(Terwijle sy ging strijcken)

Verbaest ten hemel kijcken.

Sijn boesem brande stracx van hoop,

Die hem den lust van starrenloop

En 't schrander hemelmeten

Benam en deed vergeten.

Ghy handelt passer, boogh noch kaart

O Blaeu, wat of u wedervaert?

Noch Tychoos wijze boecken:

Ghy gaet uw weêrga soecken;

En Venus voortgang maeckt het spoor,

En wijst u met haer starre voor,

En opent Geertruys armen,

Genegen tot ontfarmen.

Geluck, ô blijde Bruydegom!

In Hymens vrolijck heyligdom.

Uw Bruyd heeft u genesen.

Laet sy uw spieghel wesen.

Nu staroogh op geen ander licht

Als dat er straelt uyt haer gesicht.

Nu staroogh op haer oogen,

Die alle dingh vermogen.

Nu druck, in 't kussen even kloeck,

Met mond op mond een minneboeck,

Nu druck met inckt van weelden

Een huys vol minnebeelden.

Als een bewijs der achting waarin Joan Blaeu by zijn medeburgers stond,

bewijst zijn benoeming in 1651 tot Schepen en Raad. Zijn drukkery, die

vroeger op de Bloemgracht by de derde Dwarsstraat stond, verplaatste

hy in 1666 naar het gebouw der toenmalige Latijnsche school ten

noorden van de Nieuwe Kerk, waar nog 't Blaauw-straatjen zijn naam van

draagt. De werkplaats bevatte niet minder dan negen persen, naar de

negen Zanggodinnen geheeten. Geheel Europa deelde zes jaren later in

den ramp die hem trof, toen op den 22sten February 1672 dat treflijke

gebouw door den brand in asch gelegd werd, waarby de letters en platen

der vermaarde Atlas- en Stedeboeken vernield werden, en by de vier

tonnen gouds verloren gingen. Hy stierf den 28sten December van 't

volgende jaar. De toen zes-en-tachtigjarige Vondel, die van kindsbeen

af, de huisvriend der Blaeuwen geweest was, wijdde hem dit grafschrift:

Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,

Al 't aertrijk door bekent,

Hoe quam hy aan zijn endt?

De gansche weerelt viel dien grooten man te kleen.

Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik · 第 16 / 41 题